-A +A

Onrechtmatig bewijs in fiscale zaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 22/05/2015
A.R.: 
F.13.0077.N

De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en zo daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete.

Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.

Behalve wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

De rechter kan bij die afweging rekening houden met onder meer één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formele karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijke karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de wetsovertreding veruit de begane onrechtmatigheid overschrijdt (zie ook het arrest van het hof van cassatie van 18/01/2017 vermeld in de noot onder dit arrest).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
zie ook het arrst van het Hof van Cassatie1460
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. F.13.0077.N

BVBA O. en M.B. t/ Belgische Staat, minister van Financiën

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 9 oktober 2012.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. De appelrechters oordelen niet enkel dat de eisers geen stukken kunnen overleggen die van aard zouden kunnen zijn om de administratie in staat te stellen een objectieve en daadwerkelijke controle uit te voeren op de echtheid van de verzending of van het vervoer van de gefactureerde goederen buiten de grenzen van het Belgisch grondgebied.

Zij oordelen ook dat uit een aantal elementen blijkt dat de door de eerste eiseres verrichte leveringen, voorwerp van de litigieuze facturatie, leveringen op het Belgisch grondgebied zijn, zodat de btw op de kwestieuze facturatie in beginsel verschuldigd was en het aldus handelingen betreft die niet in België zijn aangegeven in de zin van art. 81, § 1, derde lid Btw-wetboek (oud).

2. Het middel dat uitgaat van een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Tweede onderdeel

3. De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en zo daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete.

4. Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.

5. Behalve wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

De rechter kan bij die afweging rekening houden met onder meer één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formele karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijke karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de wetsovertreding veruit de begane onrechtmatigheid overschrijdt.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

...

Derde middel

Eerste en tweede onderdeel samen

7. De beide onderdelen gaan uit van de veronderstelling dat de provisionele schadevergoeding van één euro waartoe de tweede eiser bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 8 maart 2007 werd veroordeeld, niet de ontdoken belasting tot voorwerp kon hebben en derhalve geen actio iudicati kan bevatten.

8. De appelrechters stellen evenwel vast dat uit het in kracht van gewijsde getreden vonnis uitgesproken door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen op 8 maart 2007 blijkt dat de verweerder zich ten aanzien van de tweede eiser burgerlijke partij heeft gesteld voor de verschuldigde btw voor een bedrag van 1.570.330,44 euro, dat werd geoordeeld dat het bedrag van de werkelijk verschuldigde btw niet kan worden bepaald op basis van de voorliggende stukken en dat in afwachting van een precieze begroting door de administratie de vordering voorlopig werd herleid tot één euro provisioneel.

Op grond hiervan verantwoorden zij naar recht hun beslissing dat in het dwangbevel uitgevaardigd op 17 augustus 2009 een vordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing, namelijk van het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 8 maart 2009 waarbij de tweede eiser werd veroordeeld tot een provisionele schadevergoeding van één euro, vervat ligt.

Het middel kan in geen van beide onderdelen worden aangenomen.

Noot: 

NOOT – onder dit arrest in RW, Ilse De Troyer, Bevestiging van de toepassing van de Antigoon-doctrine in het fiscaal recht

Zie ook Arrest van het hof van cassatie van 18/01/2017, RW 2017-2018, 1609:

Samenvatting

De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en zo, daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete. Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces: behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt; de rechter kan bij die afweging onder meer rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt.

tekst arrest

AR nr. F.16.0031.N

J.C. en M.V. t/ Belgische Staat, minister van Financiën

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 4 maart 2015.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

1. De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en, zo daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete.

Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.

Behalve wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

De rechter kan bij die afweging rekening houden met onder meer één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de wetsovertreding veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt.

2. Het middel dat er geheel van uitgaat dat wanneer uit het onderzoek blijkt «dat de advocaat zijn beroepsgeheim heeft miskend en de inlichtingen of gegevens met miskenning van zijn beroepsgeheim aan de administratie heeft bezorgd, [...] die inlichtingen of gegevens [dan] [...] niet [kunnen] dienen om de belasting ten laste van de cliënt van die advocaat te heffen», faalt naar recht.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 10/05/2016 - 13:35
Laatst aangepast op: vr, 01/06/2018 - 23:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.