-A +A

Ongeval met twee voertuigen - Onmogelijk vast te stellen welk voertuig ongeval veroorzaakte- Vergoeding door de verzekeraar van de schade aan het voertuig van zijn eigen verzekerde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 22/06/2017
A.R.: 
84/2017

Het Hof zegt voor recht :

- In die zin geïnterpreteerd dat het de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid toelaat de vergoeding van de schade aan het voertuig van zijn eigen verzekerde te weigeren wanneer om zijn tegemoetkoming wordt verzocht op grond van artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, schendt artikel 3 van dezelfde wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In die zin geïnterpreteerd dat het de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid niet toelaat de vergoeding van de schade aan het voertuig van zijn eigen verzekerde te weigeren wanneer om zijn tegemoetkoming wordt verzocht op grond van artikel 19bis-11, § 2, van de voormelde wet van 21 november 1989, schendt artikel 3 van dezelfde wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1022
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 84/2017

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 10 juni 2016 (...) heeft de Politierechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi, de volgende prejudiciële vraag gesteld:

«Is een verschil in behandeling tussen de eigenaars en bestuurders van bij het ongeval betrokken voertuigen, aan wie op grond van art. 3 van de wet van 21 november 1989, de vergoeding, ten laste van hun verzekeraar van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen, van de aan hun voertuig veroorzaakte schade zou worden ontzegd, enerzijds, en de benadeelde derden die, ten laste van de verzekeraars van de betrokken voertuigen, recht zouden hebben op de vergoeding van hun lichamelijke letsels, maar ook van hun materiële schade, anderzijds, verantwoord in het licht van de artt. 10 en 11 Gw?»

...

In rechte

...

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op art. 3, § 1 van de wet van 21 november 1989 «betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen», dat bepaalt:

«De verzekering moet waarborgen dat benadeelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarin worden vervoerd, van de werkgever van bovengenoemde personen, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en van de organisatie die bovengenoemde personen inzet als vrijwilligers, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 5 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft.

[...]

«Van de verzekering kan niettemin worden uitgesloten, de schade aan:

«1o het verzekerd voertuig;

[...]».

B.1.2. Uit de motieven van het vonnis waarin de vraag aan het Hof wordt gesteld, blijkt dat het geschil betrekking heeft op een verkeersongeval waarbij twee voertuigen zijn betrokken en dat het niet mogelijk is de aansprakelijkheden van de bestuurders van die twee voertuigen vast te stellen. Een van de twee bestuurders vordert de vergoeding van de materiële schade aan zijn voertuig op grond van art. 19bis-11, § 2 van de wet van 21 november 1989 «betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen» elk voor de helft, enerzijds, van de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het andere voertuig en, anderzijds, van zijn eigen verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Het verwijzende rechtscollege onderzoekt die vordering en staat stil bij de eventuele beperking, bij het in het geding zijnde art. 3, van het recht op de vergoeding van de materiële schade van de benadeelde persoon op grond van art. 19bis-11, § 2 van de voormelde wet van 21 november 1989 wanneer de vordering is gericht tegen de eigen verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid.

B.1.3. Art. 19bis-11 van de voormelde wet van 21 november 1989 bepaalt:

Ǥ 1. Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt:

[...]

«7o) indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd; in dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon;

[...].

«§ 2. In afwijking van 7o) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt.»

B.1.4. Het Hof wordt verzocht de verenigbaarheid na te gaan van art. 3, § 1 van de voormelde wet van 21 november 1989 met de artt. 10 en 11 Gw. in die interpretatie dat die bepaling het de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid mogelijk zou maken de vergoeding van de schade aan het voertuig van zijn eigen verzekerde te weigeren wanneer om zijn tegemoetkoming wordt verzocht op grond van art. 19bis-11, § 2 van dezelfde wet.

B.1.5. In die interpretatie zou de in het geding zijnde bepaling, wanneer zich een verkeersongeval voordoet waarvoor het niet mogelijk is de aansprakelijkheden van de bestuurders van de betrokken voertuigen vast te stellen, een verschil in behandeling invoeren tussen de eigenaars van de voertuigen die de volledige vergoeding van hun materiële schade ten laste van alle verzekeraars van de betrokken voertuigen niet zouden kunnen verkrijgen en de benadeelde derden die, ten laste van dezelfde verzekeraars, recht hebben op de volledige vergoeding van hun materiële schade.

Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepaling in die interpretatie.

Ten gronde

B.2. Wanneer, zoals te dezen, bij een rechterlijke beslissing na een ongeval waarbij verschillende voertuigen betrokken zijn, is vastgesteld dat het onmogelijk is te bepalen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, zou geen enkele van de betrokken bestuurders aansprakelijk kunnen worden geacht voor het ongeval. In dat geval kunnen de benadeelde personen niet worden vergoed volgens de gemeenrechtelijke regels inzake aansprakelijkheid.

B.3.1. Die situatie beoogt de wetgever te verhelpen door in het in het geding zijnde art. 19bis-11, § 2 van de voormelde wet van 21 november 1989 te voorzien in een regeling van automatische vergoeding van de benadeelde persoon ten laste van de verzekeraars van de bestuurders van de betrokken voertuigen; die vergoedingsregeling staat los van een stelsel dat op de aansprakelijkheid en de aansprakelijkheidsverzekeringen is gebaseerd.

B.3.2. Die bepaling is niet alleen van toepassing op de vergoeding van lichamelijke letsels, maar ook op de vergoeding van materiële schade (zie arresten nrs. 175/2014, 96/2015 en 123/2015).

B.3.3. Wanneer art. 19bis-11, § 2 van de voormelde wet van 21 november 1989 van toepassing is, kunnen de benadeelde personen bijgevolg, ten laste van de verzekeraars burgerrechtelijke aansprakelijkheid van elk betrokken voertuig, met uitzondering van de verzekeraars van de bestuurders wier burgerrechtelijke aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt, de vergoeding van hun schade verkrijgen, verdeeld onder die verzekeraars in hoofdelijke aandelen.

B.4. Het in het geding zijnde art. 3 past in het kader van een regeling die gebaseerd is op de aansprakelijkheid en op de aansprakelijkheidsverzekeringen. Het heeft betrekking op de gevallen van «burgerrechtelijke aansprakelijkheid» van de eigenaar, van de houder of van de bestuurder van het verzekerde voertuig. De in art. 19bis-11, § 2 van dezelfde wet vervatte regel is daarentegen een regeling van automatische vergoeding die de wet oplegt aan de verzekeraars van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van alle bestuurders van motorrijtuigen (met uitzondering van de verzekeraars van de bestuurders wier burgerrechtelijke aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt).

B.5.1. In het licht van het door de wetgever nagestreefde doel is het niet verantwoord dat het recht van de benadeelde personen op een volledige vergoeding van hun schade wordt beperkt door het gegeven dat een van de bij de vordering tot vergoeding betrokken verzekeraars burgerrechtelijke aansprakelijkheid hun eigen verzekeraar is. Wanneer in een regeling van verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid de contractuele relatie het mogelijk maakt de vergoeding van de materiële schade aan het voertuig van de verzekerde uit te sluiten, vloeit dat immers voort uit het feit dat die schade is veroorzaakt door de fout van de verzekerde zelf. In een regeling van automatische vergoeding van de schade die per hypothese veronderstelt dat geen enkele fout van de verzekerde kan worden aangetoond, kan de contractuele relatie tussen de verzekeraar en de benadeelde persoon de uitsluiting van de tegemoetkoming van die verzekeraar daarentegen niet verantwoorden.

B.5.2. In die zin geïnterpreteerd dat het de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid toelaat de vergoeding van de schade aan het voertuig van zijn eigen verzekerde te weigeren wanneer om zijn tegemoetkoming wordt verzocht op grond van art. 19bis-11, § 2 van de voormelde wet van 21 november 1989, is art. 3 van dezelfde wet niet verenigbaar met de artt. 10 en 11 Gw.

B.6.1. De in het geding zijnde bepaling kan evenwel anders worden geïnterpreteerd. Art. 19bis-11, § 2 van de voormelde wet van 21 november 1989 bevat immers zelf geen enkele beperking van de vergoeding die daarbij wordt beoogd naargelang van de contractuele relatie die bestaat tussen een van de verzekeraars burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokken voertuigen en een van de benadeelde personen. Die bepaling bevat evenmin een verwijzing naar art. 3 van dezelfde wet.

B.6.2. In die zin geïnterpreteerd dat het de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid niet toelaat de vergoeding van de schade aan het voertuig van zijn eigen verzekerde te weigeren wanneer om zijn tegemoetkoming wordt verzocht op grond van art. 19bis-11, § 2 van de voormelde wet van 21 november 1989, is art. 3 van dezelfde wet verenigbaar met de artt. 10 en 11 Gw.

Noot: 

• Tuyttens, I., « Uitgebreide toepassing kettingbotsingsregeling artikel 19bis-11, § 2 WAM: vergoeding voor materiële schade voor elk type weggebruiker ondanks haar fraudegevoelige karakter », R.A.B.G., 2016/5, p. 380-384

• Vereecken en S. Heirbrant, Verkeersongevallen. Actuele stand van zaken na ruim tien jaar artikel 19bis-11, § 2 WAM bij verkeersongevallen met verscheidene betrokken voertuigen en ongekende aansprakelijkheid, Herentals, Knops Publishing, 2015, 54-59.

• S. Vereecken, “Verschillende interpretaties omtrent het noodzakelijk aantal voertuigen betrokken bij een verkeersongeval bedoeld onder artikel 19bis-11, § 2 WAM”, VAV 2011, afl. 3, 172-178.

• J. Legrand, “ L'article 19bis-11, § 2 de la loi du 21 novembre 1989 relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs (loi R.C. auto) ”, T.Verz. 2011, afl. 2, 164-167.

• A. Randao Alface, “Accident de la route impliquant plusieurs véhicules. L'article 19bis-11, § 2 de la loi du 21 novembre 1989: d'incertitudes en certitudes… et vice versa”, Rec.jur.ass. 2011, 337-346.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 21/02/2018 - 20:57
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.