-A +A

Onregelmatig verkregen bewijs onaantastbaar oordeel van de rechter of dit uit debatten dient geweerd

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 13/12/2016
A.R.: 
P.15.0639.N

De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bewijselementen rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit een onregelmatig verklaard bewijselement en dus net als dat onregelmatig verklaard bewijs uit het debat moeten worden geweerd; geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter indien hij vaststelt dat een bewijsgegeven onregelmatig is verkregen en een partij aanvoert dat die onregelmatigheid alle overige bewijsgegevens heeft aangetast, voor elk stuk van het strafdossier uitdrukkelijk aan te geven of het al dan niet voortvloeit uit het onregelmatig verklaard bewijsgegeven en dus al dan niet uit het strafdossier moet worden geweerd; de rechter kan die beoordeling op algemene wijze verrichten, voor zover hij dit doet op een manier die geen onduidelijkheid laat bestaan over het al dan niet geweerd zijn van stukken (1). (1) Cass. 9 juni 2004, AR P.04.0603.F, AC 2004, nr. 314; Cass. 14 december 1999, AR P.99.1585.N, AC 1999, nr. 678.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.0639.N
I
A.G. O. D.,
beklaagde,
eiser,

II
R. A. V. D.,
beklaagde,
eiser,

III

J.R. M. D.,
beklaagde,
eiser,
alle cassatieberoepen tegen

1. VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd voor de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister voor Omgeving, Natuur en Landbouw, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20/1,
burgerlijke partij,

2. VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd voor de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister voor Omgeving, Natuur en Landbouw, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20/1,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 maart 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en III

1. Het arrest spreekt de eiser I vrij voor de telastleggingen T4 en T5 en de eiser III vrij voor de telastleggingen L, M5, M7, M9, M15, M16, M17 en N.

In zoverre ook gericht tegen die beslissingen zijn de cassatieberoepen van de eisers I en III, voor elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
Middelen van de eiser I
Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 246, § 1, en 247, § 1, eerste en tweede lid, Strafwetboek: het arrest verantwoordt de bewezenverklaring van de telastleggingen T1 tot en met T3 niet naar recht; het beantwoordt niet of onvoldoende het in de appelconclusie van de eiser aangevoerde verweer dat passieve corruptie vereist dat het bewijs is geleverd van een verband tussen de etentjes en het gedrag van de ambtenaar en dat de etentjes de beslissing van de ambtenaar hebben beïnvloed; het arrest verklaart de publieke vordering gegrond spijts het ontbreken van dat misdrijfbestanddeel; bovendien moet het aanbod, de belofte of het voordeel noodzakelijk vooraf zijn aangewend.

3. Het arrest verklaart de eiser met de telastleggingen T1, T2 en T3 schuldig aan passieve omkoping in de zin van de artikelen 246, § 1, en 247, § 1, eerste en tweede lid, Strafwetboek door een voordeel te hebben aangenomen, namelijk etentjes, om een rechtmatige maar niet aan betaling onderworpen handeling van zijn ambt te verrichten, namelijk het verlenen van een (gunstig) advies als ambtenaar van de stedenbouwadministratie.

4. Het arrest oordeelt onder meer dat:

- de besprekingen van stedenbouwdossiers niet alleen doorgingen in de gebouwen waar de betrokken ambtenaren waren tewerkgesteld, maar ook werden verder gezet of plaatsvonden op restaurant waarbij de geviseerde ambtenaren zich welwillend lieten trakteren;

- genoegzaam blijkt dat door de genoten voordelen de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid als ambtenaar in het gedrang werd gebracht en een verwachting werd geschapen van welwillendheid, bevoordeling, gunst of wederdienst ten aanzien van een ander persoon en dit als vorm van een tegenprestatie;

- een handeling van een persoon die een openbaar ambt uitoefent, ook als passieve ambtelijke omkoping kan worden beschouwd wanneer die handeling werd gesteld naar aanleiding van de uitoefening van het ambt;

- de ambtenaar die tegen betaling advies en raad verleent met het oog op het aanvragen van een vergunning zich schuldig maakt aan omkoping;

- waar wordt opgeworpen dat dineren en eten op restaurant kaderde in een vriendschapsrelatie, dit niet kan worden aangenomen gelet op de omstandigheden waarin een en ander plaatsvond buiten de privésfeer en in het kader van het ambtelijk contentieux;

- genoegzaam blijkt dat de feiten verband houden met de ambtelijke functie van de eiser;

- artikel 246 Strafwetboek niet vereist dat gunsten zouden worden verleend, maar dat het volstaat dat giften of geschenken of voordelen worden ontvangen om zelfs rechtmatige maar niet aan betaling onderworpen handelingen van het ambt of de bediening te stellen;

- genoegzaam blijkt dat voordelen werden toegekend aan de ambtenaren en die daarvoor openstonden en dit aannamen;

- de omstandigheid dat het een ingeburgerde jarenlange gewoonte zou zijn geweest die algemeen zou zijn aanvaard om regelmatig door particulieren of bedrijven te worden uitgenodigd op etentjes in al dan niet betere of exclusieve restaurants en dit in zijn tijdsgeest zou moeten worden bekeken, niet wegneemt dat dit wel degelijk als omkoping kan worden beschouwd;

- genoegzaam blijkt dat een en ander niet louter was uit vriendschappelijkheid, maar dat het minstens de bedoeling was om een goede verstandhouding in het leven te roepen of te onderhouden of om aan de betrokken ambtenaar een bepaalde vorm van erkentelijkheid te tonen, dat een ander wel degelijk gebeurde in het kader van bescherming en de welwillendheid die men diende te verkrijgen van de ambtenaren, dat het wel degelijk de bedoeling was dat deze ambtenaren voordelen aanvaardden voor handelingen die niet aan betaling onderworpen zijn;

- de geviseerde etentjes in hun context niet kunnen worden beschouwd als vallend binnen de functieopdracht van deze ambtenaren;

- wat betreft de telastlegging T1 uit de telefoontap en de verklaringen van G. M. en L. V. blijkt dat de eiser na het grondig bekijken van de bouwplannen heeft gezegd dat die dienden te worden gewijzigd vanwege stedenbouwkundige bezwaren, de opvolging van het dossier gebeurde door de eiser en V., V. hen allen een lunch heeft aangeboden in restaurant 't Zwaantje te Brugge en heeft betaald, dat de eiser aan L. V. heeft gevraagd om het dossier bij hem te brengen, dat zij het dan hebben bekeken, dat zij dan op uitnodiging van het koppel V. zijn gaan eten in 't Zwaantje en dat tijdens dat eten werd besproken wat er diende te worden aangepast;

- wat betreft de telastlegging T3 uit de telefoontap en de verklaringen van J. G., A. D. en C. D. blijkt dat de eiser de dag na het indienen van de aanvraag reeds gunstig advies heeft gegeven in dit dossier;

- de eiser de in de telastleggingen T1, T2 en T3 bedoelde etentjes niet betwist.

Met die redenen stelt het arrest vast dat de eiser voorafgaand aan het stellen van een handeling van zijn ambt een voordeel heeft aangenomen met het oog op het verrichten van die handeling en bijgevolg van het verband tussen het aannemen van dat voordeel en die handeling. Aldus verantwoordt het arrest eisers schuldigverklaring naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 246, § 1, en 247, § 1, eerste en tweede lid, Strafwetboek: het arrest motiveert de schuldigverklaring van de eiser aan de telastlegging T2 niet; het is niet omdat de eiser de etentjes niet betwist dat de telastlegging van passieve corruptie zonder meer is bewezen; de eiser betaalde meestal zijn eten zelf; het arrest kan niet oordelen dat de eiser een rechtmatige maar aan betaling onderworpen handeling heeft gesteld.

6. De eiser werd wegens de telastleggingen T1, T2 en T3 veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van een maand met uitstel van tenuitvoerlegging voor een periode van drie jaar behoudens de ondergane voorhechtenis en tot een geldboete van 100,00 euro, verhoogd met de opdeciemen.

Deze straf is naar recht verantwoord voor de telastleggingen T1 en T3, zodat het middel dat alleen is gericht tegen de bewezenverklaring van de telastlegging T2 niet tot cassatie kan leiden en bijgevolg niet ontvankelijk is.

Middelen van de eiser III

Eerste middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van een beklaagde of zijn raadsman: door te beslissen tot de wering uit het debat van het onregelmatig bevonden bewijs, te oordelen over de gegrondheid van de strafvordering en de eiser te veroordelen, zonder duidelijk en ondubbelzinnig de stukken te identificeren die wel en die niet als bewijs worden uitgesloten, voldoet het arrest niet aan zijn antwoordplicht op eisers appelconclusie en belet het arrest het Hof zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; het is bijgevolg niet wettig gemotiveerd; de eiser heeft immers geconcludeerd tot de wering uit het debat van het gehele strafdossier dat volledig bestond uit onregelmatig verkregen bewijs en vruchten van een dergelijk bewijs, minstens dat het strafdossier onlosmakelijk is gesteund op dergelijk bewijs; het arrest had dienen te preciseren welke bewijsmiddelen werden beschouwd als resultaten die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de nietige tapbeschikkingen in het dossier Kortrijk KO.59.F1.100165/03 zoals onder meer weergegeven in de relevant verklaarde gesprekken en de confrontaties met deze passussen en de resultaten van de telefoontap in het dossier KO.52.F1.101391/03 en welke bewijsmiddelen werden beschouwd als andere gegevens die noch rechtstreeks noch onrechtstreeks uit dit onrechtmatig bewijs voortvloeien; er kan niet worden nagegaan of het arrest uitsluitend op rechtmatig bewijs steunt.

8. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bewijselementen rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit een onregelmatig verklaard bewijselement en dus net als dat onregelmatig verklaard bewijs uit het debat moeten worden geweerd.

In zoverre het middel formeel een motiveringsgebrek aanvoert, maar in werkelijkheid opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ontvankelijk.

9. Geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter indien hij vaststelt dat een bewijsgegeven onregelmatig is verkregen en een partij aanvoert dat die onregelmatigheid alle overige bewijsgegevens heeft aangetast, voor elk stuk van het strafdossier uitdrukkelijk aan te geven of het al dan niet voortvloeit uit het onregelmatig verklaard bewijsgegeven en dus al dan niet uit het strafdossier moet worden geweerd. De rechter kan die beoordeling op algemene wijze verrichten, voor zover hij dit doet op een manier die geen onduidelijkheid laat bestaan over het al dan niet geweerd zijn van stukken.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

10. Het arrest oordeelt dat:

- geen rekening kan worden gehouden met de resultaten die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de nietige tapbeschikkingen uit het dossier KO.59.F1.100165/03 zoals onder meer weergegeven in de relevant verklaarde gesprekken en de confrontaties met deze passussen, alsook met de resultaten van de telefoontap in het dossier KO.52.F1.101391/03;

- de sanctie van de nietigheid of onregelmatigheid van een bewijsmiddel hierin bestaat dat de strafvordering en dus de uitspraak van de rechter er niet mag op steunen, maar niet dat de strafvordering nietig of onontvankelijk is;

- de onwettig of onregelmatig bevonden bewijzen en de elementen die er het gevolg van zijn uit het debat worden geweerd;

- de genomen beslissingen uitsluitend berusten op andere gegevens, die noch rechtstreeks noch onrechtstreeks voortvloeien uit dit onrechtmatig bewijs en met name uit de nietige tapbeschikkingen uit het dossier KO.59.F1.100165/03 en de resultaten van de tap uit het dossier KO.52.F1.101391/03;

- de eerste rechter niet kan worden bijgetreden waar hij oordeelt dat de zich in het dossier bevindende nietige telefoontaps uit het dossier KO.59.F1.100165/03 op dermate substantiële wijze doorwegen op alle relevante aspecten van de aan de beklaagden verweten misdrijven dat zulks onmiskenbaar leidt tot de miskenning van hun recht van verdediging en alleen door de onontvankelijkheid van de strafvordering kan worden gesanctioneerd;

- de in de voorliggende zaak gestelde onderzoekshandelingen niet staan of vallen met deze tapgesprekken en niet uitsluitend afhangen van deze gesprekken, maar steunen op vele andere elementen die de procureur des Konings toelieten een onderzoek te vorderen;

- er geen aanleiding is om de overige stukken uit het debat te weren, daar deze bewijselementen niet in oorzakelijk verband staan met de nietige tapbeschikkingen uit het dossier KO.59.F1.100165/03 en de eruit voortvloeiende bewijselementen;

- voor zover zich in het op zich rechtmatig verzameld bewijsmateriaal door de onderzoekers wordt verwezen naar bepaalde resultaten van de nietige taps uit het dossier KO.59.F1.100165/03 en de resultaten van de tap uit het dossier KO.52.F1.101391/03, daarmee geen rekening wordt gehouden en de verwijzing naar die resultaten ook wordt uitgesloten.

 

 

11. Het arrest grondt die beoordeling en de verwerping van eisers aanvoering over de wering van de bewijsgegevens die voortvloeien uit de in het dossier KO.59.F1.100165/03 bij vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 15 mei 2012 nietig verklaarde tapbeschikkingen op de volgende redenen:

- het dossier KO.59.F1.100165/03 inzake hormonen heeft niets te zien met het voorliggende dossier;

- het dossier KO.59.F1.100165/03 komt ter sprake in het aanvankelijk proces-verbaal KO.25.EP.40938/03 van 7 augustus 2003 dat bij het voorliggende dossier werd gevoegd;

- met het aanvankelijk proces-verbaal KO.25.EP.40938/03 van 7 augustus 2003 werd het openbaar ministerie ervan ingelicht dat ingevolge het dossier KO.52.F1.101391/03 en de daarin genomen tapmaatregelen ten aanzien van M.-R. V. en L. V. werd vernomen dat J. D. zich schuldig zou maken aan schending van zijn beroepsgeheim. Dit proces-verbaal werd door de procureur des Konings te Kortrijk tot beschikking overgemaakt aan de procureur des Konings te Brugge;

- het dossier KO.52.F1.101391/03 lastens O.D. en M.-R. V. heeft betrekking op de schending van beroepsgeheim, het werd ter informatie bij het voorliggende dossier gevoegd en heeft op zich niets te maken met het voorliggende dossier;

- in het navolgend proces-verbaal 399/04 van 16 januari 2004 in het dossier BG.25.F1.006901/03 wordt geschreven dat de feiten van de aangifte D. R. en de feiten met betrekking tot J. D. wellicht twee afzonderlijke feiten van omkoping van ambtenaren betreffen;

- in dit proces-verbaal 399/04 wordt wat betreft J.D. ook verwezen naar de beluisterde telefoongesprekken uit het dossier KO.52.F1.101391/03 lastens O.D en M.-R. V. wegens schending van beroepsgeheim op grond waarvan zou blijken dat J. D. mogelijk betrokken was bij omkoping;

- uit het dossier KO.52.F1.101391/03 blijkt dat de federale politie Kortrijk aan het openbaar ministerie heeft ter kennis gebracht dat uit de tapresultaten in de dossiers KO.59.F1.165/03 wegens hormonen en KO.59.F1.643/03 wegens doping bij wielrenners aan het licht kwam dat iemand zich schuldig heeft gemaakt aan schending van het beroepsgeheim, op grond waarvan in dit dossier een gerechtelijk onderzoek werd gevorderd en vervolgens tapbeschikkingen werden verleend die hebben geleid tot het afluisteren van gesprekken gevoerd met J. D. en waaruit aanwijzingen voortvloeiden dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan omkoping;

- de kamer van inbeschuldigingstelling heeft bij arrest van 11 september 2007 in de zaak KO.52.F1.101391/03 geoordeeld dat de tapbeschikkingen en hun verlengingen alle wettelijk noodzakelijk gegevens bevatten en het Hof van Cassatie bij arrest van 18 december 2007 heeft geoordeeld dat de kamer van inbeschuldigingstelling wettig tot dit besluit kon komen;

- de eerste rechter oordeelde dat het dossier KO.52.F1.101391/03 was behept met bewijs dat volledig was gesteund op onrechtmatig bewijs, namelijk de bij vonnis van 15 mei 2012 nietig verklaarde taps in de dossiers KO.59.F1.165/03 inzake hormonen en KO.59.F1.643/03 inzake doping bij wielrenners, dat het net die nietige onderzoeksresultaten zijn die voor het overgrote deel de basis vormen van het voorliggende strafdossier, zodat de bewijsmiddelen in dit dossier niet als bewijs in acht kunnen worden genomen, dat de zich in het dossier bevindende onwettigheden op dermate substantiële wijze doorwegen op alle relevante aspecten van de thans aan de beklaagden ten laste gelegde misdrijven en dat zulks onmiskenbaar een miskenning van hun recht van verdediging meebrengt, zodat mede gelet op het onontwarbaar karakter van de vermenging tussen rechtmatige en onrechtmatige onderzoekshandelingen de onontvankelijkheid van de strafvordering de sanctie moet zijn;

- de appelrechters kunnen de eerste rechter niet bijtreden waar die stelde dat het strafdossier twee bronnen kende, namelijk als eerste de aangifte van 29 september 2003 van W. D.R. met betrekking tot L. V. en de eiser I en welke het voorwerp uitmaakt van het aanvankelijk proces-verbaal BG.25.F1.006901/03 van die datum, alsook als tweede het strafonderzoek dat de behandelende parketmagistraat te Brugge ontving over een lopend onderzoek te Kortrijk, wat betrekking heeft op het aanvankelijk proces-verbaal KO.25.EP.40938/03 van 7 augustus 2003;

- uit het strafdossier blijkt immers dat het strafonderzoek als volgt werd opgestart:

i) de aangifte van W. D. R. inzake omkoping van ambtenaren door L. V. en M.-R.V., voorwerp van het op 29 september 2003 door de federale politie van Brugge opgesteld aanvankelijk proces-verbaal BG.25.F1.006901/03, waarbij ook gewag wordt gemaakt van de overleden R.B. en de eiser I;

ii) het aanvankelijk proces-verbaal KO.25.EP.40938/03 van 7 augustus 2003 dat door de procureur des Konings te Kortrijk tot beschikking werd overgemaakt aan de procureur des Konings te Brugge;

iii) de procureur des Konings te Brugge heeft bij kantschrift van 31 augustus 2004 aan de federale politie te Brugge opdracht gegeven het onderzoek verder te zetten wat betreft de beide feiten, maar op 19 oktober 2014 heeft de federale politie te Brugge het kantschrift onuitgevoerd terug overgemaakt, gelet op het gelieerd zijn van de feiten met het dossier BG.25.F1.006577/04;

iv) de aangifte van A. D. van mogelijke corruptie welke het voorwerp uitmaakt van het aanvankelijk proces-verbaal BG.25.F1.006577/04, waarin gewag wordt gemaakt van H. P. als persoon die van alles op de hoogte is en veel kon regelen en de eiser II;

- in een navolgend proces-verbaal 6632/04 van 19 oktober 2004 brengt de verbalisant de procureur des Konings te Brugge ter kennis dat hij op discrete wijze vertrouwelijke inlichtingen heeft ingewonnen binnen de afdeling Rohm waaruit blijkt dat de wijze waarop een aantal streekbehandelaars in West-Vlaanderen hun functie uitoefenen ernstig laat vermoeden dat zij gelden of andere voordelen vragen voor het verstrekken van een gunstig advies. Dit vermoeden is niet louter gesteund op de geruchten, maar ook op aanwijzingen zoals telefoonoproepen, bezoeken van en contacten met steeds opnieuw terugkerende tussenpersonen en plaatsbezoeken die eerder tot doel hebben uitgebreid te tafelen. Niet alle streekbehandelaars stellen zich zo op, sommigen zetten zich af tegen deze verregaande normvervaging. Ook werd vernomen dat de betrokken ambtenaren zich veelal laten vergoeden of bevoordelen voor het verstrekken van normale reguliere adviezen. Het wordt soms zelf ook zo voorgesteld dat een gevraagde regularisatie moeilijk kan, terwijl dit niet het geval is. Er blijken ernstige verdenkingen te zijn tegen de eiser II, D. D., J.D.J., F. R. en de eiser I. Ook de naam van J. D., diensthoofd van de afdeling Land West-Vlaanderen blijkt op te duiken;

- deze inlichtingen werden door de politie aan de procureur des Konings meegedeeld om hem toe te laten deze informatie te beoordelen en te beslissen om al dan niet een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek op te starten. Uit niets blijkt dat de politie die informatie op onregelmatige wijze zou hebben verkregen;

- op 7 december 2004 werd door de procureur des Konings te Brugge een gerechtelijk onderzoek gevorderd wegens omkoping lastens L. V., M.-R.V., H.P., de eiser I, J. D., de eiser II, D. D., J. D. J. en F. R.;

- de procureur des Konings te Brugge heeft nog een aangifte door G. V.K. inzake omkoping lastens B. O. en J. D., alsook meerdere anonieme brieven, gevoegd bij het gerechtelijk onderzoek;

- op 28 maart 2006 en op 24 april 2006 werd door J. B. respectievelijk M. V. d. H. klacht met burgerlijkepartijstelling gedaan bij de onderzoeksrechter te Brugge tegen onbekenden wegens inbreuken op de stedenbouwregelgeving;

- uit de enkele verwijzing in de aanhef van de processen-verbaal naar onder meer het geviseerde proces-verbaal "taps" en uit de vermelding "op grond van alle stukken van het gevoerde onderzoek", kan niet worden afgeleid dat het openbaar ministerie zonder kennis van de inhoud van de geviseerde resultaten van de nietigverklaarde telefoontaps uit het dossier KO.59.F1.100165/03 niet zou zijn overgegaan tot het vorderen van een gerechtelijk onderzoek en de onderzoeksrechter niet zou zijn overgegaan tot het bevelen van de in dit onderzoek bevolen maatregelen van observatie, tap en huiszoekingen, maar integendeel dat er ook zonder de resultaten van de nietige taps ruim voldoende ernstige aanwijzingen waren om het onderzoek te vorderen en te bevelen, waarbij kan worden verwezen naar de andere vaststellingen die het onderzoek wettigden;

- deze bewijselementen zijn niet aangetast door de onrechtmatigheid en de beklaagden hebben daarover vrij verweer kunnen voeren;

- om dezelfde reden doet de vermelding van de onderzoeksrechter in zijn tapbeschikkingen "aangezien uit alle elementen van het onderzoek blijkt dat" daaraan geen afbreuk.

Met het geheel van die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer en omkleedt het zonder enige onduidelijkheid en zonder het Hof te beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, zijn beslissing regelmatig met redenen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel in zijn geheel

12. De onderdelen voeren schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op wapengelijkheid en het recht op tegenspraak, alsook van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van een beklaagde of zijn raadsman.

Het eerste onderdeel voert aan dat het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd; het weert enerzijds de resultaten van de telefoontap in het dossier KO.52.F1.101391/03 uit het debat; anderzijds steunt het op het aanvankelijk proces-verbaal KO.52.EP.40938/03 van 7 augustus 2003 en de resultaten die hieruit rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien, gelet op het oordeel dat de in dit proces-verbaal vervatte informatie toelaat een onderzoek op te starten of in een bepaalde richting te sturen; door met dit aanvankelijk proces-verbaal rekening te houden, steunt het arrest op bewijs dat op onregelmatige wijze werd verkregen; in zoverre het arrest oordeelt dat dit aanvankelijk proces-verbaal niet volledig en niet onlosmakelijk steunt op het dossier KO.52.F1.101391/03 en de maatregelen van het telefonieonderzoek, miskent het arrest de bewijskracht van dit proces-verbaal dat letterlijk verwijst naar dit dossier en de resultaten van het telefoononderzoek; de loutere stelling dat dit aanvankelijk proces-verbaal niet volledig en niet onlosmakelijk steunt op het dossier KO.52.F1.101391/03 en de maatregelen van het telefonieonderzoek vormt bovendien geen antwoord op het door de eiser in zijn appelconclusie aangevoerde verweer; het arrest laat na aan de hand van de concrete gegevens van het strafdossier na te gaan of de uit dit proces-verbaal voortvloeiende bewijselementen nietig zijn en uit het strafdossier moeten worden verwijderd; de beslissing is dan ook niet naar recht verantwoord.

Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest niet motiveert waarom het eisers aanvoering verwerpt dat vanaf 17 december 2003 het dossier KO.52.EP.40938/03 samensmelt met het dossier BG.25.F1.6901/03 betreffende de aangifte van W.D. R. en dat het gezamenlijke dossier is geïnfecteerd door de nietige telefoongegevens en als vrucht hiervan eveneens nietig is; de eiser had daartoe verwezen naar het navolgend proces-verbaal 6904/03 van 29 september 2003, de opdracht van 9 oktober 2003 aan de gerechtelijke directeur en het navolgend proces-verbaal 9114/03 van 12 december 2003, die de basis vormden van het dossier BG.25.F1.006901/03 van 29 september 2003; in die stukken wordt verwezen naar het dossier KO.25.EP.40938/03 dat integraal voortkomt uit het nietig telefonieonderzoek; de loutere stelling dat zulks niet het geval is, volstaat niet; het arrest dient dit te doen aan de hand van de concrete gegevens van het strafdossier; met de verwerping van de opgeworpen nietigheid van deze stukken die uitdrukkelijk verwijzen naar de zaak KO.52.EP.40938/03 en welke aantonen dat deze zaak samensmelt met het dossier BG.25.F1.6901/03 en elementen uit het ene dossier worden gebruikt om het andere dossier te oriënteren, miskent het arrest de bewijskracht van die stukken; door die stukken en de resultaten die hieruit rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien niet uit het debat te weren, steunt het arrest op onregelmatig verkregen bewijs; die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het derde onderdeel voert aan dat het arrest eisers verweer niet beantwoordt dat het navolgend proces-verbaal 399/04 van 16 januari 2004 duidelijk en herhaaldelijk verwijst naar de nietige telefoontaps, uit het navolgend proces-verbaal 401/04 van 16 januari 2004 de onlosmakelijke verknochtheid tussen het dossier BG.25.F1.6901/03 en het dossier KO.52.EP.40938/03 blijkt, uit het kantschrift van 7 april 2004, het antwoord van de procureur-generaal van 21 april 2004, het kantschrift van 25 juni 2004, de toelating van 26 juli 2004 en het kantschrift van 31 augustus 2004 blijkt dat de parketmagistraat zich heeft laten leiden door het in Kortrijk gevoerde telefonieonderzoek waarbij hij alle moeite heeft gedaan om de onderliggende stukken verder te exploiteren; de loutere stelling dat de stukken niet steunen op nietig telefoononderzoek volstaat niet; het arrest had aan de hand van de concrete gegevens van het strafdossier eisers verweer dienen te beantwoorden; door de aangevoerde nietigheid van de voormelde stukken te verwerpen, miskent het arrest de bewijskracht van deze stukken die uitdrukkelijk verwijzen naar en steunen op het telefonieonderzoek; door te steunen op deze stukken en de resultaten die er rechtstreeks of onrechtstreeks uit voortvloeien en ze niet uit het debat te weren, steunt het arrest op onregelmatig verkregen bewijs; de beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het vierde onderdeel voert aan dat het arrest niet motiveert waarom het eisers aanvoering verwerpt dat het navolgend proces-verbaal 6632/04 van 19 oktober 2004 ontegensprekelijk terugkoppelt aan het door nietigheid aangetaste dossier BG.25.F1.6901/03 en bovendien expliciet steunt op nietige telefoongesprekken en dat het dossier BG.25.F1.006577/04 inzake A. D. steunt op nietige elementen afkomstig uit het geïnfecteerde dossier BG.25.F1.6901/03; de loutere stelling dat de stukken niet steunen op nietig telefoononderzoek volstaat niet, maar het arrest had aan de hand van de concrete gegevens van het strafdossier eisers verweer dienen te beantwoorden; met het oordeel dat de geldigheid van het proces-verbaal 6632/04 van 19 oktober 2004 niet wordt geviseerd, miskent het arrest de bewijskracht van eisers conclusie die die geldigheid uitdrukkelijk heeft geviseerd; door de nietigheid te verwerpen van het navolgend proces-verbaal 6569/04 van 4 oktober 2004, het navolgend proces-verbaal 6607/04 van 6 oktober 2004 en het navolgend proces-verbaal 6632/04 van 19 oktober 2004 miskent het arrest de bewijskracht van deze akten die uitdrukkelijk verwijzen naar het telefonieonderzoek; het arrest steunt dan ook op onregelmatig verkregen bewijsmateriaal; de beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het vijfde onderdeel voert aan dat het arrest niet motiveert waarom het eisers aanvoering verwerpt dat uit het proces-verbaal 6633/04 van 19 oktober 2004 blijkt dat er overleg plaatsvond met de behandelende parketmagistraat en dit tegelijk in de dossiers BG.25.F1.6577/04 en BG.25.F1.006901/03, alsook dat er een onlosmakelijke versmelting bestond tussen de dossiers BG.25.F1.6577/04 en BG.25.F1.006901/03, er een onontwarbare infectie is in deze dossiers door de nietige elementen uit de afgeluisterde telefoongesprekken, er de kennis is van deze nietige elementen in hoofde van de behandelende parketmagistraat en de leidende onderzoeker en beiden zich door de kennis van deze nietige gegevens hebben laten leiden; het arrest kan die aanvoering niet verwerpen met de loutere bewering van het tegendeel, maar moet aan de hand van de concrete dossiergegevens nagaan of de uit het onregelmatig verkregen bewijs voortvloeiende bewijselementen nietig zijn en uit het strafdossier moeten worden geweerd; door eisers aanvoering te verwerpen, miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal 6633/04 van 19 oktober 2004 en de door de eiser in zijn appelconclusie aangehaalde stukken; het arrest steunt op onregelmatig verkregen bewijs; de beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het zesde onderdeel voert aan dat het arrest niet motiveert waarom het eisers aanvoering verwerpt dat alle stukken gevoegd bij de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek onlosmakelijk verbonden zijn met de nietige telefoongegevens, dat de vordering tot het instellen van het gerechtelijk onderzoek ook L. V. en M.-R. V. viseert, terwijl die personen vreemd zijn aan de aangifte van A. D. en, ten slotte, dat blijkt dat de vordering tot het instellen van het gerechtelijk onderzoek is gesteund op de kennis bij de parketmagistraat en de leidende onderzoeker uit de nietige telefoontaps, zodat die vordering zelf ook nietig is; het arrest kan die aanvoering niet verwerpen met een loutere bewering van het tegendeel, maar moet aan de hand van de concrete dossiergegevens nagaan of de uit het onregelmatig verkregen bewijs voortvloeiende elementen nietig zijn en uit het strafdossier moeten worden geweerd; door eisers aanvoering te verwerpen, miskent het arrest de bewijskracht van de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek in de zaak BG.25.F1.6901/03 en van de stukken waarnaar die vordering verwijst; het arrest steunt op onregelmatig verkregen bewijs; de beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het zevende onderdeel voert aan dat het arrest niet eisers verweer beantwoordt dat het navolgend proces-verbaal 769/05 van 4 februari 2005 ontegensprekelijk terugkoppelt naar het proces-verbaal KO.52.EP.40938/03, dat het daarom nietig is en dat ook na de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek in de zaak BG.25.F1.6901/03 het nietige telefoononderzoek de verdere basis vormt voor de gestelde onderzoeksdaden; het arrest kan zich niet beperken tot het louter tegenspreken van eisers aanvoering, maar dient aan de hand van de concrete dossiergegevens na te gaan of de bewijsgegevens nietig zijn; met het oordeel dat het navolgend proces-verbaal 769/05 en de resultaten die er rechtstreeks of onrechtstreeks uit voortvloeien niet nietig zijn, miskent het arrest bovendien de bewijskracht van dit proces-verbaal; het steunt daardoor ook op onregelmatig verkregen bewijzen; de beslissing is dan ook niet naar recht verantwoord.

13. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bewijselementen rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit een onregelmatig verklaard bewijselement en dus net als dat onregelmatig verklaard bewijs uit het debat moeten worden geweerd.
In zoverre de onderdelen formeel een motiveringsgebrek aanvoeren, maar in werkelijkheid opkomen tegen dit onaantastbaar oordeel, zijn ze niet ontvankelijk.

14. Uit de enkele omstandigheid dat:

- twee onderzoeken worden gevoerd onder leiding van eenzelfde magistraat en in deze dossiers melding wordt gemaakt van gegevens uit het andere dossier, volgt niet noodzakelijk dat de in het ene dossier verzamelde bewijselementen hun oorsprong vinden in het andere dossier en daarmee onlosmakelijk verbonden zijn;

- twee onderzoeken worden gevoerd onder leiding van eenzelfde magistraat en door eenzelfde onderzoeker, tussen hen overleg wordt gevoerd en dat door die onderzoeker wordt gewezen op het gelieerd zijn van de beide dossiers, volgt niet noodzakelijk dat deze dossiers onlosmakelijk zijn samengesmolten en dat de kennis van eventuele nietige gegevens bij die magistraat en onderzoeker leidt tot een onontwarbare infectie van deze gegevens door die nietige gegevens;

- in een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek wordt verwezen naar de bij die vordering gevoegde stukken en die stukken deels onregelmatig verkregen bewijs of de vruchten daarvan zouden uitmaken, volgt niet dat die vordering zelf noodzakelijk onregelmatig is. De rechter kan oordelen dat de vordering ook zou zijn genomen zonder het onregelmatig verkregen bewijs of de vruchten daarvan;

- in een onderzoekshandeling wordt verwezen naar een onregelmatig verkregen bewijsgegeven, volgt niet dat die onderzoekshandeling noodzakelijk de vrucht is van dit onregelmatig verkregen bewijselement.

15. Het feit dat een beklaagde ten gronde niet akkoord gaat met de motivering van een rechterlijke beslissing of dat de rechter de feiten anders beoordeeld dan wordt voorgehouden in conclusie levert geen motiveringsgebrek op in de zin van artikel 149 Grondwet.

16. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.

17. Het arrest vermeldt het aanvankelijk proces-verbaal KO.25.EP.40938/03 van 7 augustus 2003 enkel om de ontstaansgeschiedenis van het voorliggende strafdossier te schetsen. Het steunt zijn beslissingen niet op dit proces-verbaal en het oordeelt niet dat dit proces-verbaal niet volledig en niet onlosmakelijk steunt op het dossier KO.52.F1.101391/03. Het oordeelt evenmin dat de gegevens van dit proces-verbaal de procureur des Konings toelaten al dan niet een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek te starten en zo op autonome wijze bewijzen te verzamelen. Dit laatste oordeel heeft immers slechts betrekking op het navolgend proces-verbaal 6632/04 van 19 oktober 2004.
In zoverre berust het eerste onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

18. Het oordeel dat de geldigheid van het proces-verbaal 6632/94 niet wordt geviseerd, heeft geen betrekking op eisers aanvoering dat dit proces-verbaal als de vrucht van onregelmatig verkregen bewijs moet worden uitgesloten, maar wel op het oordeel van het arrest dat de in dit proces-verbaal vervatte informatie louter inlichtingen bevat, die toelaten een onderzoek op te starten of in een bepaalde richting te sturen en aldus op autonome wijze bewijzen te verzamelen.
In zoverre berust het vierde onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

19. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, zonder evenwel zelf een afzonderlijk middel te vormen.

20. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, beantwoordt en verwerpt het arrest de door de onderdelen bedoelde verweren, zonder het dat diende te antwoorden op argumenten die slechts werden aangevoerd tot staving van die verweren, zonder evenwel een zelfstandig middel te vormen.
In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.

21. In zoverre het arrest voor wat betreft de bekritiseerde beslissingen niet verwijst naar de met de onderdelen bedoelde akten en meer bepaald naar het navolgend proces-verbaal 6904/03 van 29 september 2003, de opdracht van 9 oktober 2003, het navolgend proces-verbaal 9114/03 van 12 december 2003, het navolgend proces-verbaal 401/04 van 16 januari 2004, het kantschrift van 7 april 2004, het antwoord van de procureur-generaal van 21 april 2004, het kantschrift van 25 juni 2004, de toelating van 26 juli 2004, het kantschrift van 31 augustus 2004, het navolgend proces-verbaal 6569/04 van 4 oktober 2004, het navolgend proces-verbaal 6607/04 van 6 oktober 2004 en de bij de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek gevoegde stukken, kan het van die akten geen uitlegging geven en er bijgevolg de bewijskracht niet van miskennen.

In zoverre missen de onderdelen feitelijke grondslag.

22. Uit de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen volgt dat het arrest van de overige in de onderdelen vermelde akten een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

In zoverre missen de onderdelen eveneens feitelijke grondslag.

Derde middel

Eerste onderdeel

23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht op wapengelijkheid en het recht op tegenspraak, en van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van een beklaagde of zijn raadsman: het arrest miskent de bewijskracht van de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek van 7 december 2004; de bewoordingen of de inhoud van deze vordering laten niet toe vast te stellen dat zij slechts op een gedeelte van bijgevoegde stukken zou steunen; bij afwezigheid van een precisering steunt deze vordering op alle bijgevoegde stukken en dus ook op elementen die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de nietige tapbeschikkingen in de dossiers KO.59.F1.100165/03 en KO.52.F1.101391/03; het arrest motiveert niet uit welke stukken of feiten zou blijken dat deze vordering steunt op andere elementen die niet rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de nietige tapbeschikkingen; de loutere stelling dat het bewijs niet onregelmatig is, voldoet niet aan de motiveringsverplichting; het arrest moet aan de hand van de concrete dossiergegevens nagaan of de uit het onregelmatig verkregen bewijs voortvloeiende bewijselementen nietig zijn; de beslissing is niet naar recht verantwoord.

24. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het eerste en het tweede middel aangevoerde onwettigheden.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht op wapengelijkheid en het recht op tegenspraak, en van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van een beklaagde of zijn raadsman: het arrest miskent de bewijskracht van de tapbeschikkingen van 19 september 2005; deze tapbeschikkingen steunen immers op alle elementen van het onderzoek en derhalve ook op de nietige elementen van het telefonieonderzoek; het arrest motiveert niet uit welke stukken of feiten zou blijken dat de tapbeschikkingen zouden steunen op andere elementen die niet voortvloeien uit de nietige tapbeschikkingen in de dossiers KO.59.F1.100165/03 en KO.52.F1.101391/03; de loutere stelling dat het bewijs niet onregelmatig is, voldoet niet aan de motiveringsverplichting; het arrest moet aan de hand van de concrete dossiergegevens nagaan of de daaruit voortvloeiende bewijselementen nietig zijn; de beslissing is niet naar recht verantwoord.

26. Het arrest verwijst voor het door het onderdeel bekritiseerde oordeel niet naar de tapbeschikking van 19 september 2005. Het kan er dan ook de bewijskracht niet van miskennen.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

27. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefs met het eerste en het tweede middel aangevoerde onwettigheden.
In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Vierde middel

28. Het middel voert schending aan van artikel 90quater, § 1, 1°, Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk: het arrest oordeelt ten onrechte dat de tapbeschikkingen van 19 september 2005 voldoen aan de wettelijke voorwaarden, terwijl deze beschikkingen niet de ernstige aanwijzingen vermelden met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor een bewakingsmaatregel is toegelaten; een eenvoudige verwijzing naar het abstracte "alle elementen van het strafdossier" volstaat niet.

29. Artikel 90ter, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de onderzoeksrechter in uitzonderlijke gevallen, wanneer het onderzoek zulks vereist, privé-communicatie of -telecommunicatie, tijdens de overbrenging ervan, kan afluisteren, er kennis van nemen en opnemen, indien er ernstige aanwijzingen bestaan dat het feit waarvoor hij is geadieerd een strafbaar feit is als bedoeld in artikel 90ter, § 2, Wetboek van Strafvordering.

Artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat de beschikking waarbij machtiging wordt verleend tot een bewakingsmaatregel op straffe van nietigheid de aanwijzingen voor het strafbaar feit en de concrete feiten, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 90ter, vermeldt.

30. Uit die bepalingen volgt dat de tapbeschikking die ernstige aanwijzingen moet vermelden. De naleving van deze motiveringsplicht is evenwel niet aan bepaalde wettelijk voorgeschreven of uitdrukkelijke bewoordingen onderworpen, maar kan blijken uit de samenhang van de bewoordingen van de beschikking. Aan de motiveringsplicht kan ook worden voldaan indien de machtiging zich door verwijzing naar de stukken van het strafdossier de inhoud van die stukken eigen maakt.

De motieven die worden vermeld met betrekking tot de vaststelling van de onontbeerlijkheid van de maatregel om de waarheid aan de dag te brengen kunnen ook dienstig zijn voor de vaststelling van het bestaan van de ernstige aanwijzingen.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

31. Met de redenen die het arrest bevat, stelt het arrest vast dat de tapbeschikkingen alle wettelijk noodzakelijke gegevens bevat om tot deze maatregel over te gaan en verantwoordt het die beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verleent de eiser II akte van de afstand van zijn cassatieberoep.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 685,92 euro waarvan de eisers I, II en III elk 228,64 euro verschuldigd zijn.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 13 december 2016 uitgesproken 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/10/2017 - 17:03
Laatst aangepast op: vr, 27/10/2017 - 17:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.