-A +A

Ongeval met gestolen motorrijtuig geen verzekering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 07/06/2012
A.R.: 
C.11.0034.N

Er bestaat geen WAM-verzekering die de aansprakelijkheid van de persoon die zich de macht over het motorrijtuig heeft verschaft door diefstal, geweldpleging of heling De WAM-verzekeraar kan dit verweer aan de benadeelde tegenwerpen. Dit heeft ook voor gevolg dat deze verzekeraar tegen de dief die geen verzekerde is in het raam van de WAM-verzekering, geen contractueel regresrecht kan uitoefenen in de zin van art. 88 Wet Landverzekeringsovereenkomst.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
1304
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV A.B. t/ C.D.S. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 2 april 2009.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Zesde onderdeel

7. Krachtens art. 87, § 1, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst kan de verzekeraar in de verplichte verzekeringsovereenkomsten de excepties, vrijstellingen, nietigheid en verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst en die hun oorzaak vinden in een feit dat zich vór of na het schadegeval heeft voorgedaan, niet tegenwerpen aan de benadeelde. Deze verweermiddelen die de verzekeraar aan de benadeelde niet kan tegenwerpen, zijn die welke de verzekeraar op grond van een bestaande verzekeringsovereenkomst kan inroepen om zich van zijn verplichtingen tegenover de verzekerde te bevrijden.

Hieruit volgt dat de verzekeraar de verweermiddelen die betrekking hebben op het bestaan en de draagwijdte van de verzekeringsovereenkomst, wel aan de benadeelde kan tegenwerpen.

8. Krachtens art. 88, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst kan de verzekeraar zich, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringnemer, en indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is.

9. Uit deze wetsbepalingen volgt dat de aansprakelijkheidsverzekeraar zich in de verzekeringsovereenkomst een recht van verhaal tegen de verzekeringnemer en de verzekerde kan voorbehouden voor de gevallen waarin hij zijn verweer niet kan tegenwerpen aan de benadeelde.

10. Krachtens art. 3, § 1, eerste lid WAM-wet 1989 moet de verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken van de in deze bepaling opgesomde personen, onder wie de eigenaar en de bestuurder van het motorrijtuig, dit met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft.

Krachtens art. 3, 1o, tweede lid Modelovereenkomst dekt de WAM-verzekering niet de aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het omschreven rijtuig hebben verschaft.

Hieruit volgt dat er met betrekking tot de aansprakelijkheid van de persoon die zich de macht over het motorrijtuig heeft verschaft door diefstal, geweldpleging of heling, geen WAM-verzekering bestaat en de WAM-verzekeraar dit verweer aan de benadeelde kan tegenwerpen. Dit heeft ook tot gevolg dat de WAM-verzekeraar tegen de dief die geen verzekerde is in het raam van de WAM-verzekering, geen contractueel recht van verhaal kan uitoefenen.

11. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de WAM-verzekeraar over een contractueel recht van verhaal beschikt tegen de dief van het voertuig, faalt in zoverre naar recht.

12. Krachtens art. 25, 3o, b) Modelovereenkomst heeft de verzekeraar een recht van verhaal op de verzekeringnemer, en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, wanneer het rijtuig op het ogenblik van het schadegeval bestuurd wordt door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat rijtuig te besturen, bijvoorbeeld door een persoon die de vereiste minimumleeftijd niet bereikt heeft.

Het laatste lid van art. 25, 3o Modelovereenkomst bepaalt dat de verzekeraar niettemin geen verhaal kan nemen op een verzekerde, indien deze aantoont dat de tekortkomingen of de feiten waarop het verhaal gebaseerd is, te wijten zijn aan een andere verzekerde en dat ze zich hebben voorgedaan in strijd met zijn onderrichtingen of buiten zijn medeweten. Uit de doelstelling van deze bepaling volgt dat dit recht van tegenbewijs ook aan de verzekeringnemer toekomt wanneer de tekortkoming bij een derde ligt.

13. Wanneer het ongeval is veroorzaakt door een minderjarige die het voertuig heeft gestolen van zijn ouders, eigenaars van het voertuig, en de WAM-verzekeraar op grond van de aansprakelijkheid van de ouders de benadeelde heeft vergoed, kan deze verzekeraar tegen de ouders die de verzekeringnemers zijn, een verhaal op grond van art. 25, 3o, b) Modelovereenkomst uitoefenen. De ouders kunnen evenwel aan dit verhaal ontkomen door aan te tonen dat de in deze bepaling bedoelde tekortkoming zich heeft voorgedaan in strijd met hun onderrichtingen of buiten hun medeweten.

14. De appelrechters oordelen dat:

– de eerste verweerder op het ogenblik van het ongeval het voertuig van zijn moeder, tweede verweerster, bestuurde;

– de eerste verweerder niet over een geldig rijbewijs beschikte, noch de wettelijk vereiste leeftijd had om het voertuig te besturen;

– de derde verweerster als WAM-verzekeraar gehouden was de benadeelden te vergoeden op grond van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de ouders, aangezien deze gehoudenheid eveneens geldt wanneer de minderjarige zich door diefstal de macht over het motorrijtuig heeft verschaft;

– uit niets blijkt dat tweede verweerster op de hoogte was dat de eerste verweerder het voertuig zou besturen, noch dat zij hem hiertoe toestemming zou hebben gegeven.

15. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de derde verweerster in de gegeven omstandigheden over een contractueel recht van verhaal beschikt tegen de tweede verweerster, kan in zoverre niet worden aangenomen.
 

Noot: 

Rechtspraak:

• Politierechtbank te Brugge, 1e Burgerlijke Kamer – 22 april 2013, RW 2014-2015, 1433

V. t/ NV K.V. en Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van eiser strekt ertoe verweerders solidair te veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.220,20 euro in hoofdsom, als schadevergoeding voor een verkeersongeval te Oostende op 10 oktober 2009.

De vordering is gebaseerd op een fout van de verzekerde van eerste verweerster in de zin van art. 1382-1383 BW, alsook op het rechtstreeks vorderingsrecht van de benadeelde tegen de verzekeraar (art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst) en ten aanzien van tweede verweerster op de bepalingen van art. 19bis-11 en art. 19bis-18 van de WAM-wet.

Verweerders betwisten hun gehoudenheid tot vergoeding van de gevorderde schade.

Een afschrift van het strafdossier, (...) van het parket van de procureur des Konings te Brugge, afdeling politiezaken, wordt voorgelegd, evenals een afschrift van het vonnis van de 10e strafrechtelijke kamer van de Politierechtbank te Brugge van 7 februari 2011 alsook van het vonnis van de 13e kamer van de Correctionele Rechtbank te Brugge van 1 juni 2011, rechtsprekend in hoger beroep, die ter zake werden gewezen.

B. Beoordeling

1. Voornaamste feitelijke gegevens en antecedenten

Alle partijen zijn het er kennelijk over eens dat zich op 10 oktober 2009 omstreeks 17 u 30 te 8400 Oostende, aan het kruispunt tussen de Leopold II-laan en de Koningsstraat een aanrijding voordeed tussen een voertuig Opel Astra break, eigendom van en bestuurd door huidig eiser, en een voertuig Opel Corsa met nummerplaat (...), eigendom van zekere P.N. (niet inzake) en blijkens het proces-verbaal van de verbalisanten op het ogenblik van de feiten vermoedelijk bestuurd door zekere C.J.-B. (niet inzake), welk voertuig in burgerlijke aansprakelijkheid verzekerd was bij huidige eerste verweerster.

Tevens zijn alle partijen het er kennelijk over eens dat de bestuurder van het voertuig Opel Corsa, verzekerd bij huidige eerste verweerster, uitsluitend aansprakelijk is voor het ongeval en de schade.

Huidige eiser verklaarde relatief kort na het ongeval aan de verbalisanten dat hij zijn voertuig bestuurde langsheen de Leopold II-laan, komende van het Casino. Ter hoogte van het kruispunt met de Koningsstraat wilde hij rechtdoor rijden en vanuit de tegenovergestelde richting kwam het voertuig Opel Corsa aangereden, dat op het kruispunt links afsloeg en de Koningsstraat inreed, waardoor het voertuig bestuurd door huidig eiser de weg (doorgang) werd afgesneden. Beide voertuigen kwamen met elkaar in aanrijding en aan beide voertuigen werd schade vastgesteld.

Eiser stapte uit zijn voertuig en sprak de bestuurder aan, waarbij werd voorgesteld om de voertuigen te verplaatsen teneinde zo weinig mogelijk verkeershinder te veroorzaken. De bestuurder van het voertuig Opel Corsa ging hiermee akkoord, maar toen huidige eiser zijn voertuig verplaatste en aan de kant zette, reed de bestuurder van het voertuig Opel Corsa weg en pleegde vluchtmisdrijf. Eiser kon de nummerplaat noteren en meedelen; het ging om een zwart voertuig.

Op 11 oktober 2009 kon P.N. door de verbalisanten worden ondervraagd, maar ze ontkende dat ze betrokken was bij het verkeersongeval. Ze zou van 11 u tot ongeveer 21 u op haar werk geweest zijn in een tearoom op het Wapenplein en naar het werk gegaan zijn met de tram. Al die tijd zou haar voertuig geparkeerd hebben gestaan voor de deur van haar woning in de Zeelaan. Ze zou maar één sleutel van haar voertuig gehad hebben en deze sleutel lag in haar woning. Ze had er geen idee van wie met haar voertuig gereden had, maar kon geen uitleg verschaffen over de schade, die door haar en door de verbalisanten aan haar voertuig werd vastgesteld. Wel was ze formeel dat die schade er niet was toen ze uit werken ging.

De vriend van P.N., zekere C.J.-B., kon door de verbalisanten eveneens worden ondervraagd. Hij ontkende dat hij met het voertuig had gereden, aangezien hij geen rijbewijs had en ook niet met een voertuig kon rijden. Op 10 oktober 2009 van 9 u ’s morgens tot 17 u had hij gewerkt bij een bakkerij in de Zandvoordestraat, waarna hij met de bus en vervolgens met de tram naar huis was gekomen. Hij had de sleutel van het voertuig Opel Corsa al evenmin uitgeleend.

De getuige bevestigde de aanrijding en de ongevalsomstandigheden, zoals weergegeven door eiser en herinnerde zich dat hij zich op de vijfde verdieping bevond en de bestuurder van het zwarte voertuig opmerkte, die een jonge kerel was met zwart haar en die donkere kledij droeg.

Andermaal ondervraagd door de verbalisanten op 13 oktober 2009, bleef C.J.-B. de feiten halsstarrig ontkennen. Voorts verklaarde hij dat er inderdaad slechts één autosleutel van het voertuig Opel Corsa was, die hing aan de sleutelbos van zijn vriendin, waaraan tevens de sleutels van het appartement hingen en de sleutels van het werk van zijn vriendin, samen met nog een aantal andere sleutels, maar hij wist niet waarvoor die dienden.

P.N. verklaarde achteraf dat ze haar vriend C.J.-B. op zijn werk had afgezet en toen terug naar huis was gereden en de sleutel van haar voertuig Opel Corsa in het appartement had achtergelaten. Het zou geklopt hebben dat die autosleutel bij de sleutel van haar appartement hing. Toen ze naar haar werk was gegaan, zou ze de deur van haar appartement op een kier hebben gezet en de sleutel(s) op een tafeltje hebben achtergelaten, en toen ze thuiskwam lagen de sleutels nog op dezelfde plaats. Ze had er geen idee van wie met haar voertuig had gereden.

Blijkbaar verschafte ze aan de verbalisanten geen uitleg over de sleutels van haar werk, die volgens haar vriend aan dezelfde sleutelbos zouden gehangen hebben.

Op 16 maart 2010 boden de verbalisanten zich opnieuw aan bij P.N. en haar vriend, bij wie ze reeds verschillende keren waren langsgegaan, maar waar er nooit werd opengedaan.

Een buurman liet aan de verbalisanten evenwel weten dat het koppel zeker thuis was en ging zelf het koppel halen. P.N. kwam naar buiten, waarna haar vriend eveneens naar buiten kwam. C.J.-B. gedroeg zich geïrriteerd en arrogant tegenover de verbalisanten, maar gaf toestemming om foto’s te nemen. Vervolgens gedroeg hij zich weer arrogant en kwam C. dreigend voor één van de verbalisanten te staan, zodat deze genoodzaakt was om C. achteruit te duwen.

Aangezien het geen zin had om op deze manier verder een verhoor af te nemen, besloten de verbalisanten naar buiten te gaan, maar C. kwam hen achternagelopen en gaf één van de verbalisanten een duw in de rug. Hierop zagen de verbalisanten zich verplicht om C. in een klem te nemen en hem te begeleiden naar het dienstvoertuig.

De verbalisanten hadden de stellige indruk dat P. en C. meer wisten van het ongeval dan ze lieten uitschijnen. Ze zouden reeds verschillende keren woorden gehad hebben over de feiten, wat trouwens had geleid tot relatieproblemen.

Voorts bleef C. ontkennen dat hij met het voertuig had gereden, terwijl hij evenmin als P.N. kon meedelen wie er dan wel had gereden.

De foto’s werden getoond aan de getuige, maar aangezien deze zich op de vijfde verdieping bevond op het ogenblik van de feiten, was het voor hem onmogelijk om C. formeel te herkennen.

Huidige eiser daarentegen herkende niet alleen de zwarte personenwagen Opel Corsa, maar verklaarde bovendien dat de bestuurder van het voertuig bijzonder sterk leek op de persoon van de foto. Tevens was de bestuurder duidelijk kleiner dan huidige eiser, was hij van het blanke type, maar leek hij eerder van zuiderse afkomst en was hij een jaar of twintig oud of misschien iets jonger met kort donker haar, rond hoofd en kort geschoren.

De bestuurder leek perfect op de foto van C.J.-B. Volgens de verbalisanten beantwoordde de door V.R. opgegeven beschrijving perfect aan de beschrijving en de foto van C.

C.J.-B. werd ambtshalve vervolgd door het openbaar ministerie om bij het verkeersongeval te Oostende op 10 oktober 2009 vluchtmisdrijf te hebben gepleegd, een voertuig te hebben bestuurd zonder houder te zijn van een rijbewijs en een overtreding te hebben begaan van de bepalingen van art. 19.3.3o Wegverkeersreglement.

Door de rechtbank werd het sturen zonder houder te zijn van een rijbewijs geherkwalificeerd in de telastlegging om als houder van een “voorlopig rijbewijs” niet vergezeld geweest te zijn van een begeleider (voordien had C. nochtans uitdrukkelijk aan de verbalisanten verklaard dat hij niet eens een auto kon besturen).

Voor de strafrechter kwam de NV K.V. (huidige eerste verweerster) vrijwillig tussen.

V. stelde zich burgerlijke partij.

In een zeer uitvoerig gemotiveerd vonnis van 7 februari 2011 oordeelde de 10e strafrechtelijke kamer van de Politierechtbank te Brugge dat de feiten ten laste van C., zoals geherkwalificeerd, als bewezen dienden te worden beschouwd en werd betrokkene veroordeeld voor de hem ten laste gelegde feiten. Op burgerlijk gebied werd de vordering van de toenmalige burgerlijke partij, V.R., tegen C. en de NV K.V. in solidum ontvankelijk en gegrond verklaard ten bedrage van 982,73 euro definitief in hoofdsom, vermeerderd met de interesten en de kosten. Voor de btw werd voorbehoud verleend.

Kennelijk werd door de beklaagde, C., evenals door de NV K.V. (destijds vrijwillig tussenkomende partij) hoger beroep aangetekend tegen het vonnis verleend door de 10e strafrechtelijke kamer van de Politierechtbank te Brugge van 7 februari 2011.

In een uiterst bondig en totaal niet gemotiveerd vonnis oordeelde de 13e kamer van de Correctionele Rechtbank te Brugge, rechtsprekend in hoger beroep, op 1 juni 2011 dat de feiten ten laste van de beklaagde, C., niet bewezen waren en werd hij vrijgesproken zonder kosten.

De vrijwillig tussenkomende partij werd buiten zaak gesteld en de vordering van de burgerlijke partij werd als ongegrond afgewezen.

2. Bespreking

De NV K.V., huidige eerste verweerster, is de verzekeraar van het voertuig, eigendom van P. en volgens het openbaar ministerie bestuurd door C., destijds beklaagde.

Als B.A.-verzekeraar kon en mocht huidige eerste verweerster op strafrechtelijk gebied geen standpunt innemen tegen haar verzekerde.

Huidige tweede verweerster was geen partij in de procedure voor de strafrechter.

Conform de bepalingen van het EVRM is het vonnis van de strafrechter bijgevolg aan geen enkele van huidige verweerders tegenwerpelijk. Deze rechtbank dient dan ook de zaak in haar geheel opnieuw te onderzoeken en te beoordelen.

Huidige eerste verweerster voert in essentie aan dat, aangezien C.J.-B. werd vrijgesproken door de strafrechter en het vonnis definitief is geworden, het meteen vaststaat dat hij op het ogenblik van de feiten geen bestuurder was van het voertuig Opel Corsa, eigendom van de verzekeringnemer van huidige eerste verweerster.

Voorts betoogt eerste verweerster dat, aangezien het voertuig noch door C. noch door P. bestuurd werd, het niet anders kan dan dat het voertuig gestolen of minstens geheeld was en de onbekende bestuurder, die het ongeval heeft veroorzaakt, bijgevolg diefstal heeft gepleegd, minstens heling. Eerste verweerster voert bijgevolg aan dat ze conform de bepalingen van art. 3, § 1 van de WAM-wet niet gehouden is om dekking te verlenen. Eerste verweerster vraagt dan ook de afwijzing van de vordering en betoogt dat huidige tweede verweerster conform de bepalingen van de art. 19bis-11o en art. 19bis-18 WAM-wet dient in te staan voor de betaling van de door huidige eiser geleden schade.

Het is inderdaad juist dat de aansprakelijkheid van de dief, gebruiksdief, heler en van degene die zich door geweld meester heeft gemaakt van een motorvoertuig, niet verzekerd is conform art. 3, § 1, eerste lid WAM-wet. De WAM-wet bepaalt in principe dat de WAM-verzekeraar moet waarborgen dat de benadeelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekerden, evenwel “met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorvoertuig hebben verschaft”.

Een louter gratis bewering, dat het voertuig zou gestolen geweest zijn of geheeld zijn volstaat geenszins en de verzekeraar draagt de bewijslast van de diefstal, geweldpleging of heling (zie o.a. Cass. 10 december 1981, Arr.Cass. 1981-82, 504). De verzekeraar moet bovendien met zekerheid aantonen dat het voertuig op het ogenblik van het ongeval werd bestuurd door de dief, de heler of degene die zich met geweld meester heeft gemaakt van het voertuig (zie o.a. Brussel 13 juni 1996, RGAR 1997, nr. 12.810; Pol. Brugge 17 september 2002, RW 2003-04, 717; Antwerpen 22 oktober 2002, VAV 2004, 403, noot J. Muyldermans).

Wanneer de bestuurder van een beweerd gestolen voertuig, die de schade heeft veroorzaakt, onbekend is, dan blijkt niet dat voldaan is aan de door art. 3, § 1, eerste lid WAM-wet gestelde voorwaarden van uitsluiting van dekking door de WAM-verzekeraar en dient de WAM-verzekeraar wel degelijk dekking te verlenen (zie o.a. Cass. 2 maart 1990, Arr.Cass. 1989-90, 864, na arrest van het Beneluxhof van 26 juni 1989, De Verz. 1990, 98, noot).

Het begrip “diefstal” in art. 3, § 1, eerste lid WAM-wet heeft geen enkele andere betekenis dan hetzelfde begrip in art. 461 Sw. Het materiële feit van diefstal bestaat uit de wegneming of verplaatsing van het voorwerp, in casu het voertuig, zonder toestemming van de eigenaar, en het morele bestanddeel van het misdrijf bestaat erin dat degene die het voorwerp wegneemt, dit doet tegen de wil in van de eigenaar en handelt met het voornemen de zaak niet terug te geven, terwijl de wegneming van het voertuig buiten weten van de eigenaar bijgevolg niet volstaat om te besluiten tot diefstal. De wegneming dient immers met bedrieglijk opzet gebeurd te zijn (zie o.a. Cass. 19 november 1973, Arr.Cass. 1974, 315).

Alle partijen zijn het er kennelijk over eens, zoals hierboven aangegeven, dat de vordering van eiseres voortspruit uit het ongeval van 10 oktober 2009 om 17 u 30 te Oostende en waarin betrokken waren het voertuig Opel Astra break, eigendom van huidige eiser, en het voertuig Opel Corsa, verzekerd bij huidige eerste verweerster.

Zoals uitvoerig uiteengezet in het vonnis van de 10e strafrechtelijke kamer van de Politierechtbank te Brugge van 7 februari 2011, zijn er op zijn minst sterke aanwijzingen dat de vriend van P.N., zekere C.J.-B., geboren in Frankrijk, bestuurder was van het voertuig Opel Corsa op het ogenblik van de feiten. Dit blijkt niet alleen uit de gelijkenis tussen de opgegeven beschrijving van de bestuurder door de getuige en door het slachtoffer met de genaamde C., maar ook uit de omstandigheid, zoals door huidige eiser in tempore non suspecto aan de verbalisanten uiteengezet, dat de bestuurder aanvankelijk een paar woorden Frans sprak (de moedertaal van C.) en vervolgens verder ging in het Nederlands. Het was voor betrokkene perfect mogelijk om binnen het tijdsbestek het ongeval te veroorzaken en huiswaarts te keren om dan het voertuig terug op zijn oorspronkelijke plaats voor het appartement van P.N. te parkeren.

Bovendien kan er naar het oordeel van de rechtbank weinig of geen geloof gehecht worden aan het verhaal van de sleutels. Volgens C. en P. was er slechts één sleutel van het voertuig Opel Corsa, betrokken in het ongeval, en hing die sleutel aan een sleutelbos, waaraan ook de sleutel van het appartement van P. hing, evenals de sleutels van het werk van P. Het komt de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig voor dat P. die sleutels zomaar onbewaakt in haar appartement op de tafel zou hebben laten liggen. In bedoeld geval zou P. er immers niet eens in geslaagd zijn om binnen te geraken op haar werk en evenmin om terug in haar appartement te geraken.

In haar verklaring aan de verbalisanten zwijgt P. in alle talen over de omstandigheid dat aan de sleutelbos waaraan de sleutel van het voertuig bevestigd was, ook de sleutel van haar werk hing en gaf ze dienaangaande niet de minste uitleg, terwijl ze nochtans wel toegaf dat de sleutel van haar appartement wel aan de sleutel van haar wagen hing. Om alsnog een uitweg te zoeken werd dan een verhaal opgedist door P., als zou ze de deur van haar appartement hebben opengelaten en de sleutel in haar woning hebben achtergelaten. In zijn aanvankelijke verklaring repte C. daarentegen met geen enkel woord over deze omstandigheid en over de bewering van P. dat de deur van het appartement niet gesloten was en evenmin dat de sleutel van het voertuig op de tafel lag. Pas achteraf, en na kennis te hebben genomen van de verklaring van P., gaf C. een warrige uitleg over bedoelde sleutels, die dan weer niet strookte met de uitleg die P. gaf en die uitdrukkelijk verklaarde dat de sleutels (waaronder die van de auto) perfect op dezelfde plaats lagen als de plaats waar ze de sleutels had achtergelaten bij haar vertrek en dat ook (als bij wonder) haar voertuig identiek op dezelfde plaats stond als de plaats waar haar voertuig geparkeerd had gestaan bij haar vertrek, hoewel ze diende toe te geven dat het voertuig bij haar vertrek geen schade had vertoond.

De verklaringen van P. en van C. komen de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig voor.

Het Benelux Gerechtshof ging er in zijn arrest terecht vanuit dat in principe de verplichte autoverzekering de burgerlijke aansprakelijkheid moet dekken van iedere bestuurder van het verzekerde motorvoertuig en dat die verzekering voor alles ter bescherming van de benadeelde moet zijn.

De voorwaarden van niet-verzekering, zoals omschreven in art. 3, § 1 WAM-wet nopens de uitsluiting van de dekking, zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet vervuld, aangezien eerste verweerster geenszins bewijst dat de wegneming van het voertuig waarmee het ongeval is gebeurd, buiten het weten van de eigenares, P., is gebeurd en dit zou bovendien nog niet eens volstaan om te besluiten tot diefstal.

Aangezien betrokkene niet alleen naar eigen zeggen de deur van haar appartement open liet staan met de sleutels van haar voertuig op tafel en er ernstige aanwijzingen bestaan dat de aanrijding is gebeurd door C.J.-B. (zie supra), komt het al evenmin bewezen voor dat het voertuig met bedrieglijk opzet zou weggenomen zijn, zodat ook op die grond de voorwaarden van uitsluiting van dekking niet vervuld zijn.

Zelfs indien huidige eerste verweerster erin zou slagen om te bewijzen dat de aanrijding zou gebeurd zijn door een bestuurder die het voertuig had gestolen of geheeld, dan nog moet worden vastgesteld dat de verzekerde van verweerster als eigenaar van het voertuig een bijzonder grote fout heeft begaan in de zin van art. 1382 e.v. BW. Wanneer de schade immers niet alleen te wijten is aan degene die het voertuig gestolen heeft, maar ook aan een fout van de eigenaar of houder, ook dan nog dient de WAM-verzekeraar dekking te verlenen (zie o.a. Cass. 26 november 1998, Arr.Cass. 1998, 1074, De Verz. 1999, 213, VKJ 1999, 160; Cass. 5 februari 1998, Arr.Cass. 1998, 161, De Verz. 1998, 345, TAVW 1999, 198; Cass. 10 januari 1991, Arr.Cass. 1990-91, 480).

Zelfs indien het verhaal van de verzekeringnemer van huidige eerste verweerster zou worden aangenomen, quod non, dan nog staat het vast dat betrokkene een grove (lees: “onvergeeflijke”) fout heeft begaan door de deur van haar appartement open te laten en de sleutels, waaronder de sleutel van haar voertuig, dat voor de deur van haar appartement stond, klakkeloos en voor iedereen zichtbaar op tafel achter te laten.

Er werd immers geoordeeld dat de WAM-verzekeraar de burgerlijke aansprakelijkheid moet dekken van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, waarmee wordt gedoeld op een uit de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekerde voortvloeiende rechtsvordering tot vergoeding van schade veroorzaakt door het gebruik van het rijtuig, zelfs bij diefstal of geweld en ongeacht op welke grondslag de aansprakelijkheid van de eigenaar wordt gebaseerd (zie o.a. Cass. 5 februari 1998, Arr.Cass. 1998, 161, TAVW 1999, 278). Naar het oordeel van de rechtbank is eerste verweerster bijgevolg wel degelijk gehouden om dekking te verlenen en dient ze conform de bepalingen van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst huidige eiser te vergoeden voor de door hem geleden schade.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 14/04/2014 - 16:22
Laatst aangepast op: do, 14/05/2015 - 09:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.