-A +A

Onopzettelijke doodslag en oorzakelijk verband

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 20/10/2015
A.R.: 
P.14.0763.N

De rechter kan de beklaagde uit hoofde van onopzettelijke doding slechts dan veroordelen wanneer hij met zekerheid vaststelt dat zonder het aan de beklaagde ten laste gelegde gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, de dood zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich concreet heeft voorgedaan; de rechter oordeelt onaantastbaar over het al dan niet bestaan van het oorzakelijk verband tussen de fout en de dood, maar het staat aan het Hof om na te gaan of hij uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft afgeleid dat er al dan niet een oorzakelijk verband bestaat (1). (1) Vgl. inzake onopzettelijke slagen en verwondingen Cass. 1 februari 2011, AR P.10.1354.N, AC 2011, nr. 96; Cass. 4 februari 2009, AR P.08.1466.F, AC 2009, nr. 91.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.14.0763.N
G A J V,
beklaagde,
eiser,
tegen
1. F D,
burgerlijke partij,
2. F D,
burgerlijke partij,
3. M D,
burgerlijke partij,
4. V D,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 31 maart 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418, 419 en 420 Straf-wetboek en miskenning van het wettelijk begrip oorzakelijk verband: de appel-rechters leiden uit de door hen vastgestelde feiten ten onrechte af dat er een zeker oorzakelijk verband bestaat tussen de lastens de eiser bewezen verklaarde fout en het overlijden van de rechtsvoorgangster van de verweerders.

2. Artikel 418 Strafwetboek stelt strafbaar het onopzettelijk doden. De rechter kan de beklaagde van dergelijk feit slechts dan veroordelen wanneer hij met ze-kerheid vaststelt dat zonder het aan de beklaagde ten laste gelegde gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, de dood zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich concreet heeft voorgedaan.
Hieruit volgt dat wanneer de rechter de zekerheid niet heeft dat zonder het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid de dood zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich concreet heeft voorgedaan, hij de beklaagde niet schuldig kan verklaren.

3. De rechter oordeelt onaantastbaar over het al dan niet bestaan van het oor-zakelijk verband tussen de fout en de dood. Het staat evenwel aan het Hof om na te gaan of hij uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft afgeleid dat er al dan niet een oorzakelijk verband bestaat.

4. De appelrechters oordelen dat:
- uit het deskundigenverslag van 12 maart 2007 blijkt dat de pre-operatieve op-puntstelling en zorgen, de chirurgische behandeling en de oncologische behan-deling uitgevoerd door de eiser bij G V zich onder de normaal aanvaarde stan-daard bevinden zoals die kan verwacht worden van een geneesheer-specialist in de gynaecologie, werkzaam in een perifeer ziekenhuis;
- het ontstaan van een lokaal recidief, door een persisterende tumorweefselaan-wezigheid tengevolge van de toegepaste technieken, op zeer korte tijd na de ingreep te verwachten was en inherent is aan de suboptimale oncologische be-nadering en niet het gevolg is van het biologisch karakter van de tumor;
- door het ontstaan van het lokale recidief, veroorzaakt door de suboptimale on-cologische benadering bij het medisch handelen van de eiser, bij de patiënte een uitgebreide aanvullende medische en chirurgische behandeling noodzakelijk is geweest welke niet noodzakelijk was geweest indien bij de primaire be-handelingen een optimale oncologische benadering en behandeling waren uit-gevoerd;
- volgens het verslag van de deskundigen van 7 januari 2011 de doodsoorzaak bij G V het rechtstreeks gevolg is van het ontstaan van een recidief van een primair endocervicaal adenocarcinoom.

5. De appelrechters die oordelen dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het onopzettelijk veroorzaken van de dood van G V omdat de doodsoorzaak het rechtstreeks gevolg is van het recidief van een primair endocervicaal adenocarci-noom ingevolge de suboptimale oncologische benadering door de eiser, verant-woorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters geven aan het deskundigenverslag van 12 maart 2007 een uitleg die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan.

7. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, leiden de appelrechters het oor-zakelijk verband tussen de suboptimale oncologische behandeling door de eiser en het ontstaan van een lokaal recidief van een primair endocervicaal adenocarcinoom niet alleen af uit het deskundigenverslag van 12 maart 2007, maar ook uit het deskundigenverslag van 7 januari 2011.
Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 143,61 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 09/02/2017 - 14:26
Laatst aangepast op: do, 09/02/2017 - 14:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.