-A +A

Oneerlijke handelspraktijk - Aanhaking door namaken verpakking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 30/05/2016
A.R.: 
2015/AR/1615

Krachtens artikel VI.104 WER is elke daad verboden, die strijdig is met de eerlijke marktpraktijken waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden.

Kopiëren kan in beginsel, als toepassing van de vrije mededinging. Indien er evenwel begeleidende omstandigheden zijn, die parasitair en/of verwarringstichtend zijn, dan wordt het kopiëren onrechtmatig en wordt het om die reden verboden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/5
Pagina: 
398
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(W. BVBA / X. - Rolnr.: 2015/AR/1615)

I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
1. Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 5 juni 2015 tegen het vonnis van 15 april 2015 van de waarnemende voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Gent, die zitting nam zoals in kort geding.

Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Evenmin wordt er voorgehouden dat het vonnis betekend werd.

2. Het hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen.

De procedure gebeurde op tegenspraak. Partijen zijn gehoord op de openbare terechtzitting van 2 mei 2016. Het hof nam kennis van de overtuigings- en procedurestukken.

II. Situering van de betwisting
3. De beide partijen zijn actief in de verkoop van bloemen en planten. In de kerstperiode verkopen beiden coniferen in pot. De ondernemingszetel van de beide bedrijven ligt in dezelfde regio.

Per brief van haar raadsman van 29 oktober 2014 stelt de BVBA W. de heer (…) in gebreke wegens inbreuk op auteursrechten en op de eerlijke marktpraktijken door het te koop aanbieden van coniferen in een pot met daarop een afbeelding, waarop de BVBA W. de exclusieve auteursrechten claimt. Zij stelde de heer (…) in gebreke om het gebruik van de potbedrukking onmiddellijk te staken.

De BVBA W. dagvaardt de heer (…) op 6 november 2014 in een procedure zoals in kort geding onder meer tot staking van het gebruik van de bedrukte potten en tot aanstelling van een deskundige.

Op de zitting van 12 november 2014 leggen de partijen een nota met afspraken neer.

de heer (…) verbindt zich ertoe om geen planten in de litigieuze potten te verkopen aan derden;
hij verklaart dat hij ongeveer een 15.000 stuks planten in de ter discussie staande potten met de bedrukking in stock heeft. Hij verklaart deze stock in de bewuste potten te zullen verkopen zonder de pot. De ongeveer 15.000 potten zonder plant zullen op eerste verzoek door de BVBA W. door een deurwaarder mogen gecontroleerd worden;
de BVBA W. verklaart zich niet te verzetten tegen de verkoop van de planten in andere potten of zonder de betwiste pot.
Dit document bevat geen enkel voorbehoud (stukken 3 en 4 proceduredossier voor de rechtbank van kophandel te Gent, afdeling Gent).

4. De eerste rechter verklaarde de vordering ongegrond.

III. Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
5. Voor een omstandige uiteenzetting van de grieven en de middelen verwijst het hof naar de procedurestukken van appellante in hoger beroep.

Samengevat werpt de BVBA W. het volgende op:

de eerste rechter miskende artikel XI.170, § 2 WER en de voorgelegde stukken;
de eerste rechter schond de motiveringsplicht door de vordering op grond van artikel VI.105 WER niet te beoordelen.
W. vordert:

de inbreuken op de artikelen XI.165 en VI.105 WER vast te stellen;
de staking van de inbreukmakende handelingen te bevelen onder verbeurte van een dwangsom;
de samenvatting van de huidige beslissing te doen publiceren.
In haar syntheseconclusie vordert zij nog:
de wering van de stukken 19 en 20 van het dossier van de heer (…) bij gebrek aan mededeling ervan samen met de conclusie van 14 januari 2016.
6. De heer (…) vordert het bestreden vonnis te bevestigen.

IV. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen
De vordering tot wering van de stukken 19 en 20 van het dossier van geïntimeerde
7. Uit de uiteenzetting van appellante in haar conclusie van 22 maart 2016 blijkt dat de stukken 19 en 20 intussen overgemaakt zijn. Er is geen toepassing gemaakt van artikel 748 Ger.W.

De exceptie is zonder voorwerp geworden.

Artikel VI.104 WER is geschonden - Rechtsgevolgen
8. Krachtens artikel VI.104 WER is elke daad verboden, die strijdig is met de eerlijke marktpraktijken waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden.

Kopiëren kan in beginsel, als toepassing van de vrije mededinging. Indien er evenwel begeleidende omstandigheden zijn, die parasitair en/of verwarringstichtend zijn, dan wordt het kopiëren onrechtmatig en wordt het om die reden verboden.

9. De volgende elementen leiden het hof tot het besluit dat er in deze zaak begeleidende omstandigheden zijn, die het kopiëren van de afbeelding op de potten waarin de coniferen verkocht werden, zowel parasitair als vooral verwarringstichtend en dus onrechtmatig maken.

(1) De bedrukking op de plantenpotten van de heer (…) gelijkt bijzonder sterk op deze van de BVBA W. (stuk 15 van het dossier van appellante).

De gestileerde planten die op de pot van appellante voorkomen, zijn identiek aan deze op de pot van geïntimeerde. Zelfs al zijn er een aantal verschillen op te merken tussen de beide afbeeldingen, vooral omdat er op de ene verpakking twee herhalingen van bepaalde afgebeelde gestileerde planten toegevoegd zijn, dan nog is de globale indruk dezelfde. Daarbij moet rekening gehouden worden dat de gemiddeld aandachtige koper van een kerstboom, of, bij uitbreiding, een conifeer in een pot, geen grondige studie maakt van de afbeelding op de pot. Zij of hij neemt de bedrukking globaal waar. Bij een eerste normaal zorgvuldige waarneming bij het aankopen van een conifeer kan de indruk ontstaan dat de bedrukking op de beide potten identiek is.

De gelijkenis is dermate groot, dat het argument dat er meer gestileerde bloemen en planten in alle vormen en maten op de markt zijn, ook voor de verpakking van bloemen en planten, niet ter zake is.

De afbeeldingen gelijken dermate goed op elkaar dat zij tot verwarring leiden, minstens kunnen leiden bij de gemiddeld aandachtige koper van een kerstboom. Deze wordt in verwarring gebracht omtrent de herkomst van de plant.

Dat de heer (…) de potten niet in een showroom aangeboden zou hebben, verandert hieraan niets. De planten werden in een pot aan de kopers aangeboden. Dat er enkel per e-mail of telefonisch zou verkocht worden, is niet uitgesloten, hoewel weinig waarschijnlijk, maar hoe dan ook niet ter zake. Ook het prijsverschil neemt in deze zaak het verwarringsgevaar niet weg.

(2) De heer (…) geeft in zijn conclusie toe dat hij, samen met een andere verkoper van coniferen - hier geen partij in het geding - zich met een pot met de afbeelding van de BVBA W. tot de verkoper van de potten gewend heeft met de opdracht iets gelijkaardigs, in dezelfde stijl, te maken (p. 4, randnr. 6 van de syntheseconclusie van geïntimeerde). De verkoper van de potten met de bedrukking heeft hem meegedeeld dat hij de pot die de heer (…) hem voorlegde, zelf geleverd had, zodat hij zonder enig probleem gelijkaardige potten kon leveren (p. 5 van de syntheseconclusie van geïntimeerde).

Hieruit leidt het hof af dat het de bedoeling geweest is van de heer (…) aan te haken bij het bestaande ontwerp en gebruik te maken van de inspanningen van de BVBA W., zonder deze daarvoor te vergoeden. Dat de verkoper zeer letterlijk heeft uitgevoerd wat hij gezegd heeft, pleit de heer (…) niet vrij van de aanhaking op een onrechtmatige wijze. Dat de verkoper niet gewezen heeft op mogelijke juridische implicaties van deze handelwijze, doet dat evenmin. Met de bewering dat de heer (…) de pot die hij aan zijn leverancier overhandigde in Nederland had gezien, weerlegt hij niet dat hij wist dat het om een pot van de BVBA W. ging.

Door zo te werk te gaan heeft de heer (…) zich een voordeel verschaft zonder enige inspanning te moeten doen, terwijl dit wel het geval was voor de BVBA W., die inspanningen leverde en betaalde om de verpakking te laten ontwerpen (stuk 19 van haar dossier). Dit vormt parasitaire aanhaking.

(3) Op de inleidingszitting voor de rechtbank van koophandel heeft de heer (…) er zich zonder enig voorbehoud op papier toe verbonden het gebruik van de potten stop te zetten. Op zichzelf zou dit feit misschien niet volstaan om te oordelen dat er parasitaire aanhaking was, maar in het geheel van de omstandigheden is dit wel een relevant feit. Het geeft aan dat hij zich bewust was van de aanhaking en de (mogelijke) verwarring. Gesteld dat de heer (…) voorzichtig had willen handelen, dan had hij op de inleidende zitting nog steeds onder alle voorbehoud kunnen instemmen met de vervanging van de potten. Dit is evenwel niet gebeurd.

(4) De heer (…) wijst zelf op de vrij bitse concurrentiestrijd tussen de partijen. De grenzen van het behoorlijk handelen tussen de twee concurrerende verkopers van coniferen werden afgetast.

10. Op grond van deze elementen wordt de staking van de inbreuk bevolen, zoals hierna bepaald.

Op de inleidende zitting voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel verbond de heer (…) zich ertoe de planten niet langer in de betwiste potten te verkopen. Ter zitting in hoger beroep verklaarde de heer (…) gestopt te zijn met de verkoop van de betwiste potten. Omdat herhalingsgevaar principieel niet uitgesloten is, wordt het verbod toch opgelegd. De vordering om een dwangsom op te leggen wordt herleid, zoals hierna bepaald. Er is inderdaad geen acuut risico meer op een herhaling, nu de heer (…) verklaart zich in kwaliteit te willen onderscheiden van appellante. Bovendien is de waarde van de potten zelf gering.

Omdat de inbreuk zich thans in het verleden situeert, is er geen grond om de gevraagde publicatiemaatregel toe te kennen. Een publicatie draagt niet bij tot het rechtsherstel. De herhaling wordt er niet door voorkomen.

Overige middelen en argumenten van de partijen
11. De overige argumenten en vorderingen van de partijen kunnen in de huidige procedure niet tot een andere beslissing leiden. Om die reden worden ze niet expliciet onderzocht en beantwoord.

Kosten
12. Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. wordt geïntimeerde tot betaling van de kosten veroordeeld.

De basisrechtsplegingsvergoeding bedraagt 1.320 EUR per aanleg.

OP DIE GRONDEN,

Het hof:

verklaart het hoger beroep toelaatbaar en enkel als volgt gegrond;
hervormt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de vordering toelaatbaar verklaarde;
zegt voor recht dat geïntimeerde een inbreuk beging op artikel VI.105 WER door coniferen te verkopen in potten met de bedrukking zoals blijkt uit stuk 15 van het dossier van appellante en 13 van het dossier van geïntimeerde;
beveelt de staking van de inbreuk;
verbiedt geïntimeerde planten te koop aan te bieden of te verkopen in de inbreukmakende pot en verbiedt de inbreukmakende pot te koop aan te bieden, te verkopen, of op een elektronische drager met het oog op verkoop te tonen aan (potentiële) kopers, onder verbeurte van een dwangsom van 1 EUR per pot, vanaf de 15de dag na de betekening van het huidige arrest, met een maximum van 2.500 EUR;
veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de kosten, bepaald als volgt:
appellante:
dagvaarding: 282,65 EUR
rechtsplegingsvergoeding: 1.320 EUR
hoger beroep:
rolrecht: 210 EUR
rechtsplegingsvergoeding: 1.320 EUR
 

Noot: 

• Edward Taelman « Onrechtmatig nabootsen: verwarring betreffende het begrip aanhaking », R.A.B.G., 2017/5, p. 403-410

• Axel Clerens Parasitaire mededinging: naar een theorie van misbruik op het recht van kopie RABG , 2011/01, 4 met talrijke verwijzingen naar rechtspraak.

• Dave Mertens– Het Hof van Cassatie over «parasitaire mededinging» en «aanhaking». Scherpstelling of genadeschot?, RW 2010-2011, 1561 NOOT

• F. Verhoestraete en H. Abraham, “Wanneer is slaafs nabootsen onrechtmatig naar Belgisch recht?”, Bull.BMM 2015, afl. 1, 2.

• A. Hallemans en V. Wellens, “Hoe optreden tegen imitatie van prestaties die niet door intellectuele rechten zijn beschermd?”, RW 2011-12, afl. 32, 1412.

• V. Wellens, “La pratique déloyale de 'parasitisme' redéfinie: vers une convergence accrue avec le droit des marques”, Jaarboek Marktpraktijken, 2013, 945.

• G. Londers, “Onrechtmatig imiteren, kopiëren en aanhaken” in J. Stuyck, Handelspraktijken anno 1996, Antwerpen, Kluwer, 204.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 20/07/2017 - 12:05
Laatst aangepast op: di, 08/08/2017 - 07:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.