-A +A

Onregelmatig deskundigenonderzoek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 23/06/2009

Appellanten betwisten de regelmatigheid van het deskundigenonderzoek omdat de deskundige M. tweemaal ter plaatse ging zonder hiervan de partijen in te lichten en hoewel hij kennis had van het optreden van de technische raadsman van appellanten. Hij zou aldus het tegensprekelijk karakter van de expertiseverrichtingen hebben miskend. De raadsman van appellanten nodigde later de deskundige om een tweede voorverslag op te stellen maar de gerechtsdeskundige stelde zijn eindverslag op en legde het ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

14. Te dezen moet het hof vooreerst vaststellen dat appellanten tijdens de (tweede) installatievergadering van 28 mei 2002 hebben verklaard de deskundige ontslag te geven van alle formaliteiten, derwijze dat hij o.m. vrij de eigendommen van partijen kon betreden om de nodige opmetingen uit te voeren .

15. Bovendien geeft een eventuele onregelmatigheid in de uitvoering van het deskundigenonderzoek en / of een eventueel verzuim in hoofde van de aangestelde deskundige om de rechten van verdediging en het tegensprekelijk karakter van het onderzoek in acht te nemen, niet zonder meer aanleiding tot de wering van zijn bevindingen of tot enige nietigheid van het gevoerde onderzoek.

Wanneer een deskundigenonderzoek gebeurt met miskenning van de regels die de rechten van verdediging en het tegensprekelijk karakter van het onderzoek waarborgen, kan daaruit niet worden afgeleid dat de zaak niet eerlijk werd behandeld, als de partijen voor het rechtscollege, dat ten gronde uitspraak moet doen, de mogelijkheid hebben het deskundigenonderzoek te betwisten, niet enkel wat betreft de aangevoerde onregelmatigheden, doch ook betreffende de vaststellingen en besluiten van de deskundige .

Het staat aan de rechter om te oordelen of, volgens de concrete omstandigheden van het geval, een eventueel verzuim van de deskundige een partij belet heeft haar recht van verdediging uit te oefenen en om, in voortkomend geval, te beslissen hoe dat verholpen moet worden .

Te dezen is er geen aanleiding om, ingaande op de vordering van appellanten, het verslag van de deskundige M. uit de debatten te weren.

Publicatie
Uitgever: 
Intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

A.R. nr. 2005/AR/2811

 

INZAKE VAN :

1) De heer J. G., en zijn echtgenote
2) Mevrouw L. P.,
samenwonende te
appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 13 september 2005,

1ste kamer
TEGEN :

De naamloze vennootschap DE MENE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3320 H., Begijnenblokstraat 17, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0444.864.566,

geïntimeerde,

 

 

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (7de kamer) na tegenspraak uitgesproken op 13 september 2005, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;
- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 7 november 2005 ter griffie van het hof neergelegd;
- de conclusie van appellanten;
- de conclusie en syntheseconclusie van geïntimeerde.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 18 mei 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Voorwerp van de vordering

1. De oorspronkelijke vordering van huidige geïntimeerde, ingesteld bij exploot van 23 februari 1999 strekte ertoe te zeggen voor recht dat N.V. De Mene de rechtmatige eigenaar is van het strookje grond, inclusief de waterput met pomp, gelegen ter hoogte van de scheiding van de eigendom van huidige appellanten te H.-M., Begijnenblokstraat 19 gekadastreerd wijk B, nr. 193/G (weide), met het eigendom van huidige geïntimeerde, gelegen te H.-M., Begijnenblokstraat 17, gekadastreerd wijk B, nrs 199/L (woning) en 189/E (tuin) en huidige appellanten te veroordelen tot teruggave van dit strookje grond alsook tot betaling van alle kosten.

 

2. De echtgenoten G.-P. betwistten de gegrondheid van de vordering en stelden een tegenvordering in strekkende tot de aanstelling van een college van landmeters met als opdracht tot afpaling van de percelen van partijen over te gaan. Zij vroegen nog voor recht te zeggen dat de aangestelde landmeters slechts tot de plaatsing van de palen zullen overgaan nadat partijen hun akkoord (zullen) hebben betuigd met de opmetingsstaat en de plans van de afpaling.

N.V. De Mene besloot tot de niet-ontvankelijkheid van de tegenvordering, minstens de ongegrondheid ervan; zij vroeg in ondergeschikte orde een deskundige aan te stellen met de opdracht zoals door haar voorgesteld en op voorwaarde dat de ganse scheidingslijn tussen beide eigendommen wordt afgebakend en dat de echtgenoten G.-P. de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te dragen.

3. Bij tussenvonnis van 18 september 2001 beval de rechtbank de heropening van de debatten teneinde de N.V. De Mene toe te laten een eensluidend afschrift van de door haar ingeroepen notariële akte van 2 september 1991 neer te leggen alsook de stukken waaruit de door haar aangehaalde naamswijziging blijkt.

Bij tussenvonnis van 5 februari 2002 stelde de rechtbank landmeter Henry M. als deskundige aan met als opdracht (samengevat) zijn technisch advies te geven omtrent de juiste grens tussen de aan de partijen ingevolge de respectievelijke eigendomstitels toebehorende eigendommen, meer bijzonder m.b.t. het betwiste strookje grond met waterput en pomp.

4. De deskundige legde op 20 juli 2004 zijn verslag neer waarin hij het advies geeft dat de strook grond eigendom is van de N.V. De Mene. In dit verslag geeft hij de scheidingslijn tussen de eigendommen van partijen aan.

5. Na deskundig onderzoek betwistten de echtgenoten G.-P. het tegensprekelijke karakter van de vaststellingen van de deskundige en vroegen zij te zeggen voor recht dat zij eigenaar zijn van het perceeltje grond.

6. Bij het uitvoerbaar verklaarde bestreden vonnis verklaarde de rechtbank de hoofdvordering alleen gegrond. De rechtbank zegde voor recht dat de N.V. De Mene de rechtmatige eigenares is van het strookje grond, inclusief de waterput met pomp, gelegen ter hoogte van de scheiding van het eigendom van huidige appellanten te H.-M., Begijnenblokstraat 19 gekadastreerd wijk B, nr. 193/G (weide), met het eigendom van huidige geïntimeerde, gelegen te H.-M., Begijnenblokstraat 17, gekadastreerd wijk B, nrs 199/L (woning) en 189/E (tuin).

De echtgenoten G.-P. werden veroordeeld tot teruggave van deze strook grond binnen de acht dagen vanaf de betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 247,89 euro per dag vertraging en tot herstel van deze strook grond in zijn oorspronkelijke toestand, nl. de terugplaatsing van de oude gemeenschappelijke afsluiting en de openstelling van de doorgang naar de binnenkoer van het eigendom van de N.V. De Mene binnen dezelfde termijn en onder verbeurte van een gelijke dwangsom.

Bovendien werden de echtgenoten G.-P. veroordeeld tot betaling een schadevergoeding van 1.500 euro vermeerderd met de gerechtelijke interesten.

II. Procedure voor het hof

7. Voor het hof vragen appellanten het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw rechtsprekende, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren, vast te stellen dat de deskundige M. het tegensprekelijk karakter van zijn vaststellingen heeft geschonden en zijn verslag uit de debatten te houden.

Zij vorderen dat hun oorspronkelijke tegenvordering gegrond wordt verklaard en dat het hof voor recht zegt dat zij eigenaar zijn van het litigieuze perceel en dat geïntimeerde veroordeeld wordt tot herstel van de toestand zoals deze bestond voor de "schending" in 1991, nl. het afsluiten van de percelen met o.a. geschoren haag met daartussen ursusdraad, en zulks binnen de maand na de betekening van het uit te spreken arrest, onder verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag gedurende een periode van drie maanden. Bij gebreke aan uitvoering van deze werken vragen appellanten te worden toegelaten zelf de werken uit te voeren op kosten en risico's van geïntimeerden.

 

Zij breiden hun vordering uit en vorderen een schadevergoeding van 2.500 euro , te vermeerderen met de gerechtelijke interesten "uit hoofde van ten onrechte op eigen risico uitvoeren van het bestreden vonnis".

Zij vorderen ten slotte de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

8. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep, met veroordeling van appellante tot de gerechtskosten.

Zij verklaart incidenteel beroep in te stellen (eigenlijk een incidentele vordering in hoger beroep) strekkende tot betaling van 2.500 euro wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

III. Relevante feitelijke gegevens

9. De echtgenoten G.-P. hebben bij authentieke akte van 24 april 1989, verleden voor notaris Luc Van Eeckhoudt, een onroerend goed gelegen te H., afdeling M. aangekocht, zijnde (1) een huis met aanhorigheden en grond, gekadastreerd wijk B, nummer 199/m, met adres Begijnenblokstraat 19, met een oppervlakte van 4 aren, 80 centiaren en (2) een weide gelegen ter plaatse "D.", wijk B, nummer 193/g, met een oppervlakte van 40 aren, 80 centiaren.

De verkopers waren de consorten H., erfgenamen van de heer Louis (of Clement) H., overleden op 23 oktober 1980.

Louis H. was eigenaar van deze goederen (en van andere percelen) geworden ingevolge een akte van schenking en verdeling d.d. 10 augustus 1903, verleden voor notaris de Hertoghe te Glabbeek tussen diens moeder E. L., weduwe H., en haar vier kinderen.

10. De N.V. De Mene, voorheen N.V. GAIA, werd eigenaar van het naastgelegen goed, zijnde een hoeve met aanhorigheden op en met grond gelegen te H., 2de afdeling (M.), ter plaatse "Begijnenblok" en Begijnenblokstraat 17, sectie B, nummers 199/L (huis), 193/D (grond), 198/E (tuin) en 198/F (weide), ingevolge akte van 2 september 1991 verleden voor notaris Homans te Peer.

De verkoopster was mevrouw M. H. die zelf het goed aangekocht had bij akte van 5 juni 1991 van de heer W. H. (herverkoop). De heer H. had bij dezelfde akte van 5 juni 1991 het goed aangekocht van de consorten P.-D; vader H. was de zoon van Barbara H., zuster van Louis H., hierboven vernoemd, en de goederen werden haar ook geschonken bij de akte van 10 augustus 1903.

Het eigendom van de N.V. De Mene had volgens akte van 2 september 1991 een gezamenlijke oppervlakte van 57 aren 60 centiaren volgens kadaster en volgens meting van 59 aren 53 centiaren. De akte verwijst naar het "plan van opmeting opgemaakt door de heer R. D., landmeter te Tienen, op 25 mei 1991". Het plan werd gehecht werd aan de hierboven vermelde akte van 5 juni 1991 .

11. In een brief van 28 april 1991 aan de heer R. H., rechtsvoorganger van geïntimeerde, verwees eerste appellant naar een gesprek waarbij de heer H. aanspraak zou hebben gemaakt "op een doorgang op mijn erf langs de scheidingsmuur", welke aanspraak eerste appellant verklaarde stellig te betwisten.

12. Op 10 oktober 1991 stelden de echtgenoten G.-P. voor de vrederechter van het kanton Tienen een bezitsvordering in tegen de consorten P.s-H.. Zij beklaagden zich over het feit dat, in de loop van de maand mei 1991, de consorten P.s-H. een strook grond gelegen langs de scheidingslijn tussen hun goed, gekadastreerd 193/g en de percelen van de consorten P.s-H. gekadastreerd 199/L en 198/E, hadden in bezit genomen en de aldaar bestaande afsluiting hadden verplaatst "op zodanige wijze dat ze een strook van (hun) goed hebben ingepalmd" en bovendien de kwestieuze strook aan de heer W. H. hadden verklaard te verkopen.

Zij vorderden voor recht te zeggen dat zij de enige bezitters zijn van de betwiste strook grond met herstel van de oorspronkelijke toestand.

In de loop van deze procedure heeft de vrederechter twee plaatsbezoeken gehouden, resp. op 6 januari 1993 en 12 juni 1996.

Bij vonnis van 6 juli 1998 heeft de eerste rechter het herstel in de vroegere toestand ten voordele van de echtgenoten G.-P. bevolen.

IV. Bespreking

1°. De regelmatigheid van het deskundigenonderzoek

13. Appellanten betwisten de regelmatigheid van het deskundigenonderzoek omdat de deskundige M. tweemaal ter plaatse ging zonder hiervan de partijen in te lichten en hoewel hij kennis had van het optreden van de technische raadsman van appellanten. Hij zou aldus het tegensprekelijk karakter van de expertiseverrichtingen hebben miskend. De raadsman van appellanten nodigde later de deskundige om een tweede voorverslag op te stellen maar de gerechtsdeskundige stelde zijn eindverslag op en legde het ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

14. Te dezen moet het hof vooreerst vaststellen dat appellanten tijdens de (tweede) installatievergadering van 28 mei 2002 hebben verklaard de deskundige ontslag te geven van alle formaliteiten, derwijze dat hij o.m. vrij de eigendommen van partijen kon betreden om de nodige opmetingen uit te voeren .

15. Bovendien geeft een eventuele onregelmatigheid in de uitvoering van het deskundigenonderzoek en / of een eventueel verzuim in hoofde van de aangestelde deskundige om de rechten van verdediging en het tegensprekelijk karakter van het onderzoek in acht te nemen, niet zonder meer aanleiding tot de wering van zijn bevindingen of tot enige nietigheid van het gevoerde onderzoek.

Wanneer een deskundigenonderzoek gebeurt met miskenning van de regels die de rechten van verdediging en het tegensprekelijk karakter van het onderzoek waarborgen, kan daaruit niet worden afgeleid dat de zaak niet eerlijk werd behandeld, als de partijen voor het rechtscollege, dat ten gronde uitspraak moet doen, de mogelijkheid hebben het deskundigenonderzoek te betwisten, niet enkel wat betreft de aangevoerde onregelmatigheden, doch ook betreffende de vaststellingen en besluiten van de deskundige .

Het staat aan de rechter om te oordelen of, volgens de concrete omstandigheden van het geval, een eventueel verzuim van de deskundige een partij belet heeft haar recht van verdediging uit te oefenen en om, in voortkomend geval, te beslissen hoe dat verholpen moet worden .

Te dezen is er geen aanleiding om, ingaande op de vordering van appellanten, het verslag van de deskundige M. uit de debatten te weren. Appellanten hebben de gelegenheid gehad om na voorverslag hun opmerkingen te formuleren. Het mededelen van een tweede voorverslag was geen vereiste voor de waarborg van de rechten van appellanten.

2°. Ten gronde

16. De gerechtsdeskundige heeft de opeenvolgende schetsen vanaf het jaar 1838 onderzocht en is tot het besluit gekomen dat het betwiste strookje grond eigendom is van geïntimeerde. Hij motiveerde: " Uit analyse van de schetsen blijkt dat sinds de schets van 1838 er altijd een strookje grond naast de woning heeft gelegen. Het huidige kadasterplan is dus geen wijziging door de opmeting van landmeter R. D." .

17. Het staat vast dat, na deling in 1903 van het eigendom onder de rechtsvoorgangers van partijen een doorgang langs het gebouw van geïntimeerde bestond. De toestand vóór 1903, in het bijzonder deze volgens schets van het jaar 1866, is eigenlijk niet relevant.

Appellanten geven toe dat de nieuwe schets uit het jaar 1904, na de deling, een doorgang aangeeft langs het gebouw van geïntimeerde, welke overeenkomt met het plan van de gerechtsdeskundige op p. 30 van zijn verslag.

18. Appellanten stellen dat deze toestand echter in 1911 herroepen werd ingevolge een fout van de landmeter. Vanaf 1911 zou de perceelgrens ter hoogte van de afsluiting met poort en ter hoogte van het gebouw van appellanten zijn gevestigd en zou er geen doorgang meer hebben bestaan.

Het onderzoek van de schets uit het jaar 1911 (verslag deskundige p. 23) en van de schets uit het jaar 1912 (verslag, p. 24 en vergroting p. 25) laat echter niet toe te besluiten dat er geen doorgang meer bestond langs het gebouw dat thans eigendom is van geïntimeerde. Uit de vermelde schetsen uit de jaren 1911 en 1912 kan integendeel worden afgeleid dat de grens tussen de eigendommen (thans) van partijen niet gelegen was tegen de gevel van het hoevegebouw van geïntimeerde maar wel op enige afstand ervan.

De documenten maken wel degelijk gewag van een "erreur d'arpentage" (landmeterfout) maar het wordt niet aangetoond dat de fout op het litigieuze perceel betrekking had.

De scheidingslijn, zoals door de gerechtsdeskundige bepaald (zie verslag p. 30 en 31) en zijn besluit "dat de strook grond gelegen tussen de woning huis nummer 17, eigendom van de N.V. De Mene, en de lijn op bijgaand plan aangeduid met de letters A-B ... tot het perceel nummer 199S, eigendom van de N.V. De Mene (behoort)" stroken integendeel met de schetsen uit de jaren 1911 en 1912. De schets van architect Stevens uit het jaar 1989, opgesteld naar aanleiding van een bouwaanvraag, is niet tegensprekelijk en kan niet in aanmerking komen.

19. Appellanten stellen vervolgens dat, sedert 1911 en minstens sedert 30 jaar, hun rechtsvoorgangers het ongestoord bezit hebben gehad van het kwestieuze perceel. Zij zouden dan minstens op grond van de verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van het perceel.

Het ongestoord bezit van het perceel door de rechtsvoorgangers van appellanten wordt echter niet aangetoond.

Het blijkt dat in deze periode de rechtsvoorgangers van geïntimeerde zelf toegang hadden tot het strookje grond via een poortje dat op de schets van de deskundige getekend wordt. Het bestaan van dit poortje bewijst wellicht op zich niet dat de rechtsvoorgangers van geïntimeerde zich als eigenaar van het perceel gedroegen maar het bevestigt wel dat het bezit over dit strookje tussen de rechtsvoorgangers van partijen werd gedeeld.

Evenmin levert het p.v. van plaatsbezoek van de vrederechter van 6 juli 1998 het bewijs van een langdurig bezit door (de rechtsvoorgangers van) appellanten van het litigieuze perceel als eigenaar - om het voor zichzelf te gebruiken en te behouden, met "animus possessionis". Appellanten die de bewijslast van de aangehaalde verjaring dragen slagen er niet in een afdoend bewijs hiervan te leveren en bieden evenmin aan dit bewijs te brengen.

20. Het hoger beroep en de bijkomende vordering van appellanten strekkende tot betaling van schadevergoeding zijn bijgevolg ongegrond.

De incidentele vordering van de N.V. De Mene wegens tergend en roekeloos hoger beroep is eveneens ongegrond. Geïntimeerde bewijst geen tergend of roekeloos karakter van het hoger beroep en de omstandigheid dat appellanten geen nieuwe middelen zouden voordragen volstaat hiertoe niet.

21. De gerechtskosten:

Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Te dezen bedraagt het basisbedrag 650 euro .

De kosten worden hierna met toepassing van artikel 1017, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek tussen partijen omgeslagen.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart de incidentele vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Verwijst iedere partij in haar eigen gerechtskosten van het hoger beroep, begroot
- in hoofde van appellanten op euro 836 ( 186 rolrecht + 650 rechtsplegingsvergoeding) en
- in hoofde van geïntimeerden op euro 650 rechtsplegingsvergoeding .

 

 

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 23/6/09

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 06/03/2016 - 10:52
Laatst aangepast op: zo, 06/03/2016 - 10:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.