-A +A

Onderzoekstermijn inkomstenbelastingen en BTW

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 08/01/2013

Het hof oordeelt dat de onderzoekstermijnen, bedoeld in artikel 333 WIB 1992 zowel de onderzoeksdaden ten aanzien van de belastingplichtige, als de onderzoeksdaden ten aanzien van derden betreffen. De tekst van de wet maakt ter zake geen onderscheid. Bovendien blijkt dit uit de betiteling waaronder artikel 333 WIB 1992 vermeld staat in het WIB 1992, met name “Afdeling 4. Gemene bepalingen inzake recht van onderzoek ten aanzien van de belastingplichtige en van derden”.

Bedoeling van de wetgever
Artikel 338 WIB 1992, zoals het van toepassing was voor aanslagjaar 2000 luidde als volgt:

“Met de belastingbesturen van de andere lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap mag de administratie der directe belastingen inlichtingen uitwisselen die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belastingen naar het inkomen en het vermogen binnen die Gemeenschap.

Van de inlichtingen die van de belastingbesturen van de andere lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap worden verkregen, wordt op dezelfde wijze gebruik gemaakt als van de gelijkaardige inlichtingen die de administratie der directe belastingen rechtstreeks inzamelt.

De inlichtingen ten behoeve van de belastingbesturen van die lidstaten worden op dezelfde wijze ingezameld als de gelijkaardige inlichtingen die de administratie der directe belastingen te eigen behoeve inzamelt.

De administratie van de directe belastingen kan eveneens, ter uitvoering van een akkoord dat met de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap wordt gesloten, op het nationale grondgebied de aanwezigheid toestaan van ambtenaren van het belastingbestuur van die lidstaat om alle inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belastingen naar het inkomen en het vermogen binnen die Gemeenschap.

De inlichtingen die door een ambtenaar van de administratie van de directe belastingen in het buitenland worden ingezameld in het kader van een akkoord dat met een lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap is gesloten, kunnen in dezelfde voorwaarden worden aangewend als de inlichtingen die hier te lande door de administratie van de directe belastingen worden ingezameld.”

Artikel 338 WIB 1992 is terug te vinden in Hoofdstuk III (“Onderzoek en controle”) van titel VII (“Vestiging en invordering van de belastingen”) van het WIB 1992. Artikel 333 WIB 1992 bepaalt de termijnen binnen dewelke de onderzoekingen, “bedoeld in dit hoofdstuk” kunnen worden verricht. Gelet op de duidelijke bewoordingen van de wet, gelden de onderzoekstermijnen van artikel 333 WIB 1992 ook voor de onderzoeksdaden, bedoeld in artikel 338 WIB 1992.

Het hof merkt volstrekt ten overvloede op dat uit de voorbereidende werkzaamheden bij de wet van 8 augustus 1980, waarbij de richtlijn 77/799/CEE van 19 december 1977 werd omgezet in Belgisch recht (invoering van art. 244bis WIB 1964, het huidige art. 338 WIB 1992) geenszins kan worden afgeleid dat de wetgever voor wat deze bepaling betreft heeft willen afwijken van de onderzoekstermijnen, zoals bedoeld in artikel 333 WIB 1992.

Het hof oordeelt dat er enkel dan geen onderzoeksdaad voorhanden is, wanneer inlichtingen spontaan worden verstrekt door buitenlandse autoriteiten, zoals ook in onderhavig dossier is gebeurd bij brief van 14 april 2005. Dergelijke spontane mededeling moet onderscheiden worden van het verstrekken van inlichtingen op vraag van de Belgische belastingadministratie. De onderzoeksdaad bestaat in dat geval in het opvragen van de inlichtingen, waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen inlichtingen, die “geordend voorhanden” zouden zijn en “andere inlichtingen”.

Het hof oordeelt bijgevolg dat ook het stellen van vragen om inlichtingen aan de belastingautoriteiten van een ander land te beschouwen is als een onderzoeksdaad in de zin van artikel 333 WIB 1992.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013/19
Pagina: 
1336
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Belgische Staat, FOD Financiën / J.K. en V.B.)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 20 januari 2010, dat op verzoek van J.K. en V.B. werd betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4 augustus 2010, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 23 augustus 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting
De betwisting betreft een aanslag in de personenbelasting voor aanslagjaar 2000.

1.2. Aanslag en bezwaar
Er werd voor aanslagjaar 2000 een aangifte in de personenbelasting ingediend (stukken 112 e.v. administratief dossier). Er werd een oorspronkelijke aanslag gevestigd.

Bij brief van 14 april 2005 stuurde de belastingdienst, FIOD-ECD Haarlem Internationaal de volgende inlichtingen naar de AOIF, Dienst III, Directie III/1 te Brussel:

“Onder verwijzing naar de EG-richtlijn van 19 december 1977 (77/799/EEG), en voor zover nodig, naar artikel 27 van de overeenkomst tussen België en Nederland ter voorkoming van dubbele belasting, vraag ik uw aandacht voor het volgende.

De heer J.K., geboren (…), wonende te N., (…), België, is enig aandeelhouder van de naar Antilliaans recht opgerichte vennootschap K.B. NV.

In 1999 heeft K.B. NV 9.070 aandelen met een nominale waarde van 0,05 EUR ingekocht voor een bedrag van 12.066.888 EUR (NLG 26.590.923 + NLG 1.000 nominaal aandelenkapitaal).

Dit bedrag is ten goede gekomen aan de heer J.K.

Ik verstrek u hierbij afschriften van de jaarstukken van K.B. NV alsmede de notulen van de aandeelhoudersvergaderingen waarin besloten wordt tot de inkoop van de aandelen.

Wellicht is deze informatie nuttig voor uw belastingheffing. (…).”

Op 16 februari 2006 verstuurde de administratie een bericht van wijziging voor aanslagjaar 2000 (stuk 154 administratief dossier).

Er werd aangekondigd dat een bedrag van 26.590.923 NLG of 12.066.434,78 EUR belastbaar zou worden gesteld als divers inkomen in de zin van artikel 90, 1° WIB 1992 en afzonderlijk belast zou worden tegen een aanslagvoet van 33% overeenkomstig artikel 171, 1° WIB 1992.

Het betrof volgens de administratie het verschil tussen de nominale waarde van de aandelen die de heer J.K. aanhield in de vennootschap naar Antilliaans recht, NV K.B. (9.070 aandelen met een geplaatste kapitaalwaarde van 1.000 NLG) en de prijs die deze vennootschap ervoor heeft betaald bij de inkoop ervan (26.591.923 NLG).

Er werd de belastingplichtigen verweten dat ze via een constructie van inkoop van eigen aandelen, de inkomsten, die in eerste instantie in 1998 en 1999 vrij van inkomstenbelastingen aan de vennootschap toekwamen, vrij van inkomstenbelastingen aan zichzelf hebben uitgekeerd. Dat de inkoop bovendien onevenredig was (slechts 9.070 van de 462.850 aandelen werden ingekocht), bevestigde volgens de administratie het abnormale karakter ervan.

Volgens de administratie werd toepassing gemaakt van de aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 2° WIB 1992 en kon de aanslag worden gevestigd binnen de termijn van twaalf maanden van artikel 358, § 2 WIB 1992.

Er werd tevens een belastingverhoging aangekondigd van 10% wegens het indienen van een onvolledige of onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken, eerste overtreding, met verwijzing naar artikel 444 WIB 1992 en artikel 226, tabel, letter B KB/WIB 1992.

De belastingplichtigen verklaarden zich op 10 maart 2006 niet akkoord met de voorgenomen wijzigingen (stuk 163 administratief dossier). De belastingplichtigen vroegen inzage in en afschrift van het administratief dossier. Inzage werd bekomen en afschrift werd genomen op 28 maart 2006 (stuk 171 administratief dossier).

Bij kennisgeving van beslissing tot taxatie van 12 april 2006 liet de administratie weten waarom ze bij haar standpunt bleef (stuk 175 administratief dossier).

De aanslag, met kohierartikel 648011 werd gevestigd op 18 april 2006, met verzending van het aanslagbiljet op 20 april 2006 (stukken 134 e.v. administratief dossier).

Tegen deze aanslag werd bezwaar ingediend op 20 juni 2006, waarbij het bezwaarschrift de gewestelijke directie bereikte op 22 juni 2006 (stukken 2 e.v. administratief dossier). Op 1 december 2006 ontving de gewestelijke directie een aanvullend bezwaarschrift.

Het bezwaar werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard bij beslissing van de ambtenaar, gedelegeerd door de gewestelijk directeur van 8 december 2006 (stukken 37 e.v. administratief dossier).

1.3. Procedure voor de eerste rechter
Op 5 maart 2007 legden de belastingplichtigen een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

De eerste rechter oordeelde in haar vonnis van 20 januari 2010 vooreerst dat de delegatie, die door het ministerieel besluit van 10 oktober 1979 werd gegeven aan de secretaris-generaal, niet ongrondwettig is en dat de belastingplichtigen geen recht kunnen putten uit het feit dat dit ministerieel besluit niet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad vóór 15 december 2006. Bijgevolg oordeelde de eerste rechter dat het controlecentrum Hasselt-Beringen en de controle directe belastingen van Neerpelt territoriaal bevoegd waren en dat er geen sprake was van machtsoverschrijding.

Verder oordeelde de eerste rechter dat het controlecentrum Hasselt-Beringen onderzoek mocht doen in onderhavig dossier en dat de controle van directe belastingen te Neerpelt de belasting mocht vestigen. Bovendien kon de gewestelijk directeur van het controlecentrum en de door hem gedelegeerde ambtenaar beslissen over bezwaarschriften (bedoeld wordt wellicht aanslagen), die ze niet zelf hadden ingekohierd. De directoriale beslissing van 8 december 2006 werd derhalve niet nietig geacht.

De eerste rechter oordeelde dat het bericht van wijziging en de kennisgeving van beslissing tot taxatie voldoende waren gemotiveerd.

Verder ging de eerste rechter in op de vraag of er sprake was van een schending van artikel 333 WIB 1992, vermits bijkomende inlichtingen gevraagd werden aan de Nederlandse belastingadministratie in maart 2006, toen de onderzoekstermijn reeds was verstreken.

De eerste rechter oordeelde dat het vragen om inlichtingen aan een zusteradministratie in Nederland te beschouwen was als een onderzoeksdaad in de zin van artikel 333 WIB 1992.

De eerste rechter achtte het bovendien niet geloofwaardig dat de inlichtingen, bekomen van de Nederlandse administratie ingevolge de vraag om inlichtingen, niet werden gebruikt door de belastingadministratie. Dat in het bericht van wijziging niet werd verwezen naar de verkregen inlichtingen was te wijten aan het feit dat de inlichtingen pas werden bekomen, nadat het bericht van wijziging was verstuurd. Vermits wel gewacht werd met het sturen van een kennisgeving van beslissing tot taxatie tot na het bekomen van de gevraagde inlichtingen, oordeelde de eerste rechter dat de onderzoeksdaden volledig deel uitmaakten van de gevoerde aanslagprocedure.

Vermits de aanslag gevestigd werd op basis van inlichtingen, bekomen door onderzoeksdaden, gesteld buiten de onderzoekstermijn, was de aanslag volgens de eerste rechter nietig.

De vordering van de belastingplichtige werd ontvankelijk en gegrond verklaard, in die zin dat de bestreden aanslag werd vernietigd en dat de Belgische Staat werd veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen die op basis van deze aanslag werden geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten.

De Belgische Staat werd veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 EUR.

1.4. Procedure voor het hof van beroep
Voor het hof van beroep vordert de Belgische Staat, thans eiser in hoger beroep om het bestreden vonnis te vernietigen en om de oorspronkelijke vordering van de belastingplichtigen ongegrond te verklaren en de aanslag te bevestigen. De Belgische Staat vordert de veroordeling van de belastingplichtigen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 1.320 EUR.

J.K. en V.B., thans verweerders in hoger beroep vorderen om het hoger beroep af te wijzen als ontvankelijk doch ongegrond, om hun incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis voor het overige te bevestigen. Ze vorderen de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot als volgt:

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 15.000 EUR;
kosten van betekening van het bestreden vonnis: 256,34 EUR;
rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 16.500 EUR.
In ondergeschikte orde vorderen de belastingplichtigen om volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

“Is artikel 90, 1° WIB 1992 verenigbaar met het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, wanneer het dusdanig wordt geïnterpreteerd dat de belastbaarheid van een inkomen of meerwaarde afhangt van een vergelijking van het gedrag van de belastingplichtige met het gedrag van een goede huisvader, rekening houdende met de dynamische interpretatie van het begrip 'goede huisvader' en de invulling van dit begrip in functie van de persoon en het vermogen van de belastingplichtige, waardoor de toepassing van de belastingwet onvoorspelbaar wordt?”

2. Bespreking
2.1. Procedure
2.1.1. Aanslagtermijn - Onderzoekstermijn
De belastingplichtige is van mening dat de onderzoekstermijn werd geschonden, doordat de administratie, buiten de onderzoekstermijnen van artikel 333 WIB 1992 is overgegaan tot het verrichten van een bijkomende onderzoeksdaad, met name het stellen van vragen aan de Nederlandse belastingautoriteiten.

Het hof stelt vast dat de onderzoekstermijn voor wat aanslagjaar 2000 betrof, liep tot 31 december 2002 en ingeval er aanwijzingen zouden zijn van belastingontduiking tot 31 december 2004.

In onderhavig geval heeft de administratie gemeend toepassing te kunnen maken van de aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 2° en § 3 WIB 1992, zoals het van toepassing was voor aanslagjaar 2000. De administratie stelde dat ze aldus nog een aanslag kon vestigen op uiterlijk 19 april 2006, gelet op de informatie die ze van de Nederlandse belastingdienst verkreeg bij brief van 14 april 2005.

Het toepassen van de bijzondere aanslagtermijnen van artikel 358 WIB 1992, verleende aan de administratie niet het recht om bijkomende onderzoeksdaden te stellen, wanneer op dat moment de onderzoekstermijnen van artikel 333 WIB 1992 reeds waren verstreken.

2.1.2. Werden inlichtingen gevraagd?
De vraag om inlichtingen aan de Nederlandse zusteradministratie werd niet neergelegd. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt evenwel dat door de Belgische administratie bijkomende inlichtingen werden gevraagd aan de Nederlandse belastingoverheid, nadat de AOIF te Brussel bovenvermelde brief van 14 januari 2005 had ontvangen van de Nederlandse belastingdienst.

Op 22 februari 2006 richtte directeur W. Kindt van de AOIF van het controlecentrum Hasselt-Beringen een brief naar de AOIF, centrale dienst te Brussel (stuk 231 administratief dossier). Daarin werd verwezen naar het bericht van wijziging van 16 februari 2006 en naar het feit dat de aanslag uiterlijk diende gevestigd te worden op 19 april 2006. Directeur Kindt vervolgde:

“Zoals uit het verslag blijkt en verwijzend naar punt 10 op blad 9 van dit verslag is het wellicht nuttig om bijkomende inlichtingen te krijgen van de Nederlandse belastingadministratie. De vragen op blad 9 hebben in hoofdzaak betrekking op de concrete gegevens inzake de realisatie in 1998 van een belastingvrije opbrengst van 26.508.742 NLG door de NV K.B. en de belastingvrije inkoop van eigen aandelen in 1999, informatie waarover de Nederlandse belastingadministratie momenteel beschikt.

Bedoelde bijkomende informatie kan gebruikt worden om bij het te verwachten niet-akkoord de belastingplichtige in de taxatiebeslissing te overtuigen van de juistheid van de voorgenomen aanslag. Een eventueel nieuw bericht van wijziging is nog mogelijk tot uiterlijk 17 maart 2006.

Daar de aanslagtermijn eindigt op 19 april 2006, is het snel verkrijgen van de bijkomende informatie aangewezen.”

In het verslag van de AOIF Hasselt-Beringen, dat als bijlage werd meegestuurd bij de brief van 22 februari 2006 (meer bepaald stuk 241 administratief dossier), werd gesteld dat volgende vragen konden worden gesteld:

“wat werd in 1998 (juiste datum) verkocht door de NV K.B., aan wie en mits welke prijs en welke voorwaarden?
hoe kwam de NV K.B. in het bezit van het verkochte: van wie gekocht (eventueel historiek van de eigendom), wanneer, tegen welke prijs en welke voorwaarden?
is de inkoop eigen aandelen normaal verlopen volgens de geldende regels?
waarom de opmerking in de notulen van de algemene vergadering van 10 mei 1999: 'zodat - ook al zijn niet alle formaliteiten voor het houden van deze vergadering vervuld - toch rechtsgeldig besluiten kunnen worden genomen, mits met algemene stemmen'?
waarom moest artikel 4, eerste lid van de statuten eerst worden aangepast vooraleer de inkoop van de eigen aandelen kon gebeuren?
kunnen wettelijk alle reserves worden uitgekeerd aan een beperkt aantal aandelen?
op welke datum vond de inkoop werkelijk plaats en welke financiële transacties gebeurden er werkelijk; blijkbaar kreeg de heer J.K. werkelijk een uitbetaling in geld en kan met (een deel van) dit geld het onroerend goed in N. in 1999 en 2000 zijn gebouwd?
welke was de rol van de andere vennootschappen, stichtingen, bedrijven, enz. van de heer J.K. in de organisatie en afwikkeling van de transacties in 1998 en 1999?”
De directeur van Hasselt-Beringen vervolgde in zijn verslag, p. 9 (stuk 241 administratief dossier):

“Het antwoord op deze vragen kan niet meer door een rechtsgeldig onderzoek bij de heer J.K. of derden worden verkregen door de Belgische fiscale administratie - en dus ook niet meer door de Nederlandse fiscale administratie - omdat de Belgische onderzoekstermijnen verstreken zijn.

De fiscale administraties kunnen enkel nog gebruik maken van de informatie die zij op één of andere wijze reeds in hun bezit hebben of rechtsgeldig kunnen verzamelen (Internet, publicaties, eigen dossiers, eigen documentatie en documenten van diverse overheden, enz.) en die zij onderling kunnen uitwisselen.”

Bij mail van de directeur van Hasselt-Beringen van 22 februari 2006 aan W.R. van de administratie bevestigde hij dat hij zo snel als mogelijk in kennis wenste te worden gesteld van de antwoorden op voormelde vragen (stuk 243 administratief dossier).

Dat er effectief vragen werden gesteld aan de Nederlandse administratie door de directeur van de AOIF, centrale dienst te Brussel werd expliciet bevestigd door de Nederlandse administratie. De Nederlandse administratie verwees in haar antwoord van 16 maart 2006 immers met zoveel woorden naar een verzoek van de AOIF van 14 maart 2006, kenmerk Ci.IN/570.234/WR (stuk 250 administratief dossier): “Onder verwijzing naar uw verzoek om inlichtingen met bovengenoemd kenmerk treft u in bijlage A de antwoorden op de door u gestelde vragen aan inzake de heer J.K. Voorafgaand daaraan is omwille van de duidelijkheid een overzicht van de organisatiestructuur en de wijzigingen daarin weergegeven.” Daarna volgt een bijlage A, waarin, na een overzicht van de organisatiestructuur, alle vragen één voor één worden beantwoord.

Op 17 maart 2006 volgde opnieuw een brief van de Nederlandse belastingdienst aan de AOIF te Brussel, waarin opnieuw werd verwezen naar het verzoek om inlichtingen van 14 maart 2006 en waarin als bijlagen de jaarrekening van NV K.B. over 1998 en een deel van de akte van levering van 6 november 1997 werden opgestuurd (stuk 255 administratief dossier).

De AOIF, centrale dienst te Brussel stuurde de aldus van de Nederlandse belastingdienst verkregen informatie bij fax van 17 maart 2006 door naar W. Kindt van het controlecentrum Hasselt-Beringen (stuk 266 administratief dossier).

Bij brief van 24 maart 2006 (stuk 248 administratief dossier) maakte de directie van de AOIF te Brussel de van de Nederlandse belastingadministratie bekomen informatie, verkregen bij brieven van 16 en 17 maart 2006 ook per brief over aan de directeur van het controlecentrum Hasselt-Beringen.

2.1.3. Het stellen van vragen aan buitenlandse belastingautoriteiten: onderzoeksdaad?
De administratie is van mening dat het stellen van vragen om inlichtingen aan een buitenlandse autoriteit niet te beschouwen is als een onderzoeksdaad in de zin van artikel 333 WIB 1992. De redenen hiervoor zijn volgens de administratie de volgende:

artikel 333 WIB 1992 viseert enkel onderzoekingen bij de belastingplichtige zelf;
de bedoeling van de wetgever bij de invoering van artikel 338 WIB 1992 betrof het opheffen van elke hinderpaal voor de mededeling van buitenlandse inlichtingen;
het uitwisselen van geordend voorhanden zijnde gegevens is geen onderzoeksdaad.
Artikel 333 WIB 1992 zou enkel onderzoeksdaden bij de belastingplichtige betreffen.
Het hof oordeelt dat de discussie of voor de uitbreiding van de onderzoekstermijn van drie jaar naar (toen nog) vijf jaar voor alle onderzoekshandelingen vereist is dat een voorafgaande kennisgeving wordt verstuurd naar de belastingplichtige, in het hier voorliggende geschil naast de kwestie is. In onderhavig geval dient immers te worden vastgesteld dat zowel de gewone onderzoekstermijn van drie jaar, als de verlengde onderzoekstermijn van vijf jaar reeds verstreken waren op het ogenblik dat de administratie een vraag om inlichtingen stelde aan de Nederlandse belastingadministratie bij brief van 14 maart 2006.

Het hof oordeelt dat de onderzoekstermijnen, bedoeld in artikel 333 WIB 1992 zowel de onderzoeksdaden ten aanzien van de belastingplichtige, als de onderzoeksdaden ten aanzien van derden betreffen. De tekst van de wet maakt ter zake geen onderscheid. Bovendien blijkt dit uit de betiteling waaronder artikel 333 WIB 1992 vermeld staat in het WIB 1992, met name “Afdeling 4. Gemene bepalingen inzake recht van onderzoek ten aanzien van de belastingplichtige en van derden”.

Bedoeling van de wetgever
Artikel 338 WIB 1992, zoals het van toepassing was voor aanslagjaar 2000 luidde als volgt:

“Met de belastingbesturen van de andere lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap mag de administratie der directe belastingen inlichtingen uitwisselen die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belastingen naar het inkomen en het vermogen binnen die Gemeenschap.

Van de inlichtingen die van de belastingbesturen van de andere lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap worden verkregen, wordt op dezelfde wijze gebruik gemaakt als van de gelijkaardige inlichtingen die de administratie der directe belastingen rechtstreeks inzamelt.

De inlichtingen ten behoeve van de belastingbesturen van die lidstaten worden op dezelfde wijze ingezameld als de gelijkaardige inlichtingen die de administratie der directe belastingen te eigen behoeve inzamelt.

De administratie van de directe belastingen kan eveneens, ter uitvoering van een akkoord dat met de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap wordt gesloten, op het nationale grondgebied de aanwezigheid toestaan van ambtenaren van het belastingbestuur van die lidstaat om alle inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belastingen naar het inkomen en het vermogen binnen die Gemeenschap.

De inlichtingen die door een ambtenaar van de administratie van de directe belastingen in het buitenland worden ingezameld in het kader van een akkoord dat met een lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap is gesloten, kunnen in dezelfde voorwaarden worden aangewend als de inlichtingen die hier te lande door de administratie van de directe belastingen worden ingezameld.”

Artikel 338 WIB 1992 is terug te vinden in Hoofdstuk III (“Onderzoek en controle”) van titel VII (“Vestiging en invordering van de belastingen”) van het WIB 1992. Artikel 333 WIB 1992 bepaalt de termijnen binnen dewelke de onderzoekingen, “bedoeld in dit hoofdstuk” kunnen worden verricht. Gelet op de duidelijke bewoordingen van de wet, gelden de onderzoekstermijnen van artikel 333 WIB 1992 ook voor de onderzoeksdaden, bedoeld in artikel 338 WIB 1992.

Het hof merkt volstrekt ten overvloede op dat uit de voorbereidende werkzaamheden bij de wet van 8 augustus 1980, waarbij de richtlijn 77/799/CEE van 19 december 1977 werd omgezet in Belgisch recht (invoering van art. 244bis WIB 1964, het huidige art. 338 WIB 1992) geenszins kan worden afgeleid dat de wetgever voor wat deze bepaling betreft heeft willen afwijken van de onderzoekstermijnen, zoals bedoeld in artikel 333 WIB 1992.

Het hof oordeelt dat er enkel dan geen onderzoeksdaad voorhanden is, wanneer inlichtingen spontaan worden verstrekt door buitenlandse autoriteiten, zoals ook in onderhavig dossier is gebeurd bij brief van 14 april 2005. Dergelijke spontane mededeling moet onderscheiden worden van het verstrekken van inlichtingen op vraag van de Belgische belastingadministratie. De onderzoeksdaad bestaat in dat geval in het opvragen van de inlichtingen, waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen inlichtingen, die “geordend voorhanden” zouden zijn en “andere inlichtingen”.

Het hof oordeelt bijgevolg dat ook het stellen van vragen om inlichtingen aan de belastingautoriteiten van een ander land te beschouwen is als een onderzoeksdaad in de zin van artikel 333 WIB 1992.

Cass. 18 november 2010
Het arrest van het Hof van Cassatie van 18 november 2010 (RGCF, 2011/3, p. 205) wordt hier vergeefs ingeroepen. Dit arrest betreft de vraag of voor een onderzoek bij een derde een voorafgaande kennisgeving aan de belastingplichtige vereist is. Dit arrest betreft niet de vraag of een vraag om inlichtingen, gesteld aan een derde al dan niet als een onderzoeksdaad kan worden beschouwd.

2.1.2. Gevolgen van het stellen van onderzoeksdaden buiten de onderzoekstermijn

Uit bovenvermeld overzicht blijkt duidelijk dat de belastingadministratie buiten de onderzoekstermijn van artikel 333 WIB 1992, en meer bepaald op 14 maart 2006 inlichtingen heeft opgevraagd bij de Nederlandse belastingdiensten en deze inlichtingen ook heeft bekomen.

De aanslag die werd gevestigd nadat onregelmatige onderzoeksdaden werden gesteld, dient nietig te worden verklaard.

In onderhavig geval argumenteert de belastingadministratie dat ze de informatie, bekomen van de Nederlandse belastingoverheid ingevolge de op 14 maart 2006 gestelde vragen niet nodig had om de aanslag te vestigen. Volgens de administratie kon de betrokken aanslag ook zonder deze gegevens rechtsgeldig worden gevestigd, zodat de onrechtmatigheid van de onderzoeksdaad de geldigheid van de aanslag niet kan aantasten.

Het hof kan het standpunt van de administratie in deze niet volgen. Uit de brief van W. Kindt van de AOIF van het controlecentrum Hasselt-Beringen van 22 februari 2006, voormeld, blijkt duidelijk dat hij het, zelfs na het versturen van het bericht van wijziging op 16 februari 2006, nuttig achtte om bijkomende inlichtingen te krijgen van de Nederlandse belastingadministratie. In een bijgevoegd verslag werden meerdere vragen geformuleerd, waarop de administratie graag een antwoord wilde vanwege de Nederlandse administratie. Er werd ten aanzien van de AOIF, centrale dienst Brussel herhaalde malen aangedrongen op het feit dat snel een antwoord moest worden bekomen op voormelde vragen in het kader van de hangende taxatie. Hierbij werd uitdrukkelijk verwezen naar 19 april 2006 als uiterste datum waarop een aanslag kon worden gevestigd.

De AOIF, controlecentrum Hasselt-Beringen heeft het antwoord op haar vragen afgewacht alvorens een kennisgeving van beslissing tot taxatie te versturen op 12 april 2006. Dat ze het verdere verloop van de taxatie afhankelijk stelde van de te bekomen inlichtingen, blijkt ook uit het feit dat de directeur van het controlecentrum Hasselt-Beringen er in zijn brief naar de centrale dienst van de AOIF van 22 februari 2006 op wees dat een bericht van wijziging nog kon worden gestuurd tot uiterlijk 17 maart 2006.

Het hof oordeelt bijgevolg dat de aanslag, gevestigd op 18 april 2006 minstens deels gesteund is op de informatie, bekomen van de Nederlandse belastingdienst als antwoord op door de Belgische administratie in dat verband gestelde vragen buiten de controletermijn van artikel 333 WIB 1992, met als gevolg dat deze aanslag, kohierartikel 648011 om die reden reeds dient nietig te worden verklaard.

2.2. Overige argumenten
Gelet op het voorgaande dient te worden geoordeeld dat de eerste rechter terecht is overgegaan tot de vernietiging van de aanslag. De overige argumenten kunnen als niet dienstig worden afgewezen.

2.3. Subsidiaire aanslag
Door artikel 2 van de wet van 22 december 2009 houdende fiscale bepalingen, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2009, werd artikel 356 WIB 1992 vervangen.

Overeenkomstig artikel 3 van de wet van 22 december 2009 is deze nieuwe bepaling onmiddellijk van toepassing ongeacht het aanslagjaar.

Het hof beveelt de heropening der debatten, teneinde de Belgische Staat de mogelijkheid te bieden om binnen de zes maanden te rekenen vanaf onderhavige uitspraak, een subsidiaire aanslag aan het hof ter beoordeling voor te leggen.

3. Beslissing
HET HOF beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis, behalve voor wat de rechtsplegingsvergoeding betreft.

Beveelt de heropening der debatten op 8 oktober 2013 om 16u40 (pleitduur: 30 min.) teneinde, hetzij de procedure te regelen indien de Belgische Staat binnen de wettelijke termijn een subsidiaire aanslag ter beoordeling aan het hof voorlegt, hetzij de zaak in beraad te nemen met het oog op de begroting van de kosten in het andere geval,

Houdt de beslissing nopens de kosten aan.

Noot: 

Bellens, A., « Vragen stellen aan een buitenlandse administratie vormt een onderzoeksdaad », R.A.B.G., 2013/19, p. 1346-1348

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 06/07/2017 - 11:10
Laatst aangepast op: do, 06/07/2017 - 11:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.