-A +A

Ondertekening verzoekschrift op tegenspraak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 04/09/2015

Krachtens art. 1034ter, 6o Ger.W. vermeldt het verzoekschrift op tegenspraak op straffe van nietigheid de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. Deze bepaling belet niet dat een geding regelmatig kan worden ingeleid bij een verzoekschrift op tegenspraak, dat is ondertekend door een andere persoon dan de advocaat die van de verzoeker daartoe een bijzondere lastgeving heeft ontvangen, op voorwaarde dat die persoon preciseert dat hij handelt in de hoedanigheid van lasthebber van de verzoeker en diens identiteit vermeldt.

Krachtens art. 1998, tweede lid BW kan de verzoeker, bij gebrek aan regelmatige lastgeving, vóór het verstrijken van de vervaltermijn of de verjaringstermijn waaraan de rechtsvordering onderworpen is, het initiatief van zijn onbevoegde lasthebber om in rechte op te treden, bekrachtigen. Voor zover de bekrachtiging de door derden verkregen rechten niet schaadt, heeft ze terugwerkende kracht tot op het tijdstip van de indiening van de vordering, die daardoor ontvankelijk wordt.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1467
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. F.13.0149.F

C.F. en G.R. t/ Belgische Staat, minister van Financiën

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 6 februari 2013, op verwijzing na het arrest van het Hof van 21 oktober 2010.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 6 februari 2013, op verwijzing na het arrest van het Hof van 21 oktober 2010.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren volgend middel aan.
Geschonden wettelijke bepaling
- artikel 1998 van het Burgerlijk Wetboek

Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest, verklaart enkel het incidenteel beroep van de verweerder gegrond en verklaart de oorspronkelijke vordering die de eisers hebben ingesteld bij verzoekschrift neergelegd op 7 januari 2000 op de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, niet-ontvankelijk om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en met name om de volgende redenen:

"[...] Hieruit volgt dat T. B. het gedinginleidende verzoekschrift heeft neergelegd op grond van een schriftelijke lastgeving die hem niet toestond een verzoekschrift inzake inkomstenbelastingen in te dienen;

De [eisers] voeren aan dat de handeling van T. B. door hen werd bekrachtigd, aan-gezien zij zich niet ertegen hebben verzet;

Een dergelijke bekrachtiging a posteriori volstaat echter niet om het gebrek aan hoedanigheid op het tijdstip van de inleiding van de vordering te verhelpen;

Immers, enkel het - zelfs a posteriori geleverde - bewijs van het feit dat [de eisers], op het tijdstip waarop het verzoekschrift werd ingediend, een bijzondere lastgeving aan T. B. hadden verleend om dat verzoekschrift in te dienen, al was het mondeling, zou voldoen aan de vereisten van artikel 1034ter Gerechtelijk Wetboek, zoals bedoeld in het voormelde arrest van het Hof van Cassatie;

Aangezien de lastgeving een consensuele overeenkomst is, kan het bestaan ervan jegens derden immers worden geleverd wanneer de lastgever het bestaan ervan bevestigt vóór de eindbeslissing wordt gewezen; zo kan de lastgever het bestaan bevestigen van de lastgeving om een bezwaar in te dienen, zelfs voor het eerst voor het hof van beroep waar het fiscaal verhaal aanhangig is [...] ;

De mogelijkheid om de handelingen van de lasthebber a posteriori te bekrachtigen, bepaald in artikel 1998, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, heeft enkel betrekking op de verbintenissen die de lasthebber heeft aangegaan buiten de macht die hem is verleend, maar ontkracht het bepaalde van artikel 1034ter, 6°, niet, zoals dat door het Hof van Cassatie werd gepreciseerd in zijn voormeld arrest van 21 oktober 2010, en hetwelk vereist dat wanneer een andere persoon dan de belastingplichtige of de advocaat het verzoekschrift indient, die persoon daartoe een bijzondere lastgeving moet hebben gekregen, wat impliceert dat die lastgeving moet zijn ontvangen voordat het verzoekschrift werd ingediend, ook al wordt het bewijs daarvan a posteriori geleverd;

De verklaring die de [eisers] hebben ondertekend op 9 januari 2012, waarmee zij ‘de lastgeving van de heer B. T. (...) om een verzoekschrift neer te leggen, be-krachtigen (...)', toont niet aan dat T. B. daartoe naar behoren een lastgeving had ontvangen op het tijdstip waarop hij het voormelde verzoekschrift indiende, aangezien de term ‘bekrachtigen' impliceert dat de goedkeuring na de neerlegging van het gedinginleidende verzoekschrift zou zijn gegeven;

Het gedinginleidende verzoekschrift moet derhalve niet ontvankelijk worden verklaard [...]".

Grieven

Artikel 1998, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "de lastgever gehouden is de verbintenissen na te komen, die de lasthebber overeenkomstig de hem verleende macht heeft aangegaan".

Het tweede lid van die bepaling preciseert dat "hij niet gehouden is tot hetgeen daarbuiten mocht zijn gedaan, dan voor zover hij zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigd heeft".

Hieruit volgt dat, wanneer de lastgevers de handelingen van hun lasthebbers goedkeuren en bekrachtigen, die handelingen als geldig moeten worden aange-merkt.

Wanneer de lastgevers de handeling van hun lasthebber eerst stilzwijgend en daarna uitdrukkelijk bekrachtigen door een specifieke verklaring daartoe neer te leggen, hebben zij zich die handeling eigen willen maken.

Zij hebben als het ware de machtsoverschrijding uitgewist waaraan de lasthebber zich schuldig heeft gemaakt.

Artikel 1998, tweede lid, Burgerlijk Wetboek staat de lastgevers overigens niet enkel toe de verbintenissen die de lasthebber buiten de hem gegeven macht heeft aangegaan a posteriori te bekrachtigen, maar ook het ontbreken van elke vertegenwoordigingsbevoegdheid op het ogenblik van de indiening van de vordering te verhelpen. Bovendien kan door de bekrachtiging elke rechtshandeling worden gedekt die krachtens een nietige lastgeving zou zijn verricht.

Daarenboven staat vast dat de bekrachtiging met terugwerkende kracht plaatsheeft; de handeling wordt verondersteld, van meet af aan, te zijn verricht in naam van de rechtsgeldig vertegenwoordigde lastgevers.

Tot slot maakt artikel 1998, tweede lid, Burgerlijk Wetboek geen onderscheid tussen de algemene en de bijzondere lastgeving, zodat de bekrachtiging door de lastgevers van de handelingen van de lasthebber in alle gevallen geoorloofd is. De indiening, op algemene wijze, van een verzoekschrift door een lasthebber inzake inkomstenbelastingen, terwijl de volmacht die hem daartoe machtigde beperkt was tot de betrekkingen met de "administratie van de Btw, Registratie en Domeinen", zoals te dezen, kan krachtens artikel 1998, tweede lid, Burgerlijk Wetboek rechtsgeldig door de lastgevers a posteriori en met terugwerkende kracht worden bekrachtigd.

In zoverre het bestreden arrest beslist dat het gedinginleidend verzoekschrift dat werd ingediend door lasthebber T. B. niet ontvankelijk is, op grond dat de bekrachtiging a posteriori door de lastgevers niet volstaat om het gebrek aan hoedanigheid op het tijdstip van de indiening van de vordering te verhelpen, miskent het bijgevolg artikel 1998, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Krachtens art. 1385decies Ger.W. wordt tegen de belastingadministratie en in de geschillen betreffende een belastingwet de vordering ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, waarop titel Vbis van boek II van het vierde deel van dat wetboek van toepassing is, met uitzondering van artt. 1034ter, 3o, en 1034quater.

Luidens art. 1034ter, 6o Ger.W. vermeldt het verzoekschrift op straffe van nietigheid de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.

Laatstgenoemde bepaling belet niet dat een geding regelmatig kan worden ingeleid bij een verzoekschrift op tegenspraak, dat is ondertekend door een andere persoon dan de advocaat die van de verzoeker daartoe een bijzondere lastgeving heeft ontvangen, op voorwaarde evenwel dat die persoon preciseert dat hij handelt in de hoedanigheid van lasthebber van de verzoeker en diens identiteit vermeldt.

Krachtens art. 1998, tweede lid BW kan de verzoeker, bij gebrek aan regelmatige lastgeving, vóór het verstrijken van de vervaltermijn of van de verjaringstermijn waaraan de rechtsvordering is onderworpen, het initiatief van zijn onbevoegde lasthebber om in rechte op te treden, bekrachtigen. Voor zover de bekrachtiging de door derden verkregen rechten niet schaadt, heeft ze terugwerkende kracht tot op het tijdstip van de indiening van de vordering, die daardoor ontvankelijk wordt.

Het bestreden arrest, dat oordeelt dat de bijzondere lastgeving van de h. T.B. om in naam van de eisers in rechte op te treden, diende te bestaan op het tijdstip waarop de vordering was ingeleid en dat elke mogelijkheid van latere bekrachtiging uitsluit, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het middel is gegrond.

Noot: 

Fiscoloog C.B.; Noot 'Ontoereikende volmacht aan boekhouder achteraf nog rechtzetten?' 2015, nr. 1449, p. 2-4.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 13/05/2017 - 17:17
Laatst aangepast op: za, 13/05/2017 - 17:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.