-A +A

Ondertekening van het vonnis en verhinderde of afwezige rechters

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 18/11/2014
A.R.: 
P.13.0532.N

Uit de artikelen 782 en 782bis, Gerechtelijk Wetboek en uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat een vonnis gewezen door een meervoudige kamer en dat niet onmiddellijk na de debatten wordt uitgesproken, in de regel dient te worden ondertekend door de leden van de kamer na de beëindiging van het beraad en uiterlijk op de dag van de uitspraak.

Een vonnis dat niet onmiddellijk na de debatten is uitgesproken en derhalve krachtens artikel 782, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek vóór de uitspraak moet worden ondertekend kan niet nog worden ondertekend binnen 48 uur na de uitspraak; artikel 195bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat de griffier het vonnis binnen achtenveertig uren moet laten tekenen door de rechters die het hebben gewezen, heeft immers enkel nog betrekking op een vonnis dat bij toepassing van artikel 782, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek onmiddellijk na het debat wordt uitgesproken.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1137
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.13.0532.N

B.R.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Tongeren van 13 februari 2013.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Het middel voert schending aan van art. 782, eerste lid, art. 782bis, art. 785, eerste lid en art. 1042 Ger.W. en art. 195bis en 211 Sv.: het bestreden vonnis verantwoordt niet wettig de onmogelijkheid waarin een van de rechters zou hebben verkeerd om het te ondertekenen.

2. Krachtens art. 782, eerste lid Ger.W., zoals gewijzigd door art. 23 van de wet van 26 april 2007 tot wijziging van dit wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, wordt het vonnis, vóór de uitspraak ervan, ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Volgens art. 782, tweede lid Ger.W., zoals gewijzigd door voormeld art. 23 van de wet van 26 april 2007, is het eerste lid evenwel niet van toepassing indien de rechter of de rechters oordelen dat het vonnis onmiddellijk na het debat kan worden uitgesproken.

Krachtens art. 782bis, eerste lid Ger.W., zoals ingevoegd bij art. 24 van de voormelde wet van 26 april 2007, wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor strafzaken en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.

Art. 785, eerste lid Ger.W. bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte, en dat de beslissing geldig is met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

3. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 april 2007 blijkt dat de wetgever de bij art. 782bis Ger.W. aan de uitspraak van het vonnis aangebrachte versoepeling gekoppeld heeft aan de voorwaarde dat het vonnis in de regel voorafgaandelijk moet worden ondertekend door alle rechters die het hebben gewezen, onverminderd de gevallen van onmogelijkheid zoals vervat in art. 785 Ger.W.

4. Hieruit volgt dat een vonnis gewezen door een meervoudige kamer in de regel dient te worden ondertekend door de leden van de kamer na de beëindiging van het beraad en uiterlijk op de dag van de uitspraak.

5. Uit de vermeldingen van het bestreden vonnis blijkt dat het op de datum van de uitspraak werd ondertekend door de voorzitter van de kamer en een van de twee rechters die het hebben gewezen, alsmede door de griffier, en dat wordt vastgesteld dat de derde rechter die “mede beraadslaagd heeft en wettelijk belet is om heden het vonnis te ondertekenen”, in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, zodat het voldoet aan het bepaalde in artt. 782, 782bis en 785 Ger.W.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

6. Art. 195bis, eerste lid Sv. dat bepaalt dat de griffier het vonnis binnen achtenveertig uren moet laten tekenen door de rechters die het hebben gewezen, heeft thans enkel nog betrekking op een vonnis dat met toepassing van art. 782, tweede lid Ger.W. onmiddellijk na het debat wordt uitgesproken.

7. In zoverre het middel ervan uitgaat dat een vonnis dat niet onmiddellijk na het debat is uitgesproken en derhalve krachtens art. 782, eerste lid Ger.W. vóór de uitspraak moet worden ondertekend, nog kan worden ondertekend binnen 48 uur na de uitspraak, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het middel naar recht.

...

Zie noot gepubliceerd onder dit arrest in het RW Bart Van den Bergh, Over het handtekeningsvereiste in een vonnis: principes, sancties, aandachtspunten en remedies

 


• Cassatie 1/12/2011, juridat

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Eerste middel
1. Artikel 782, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals het is gewijzigd bij de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, bepaalt dat het vonnis voor de uitspraak wordt ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Artikel 785, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte. De beslissing is dan geldig met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

Krachtens artikel 782bis, Gerechtelijk Wetboek dat in dat wetboek werd ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters.

Uit de parlementaire voorbereiding van deze wet blijkt dat de wetgever de bij artikel 782bis in de uitspraak van het vonnis aangebrachte versoepeling gekoppeld heeft aan de voorwaarde dat het vonnis moet worden ondertekend door alle rechters die het hebben gewezen.

2. Het bestreden vonnis dat gewezen is door een collegiale kamer van de rechtbank van eerste aanleg en waarvan de handtekeningen boven de namen "B. De Temmerman" en "H. De Wildeman" identiek zijn, is niet ondertekend door alle rechters, zonder dat de onmogelijkheid waarin één van de rechters zou hebben verkeerd om het vonnis te ondertekenen, verantwoord is overeenkomstig het bovenaangehaalde artikel 785.

Het ontbreken van de handtekening van één van de rechters heeft de nietigheid van het vonnis tot gevolg.
Het middel is gegrond.

Valsheidsvordering
3. De eiser stelt een valsheidsvordering in tegen het bestreden vonnis, omdat het vier handtekeningen bevat waarvan de handtekeningen boven de namen "B. De Temmerman" en "H. De Wildeman" identiek zijn.
Ingevolge de vernietiging van het bestreden vonnis heeft de valsheidsvordering geen belang meer.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, zetelend in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


• zie ook Cass. 2 december 2009, R.W. 2011-2012, 1903

Het ontbreken van een handtekening in een vonnis of een proces-verbaal kan worden hersteld volgens de procedure die in art. 788 Ger.W. is geregeld. Dit herstel heeft terugwerkende kracht en kan ook gebeuren nadat tegen de beslissing een rechtsmiddel is ingesteld.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat sedert de neerlegging van de memories van de eiser, de ontbrekende handtekening overeenkomstig de voormelde wettelijke bepaling werd aangebracht onderaan het proces-verbaal van de terechtzitting waarop de zaak werd onderzocht en in beraad genomen.

Het middel is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.


• zie ook Cassatie 6 mei 2011, RW 2012-20132, 542

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Art. 782, eerste lid Ger.W. bepaalt dat het vonnis voor de uitspraak wordt ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Art. 785, eerste lid Ger.W. bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte. De beslissing is dan geldig met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

Krachtens art. 782bis Ger.W. wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand blijkt dat de wetgever de bij art. 782bis Ger.W. in de uitspraak van het vonnis aangebrachte versoepeling gekoppeld heeft aan de voorwaarde dat het vonnis moet worden ondertekend door alle rechters die het hebben gewezen.

2. Het bestreden vonnis dat gewezen is door een meervoudige kamer van de rechtbank van eerste aanleg, is enkel ondertekend door de voorzitter en de griffier, zonder dat de onmogelijkheid waarin één van de rechters zou hebben verkeerd om het vonnis te ondertekenen, verantwoord is overeenkomstig het hierboven aangehaalde art. 785 Ger.W.

Het ontbreken van de handtekening van die rechter heeft de nietigheid van het vonnis tot gevolg.

Het middel is gegrond.


• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 16 april 2012, RW 2013-2014, 1378

AR nr. C.11.0602.F

D.D. e.a. t/ Franse Gemeenschap

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van 1 maart 2011 van het Hof van Beroep te Bergen.

...

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat de vordering van de eisers verwerpt (...), wijst erop dat het werd gewezen door de heer G., kamervoorzitter, mevrouw M. O., voorzitter, en mevrouw F. T., raadsheer, maar is alleen ondertekend door mevrouw de voorzitter O., mevrouw de raadsheer T. en door de griffier, terwijl de uitspraak van dat arrest, op 1 maart 2011, is ondertekend door mevrouw de voorzitter O., die, met het oog op de uitspraak, werd aangewezen als vervanger van mijnheer de voorzitter G., en door de griffier.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Krachtens art. 782, eerste lid Ger.W. wordt het vonnis, vóór de uitspraak ervan, ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Art. 785, eerste lid Ger.W. bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte, en dat de beslissing geldig is met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

Krachtens art. 782bis, eerste lid Ger.W. wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt evenwel dat, indien een kamervoorzitter wettig verhinderd is het vonnis uit te spreken, de voorzitter van het gerecht een andere rechter kan aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen.

Het arrest, dat is gewezen door een collegiale kamer van het hof van beroep, is slechts ondertekend door twee van de rechters die het hebben gewezen en door de griffier, en is uitgesproken door één van die rechters.

Het arrest stelt vast dat de kamervoorzitter, die wettig verhinderd was het uit te spreken, met het oog op de uitspraak is vervangen door die bijzitter krachtens een beschikking van de eerste voorzitter, waarvan het arrest melding maakt.

De onmogelijkheid voor de kamervoorzitter om het arrest te ondertekenen, is evenwel niet verantwoord overeenkomstig art. 785, eerste lid Ger.W.

Het ontbreken van de handtekening van die magistraat leidt, met toepassing van art. 779 Ger.W., tot de nietigheid van het arrest.

Het middel is gegrond.

Zie ook Cass.18/11/2014, RW 2016-2017, 1137

samenvatting

Krachtens art. 782bis, eerste lid Ger.W., zoals ingevoegd bij art. 24 van de voormelde wet van 26 april 2007, wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor strafzaken en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.

Art. 785, eerste lid Ger.W. bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte, en dat de beslissing geldig is met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 april 2007 blijkt dat de wetgever de bij art. 782bis Ger.W. aan de uitspraak van het vonnis aangebrachte versoepeling gekoppeld heeft aan de voorwaarde dat het vonnis in de regel voorafgaandelijk moet worden ondertekend door alle rechters die het hebben gewezen, onverminderd de gevallen van onmogelijkheid zoals vervat in art. 785 Ger.W.

4. Hieruit volgt dat een vonnis gewezen door een meervoudige kamer in de regel dient te worden ondertekend door de leden van de kamer na de beëindiging van het beraad en uiterlijk op de dag van de uitspraak.

5. Uit de vermeldingen van het bestreden vonnis blijkt dat het op de datum van de uitspraak werd ondertekend door de voorzitter van de kamer en een van de twee rechters die het hebben gewezen, alsmede door de griffier, en dat wordt vastgesteld dat de derde rechter die “mede beraadslaagd heeft en wettelijk belet is om heden het vonnis te ondertekenen”, in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, zodat het voldoet aan het bepaalde in artt. 782, 782bis en 785 Ger.W.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tekst arrest

AR nr. P.13.0532.N

B.R.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Tongeren van 13 februari 2013.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Het middel voert schending aan van art. 782, eerste lid, art. 782bis, art. 785, eerste lid en art. 1042 Ger.W. en art. 195bis en 211 Sv.: het bestreden vonnis verantwoordt niet wettig de onmogelijkheid waarin een van de rechters zou hebben verkeerd om het te ondertekenen.

2. Krachtens art. 782, eerste lid Ger.W., zoals gewijzigd door art. 23 van de wet van 26 april 2007 tot wijziging van dit wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, wordt het vonnis, vóór de uitspraak ervan, ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Volgens art. 782, tweede lid Ger.W., zoals gewijzigd door voormeld art. 23 van de wet van 26 april 2007, is het eerste lid evenwel niet van toepassing indien de rechter of de rechters oordelen dat het vonnis onmiddellijk na het debat kan worden uitgesproken.

Krachtens art. 782bis, eerste lid Ger.W., zoals ingevoegd bij art. 24 van de voormelde wet van 26 april 2007, wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor strafzaken en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.

Art. 785, eerste lid Ger.W. bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte, en dat de beslissing geldig is met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

3. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 april 2007 blijkt dat de wetgever de bij art. 782bis Ger.W. aan de uitspraak van het vonnis aangebrachte versoepeling gekoppeld heeft aan de voorwaarde dat het vonnis in de regel voorafgaandelijk moet worden ondertekend door alle rechters die het hebben gewezen, onverminderd de gevallen van onmogelijkheid zoals vervat in art. 785 Ger.W.

4. Hieruit volgt dat een vonnis gewezen door een meervoudige kamer in de regel dient te worden ondertekend door de leden van de kamer na de beëindiging van het beraad en uiterlijk op de dag van de uitspraak.

5. Uit de vermeldingen van het bestreden vonnis blijkt dat het op de datum van de uitspraak werd ondertekend door de voorzitter van de kamer en een van de twee rechters die het hebben gewezen, alsmede door de griffier, en dat wordt vastgesteld dat de derde rechter die “mede beraadslaagd heeft en wettelijk belet is om heden het vonnis te ondertekenen”, in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, zodat het voldoet aan het bepaalde in artt. 782, 782bis en 785 Ger.W.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

6. Art. 195bis, eerste lid Sv. dat bepaalt dat de griffier het vonnis binnen achtenveertig uren moet laten tekenen door de rechters die het hebben gewezen, heeft thans enkel nog betrekking op een vonnis dat met toepassing van art. 782, tweede lid Ger.W. onmiddellijk na het debat wordt uitgesproken.

7. In zoverre het middel ervan uitgaat dat een vonnis dat niet onmiddellijk na het debat is uitgesproken en derhalve krachtens art. 782, eerste lid Ger.W. vóór de uitspraak moet worden ondertekend, nog kan worden ondertekend binnen 48 uur na de uitspraak, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het middel naar recht.

...

Zie noot gepubliceerd onder dit arrest in het RW Bart Van den Bergh, Over het handtekeningsvereiste in een vonnis: principes, sancties, aandachtspunten en remedies

 

Noot: 

NOOT – Brecht Debruyn, De ondertekening van de rechterlijke uitspraak: terug naar formelere toetsingscriteria?, RW 2013-2014, 1348, na weergave arrest Cass. 16/04/2012

I. Probleemschets en rechtsvraag

II. Ondertekening van een rechterlijke uitspraak

A. Ondertekening als sluitstuk van de continuïteit van de zetel

B. Uitzonderingen en verzachtingen op de ondertekeningsplichtC. Sancties en herstel

D. Quid bij miskenning van de overige vormvoorschriften?

III. Slotbeschouwing – terug naar een functionele toetsing?
 

Rechtsleer

• L. Verhaegen, “Commentaar bij art. 782 Ger.W.” in Comm.Ger., nr. 3.; L. Verhaegen, “Commentaar bij art. 780 Ger.W.” in Comm.Ger., nrs. 8-10

• B. Allemeersch, “De wetswijzigingen van 2007 inzake terechtzitting, beraad en vonnis herbekeken: capita selecta” in P. VanOrshoven en B. Maes (eds.), De procesrechtwetten van 2007 ... revisited!”, Brugge, die Keure, 2009, 87-91;

• J. VanDoninck, “Terechtzitting, beraad en uitspraak” in K. Piteus en J. VanDoninck (eds.), Het Gerechtelijk Wetboek vernieuwd. Een praktische commentaar bij de wet van 26 april 2007, Mechelen, Kluwer, 2008, 118-122;

• J.-F. Funck, “Le délibéré et le jugement” in J. Englebertet al. (eds.), Le procès civil accéléré?, Brussel, Bruylant, 2007, 193-195).

• L. Verhaegen, “Commentaar bij art. 782 Ger.W.” in Comm.Ger., nr. 1, met verwijzing naar het oude art. 138 W.Rv.;

• A. Braas, Précis de procédure civile, II, Brussel, Bruylant, 1944, 482

• Commentaar bij Cass. 6 mei 2012: E. Brewaeys, “Het kronkelend streepje als handtekening”, Juristenkrant 2012, afl. 250, 6; L. Verhaegen, “Commentaar bij art. 782 Ger.W.” in Comm.Ger., nr. 11.

• S. Raes, “Artikel 779 van het Gerechtelijke Wetboek: de verplichtingen om alle zittingen over de zaak bij te wonen”, Jura Falc. 1989-90, (233) 253

• E. Brewaeys, “De totstandkoming, de ondertekening en de uitspraak van het vonnis” (noot onder Cass. 24 januari 2011), RABG 2011, (438) 440).

• K. Wagner, Sancties is het burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2007, nr. 600, met verwijzing naar Cass. 30 maart 2000, Arr.Cass. 2000, 684;

• S. Berneman, “Heropening of herneming van het debat: opgelet slipgevaar!”, RABG 2010, 303-308).

• D. Scheers en P. Thiriar, “Kanttekening. De moeilijke weg naar een elektronisch dossier. Nieuwe procedureregels vanaf 1 januari 2013”, RW 2012-13, 1239.

• J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 473;

• E. Krings, conclusie voor Cass. 13 februari 1986, Pas. 1986, I, 730;

Rechtspraak

• Cass. 22 februari 2013, Arr.Cass. 2013, 500, conclusie advocaat-generaal met opdracht A. Van Ingelgem;

• Cass. 5 mei 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1134, conclusie advocaat-generaal E. Krings; 

• Cass. 7 juni 1995, Arr.Cass. 1995, 568;

• Cass. 29 november 2006, P&B 2007, 90;

• Cass. 9 februari 2010, Arr.Cass. 2011, 392;

• Cass. 24 januari 2011, RABG 2011, 428;

• Cass. 19 april 2007, JLMB 2007, 1661.

• Cass. 8 juni 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1296;

• Cass. 17 augustus 1992, Arr.Cass. 1991-92, 1054;

• Cass. 9 april 2002, Arr.Cass. 2002, 944;

• Cass. 5 april 2005, Arr.Cass. 2005, 765;

• Cass. 15 juni 2010, Arr.Cass. 2010, 1804;

• Cass. 20 september 2010, RW 2010-11, 255;

• Cass. 6 mei 2011, Arr.Cass. 2011, 1188).

• Cass. 28 januari 2009, Arr.Cass. 2009, 279;

• Cass. 5 februari 2010, Arr.Cass. 2010, 366

• Cass. 20 september 2010, Arr.Cass. 2010, 2230, conclusie advocaat-generaal R. Mortier;

• Cass. 9 november 2010, Arr.Cass. 2010, 2716

• Cass. 6 mei 2011, Arr.Cass. 2011, 1188,

• Cass. 1 december 2011, Arr.Cass. 2011, 2554

• Cass. 2 maart 1972, Pas. 1972, I, 605

• Cass. 22 april 2009, Pas. 2009, 989;

• Cass. 13 juni 2002, Pas. 2002, I, 1354.

Wetgevende stukken

• Parl.St. Kamer, DOC 51-2811/005, 86

Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 782bis. <W 2007-04-26/71, art. 24, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> (Het vonnis wordt uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.) <W 2008-06-08/31, art. 84, 095; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
Indien evenwel een kamervoorzitter wettig verhinderd is het vonnis uit te spreken waarvoor hij aan de beraadslaging heeft deelgenomen in de in artikel 778 bepaalde voorwaarden, kan de voorzitter van het gerecht een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen.

Art. 785. Indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, maakt de griffier daarvan melding onderaan op de akte en de beslissing is geldig met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.
Indien een akte niet kan worden ondertekend door de griffier die daaraan heeft medegewerkt, is het voldoende dat de voorzitter of de rechter die hem vervangt, de akte ondertekent en de onmogelijkheid vaststelt.

Art. 786. Indien alle rechters of een alleenrechtsprekend rechter in de onmogelijkheid verkeren om de uitgesproken beslissing te ondertekenen, vermeldt de griffier die onmogelijkheid onderaan op de akte en doet hij alles bevestigen door de voorzitter van de rechtbank of van het hof.
Deze formaliteit wordt eveneens in acht genomen, wanneer de vrederechter of rechter in de politierechtbank in de onmogelijkheid verkeert om het door hem gewezen vonnis te ondertekenen. In dat geval wordt het proces-verbaal van de griffier bevestigd door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
Verkeert de griffier in de onmogelijkheid om te tekenen, dan tekent de vrederechter of de rechter in de politierechtbank alleen, met vermelding van het voorval.

Art. 787. In de gevallen van de artikelen 785 en 786 zendt de griffier aan de procureur-generaal of aan de procureur des Konings bericht van die leemte binnen acht dagen na de uitspraak van het arrest of van het vonnis.

Art. 788. De procureur-generaal doet zich elke maand de (...) processen-verbaal van de zittingen overleggen en gaat na of aan de voorgaande bepalingen voldaan is. In geval van verzuim kan hij, naar gelang van het geval, dat verzuim doen herstellen, dan wel bericht ervan geven aan de eerste kamer van het hof, die op de schriftelijke conclusie van de procureur-generaal een van de rechters die deze zittingen hebben bijgewoond, kan machtigen om de akten of processen-verbaal te ondertekenen. <W 2006-07-10/39, art. 25, 078; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 4)>
De procureur des Konings oefent hetzelfde toezicht uit als de procureur-generaal betreffende de zittingsbladen of de processen-verbaal van de zittingen van de rechtbank van eerste aanleg, van de rechtbank van koophandel en van de vredegerechten en politierechtbanken.
De arbeidsauditeur oefent dat toezicht uit bij de arbeidsrechtbank.
De procureur des Konings en de arbeidsauditeur brengen elk vastgesteld verzuim ter kennis van de procureur-generaal, die daarna handelt zoals hierboven is bepaald.

Art. 789. In het Hof van Cassatie wordt op gelijke wijze gehandeld voor de arresten en (de proces-verbalen van de zitting) van dat hof. <W 2006-07-10/39, art. 24, 078; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 4)>


Cassatie 07/11/2014, AR C.13.0608.N-C.13.0624.N, juridat

samenvatting:

Een vonnis gewezen door een meervoudige kamer dient te worden ondertekend door de leden van de kamer na de beëindiging van het beraad en uiterlijk op de dag van de uitspraak

tekst arrest

Nr. C.13.0608.N
Etienne DE RIDDER, advocaat, met kantoor te 2800 Mechelen, Leopoldstraat 64, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van R. V,
eiser,
tegen
1. D. V.,
2. C. V.,
verweerders,
3. G. D.,
4. R. V.,
verweerders.
II.
Nr. C.13.0624.N
1. R. V.,
2. G. D.,
eisers,
toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van 28 november 2013 (nr. G.13.0126.N)
tegen
1. D. V.,
2. C. V.,
verweerders,
in aanwezigheid van
Etienne DE RIDDER, advocaat, met kantoor te 2800 Mechelen, Leopoldstraat 64, in zijn hoedanigheid van curator van R. V.,
partij opgeroepen tot bindend- en gemeenverklaring van het tussen te komen arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen van 6 mei 2013.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 5 september 2014 een schriftelij-ke conclusie neergelegd.
Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In de zaak C.13.0608.N

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

In de zaak C.13.0624.N

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Voeging

1. De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest.
Zij dienen te worden gevoegd.

B. In de zaak C.13.0608.N
Derde onderdeel

2. De appelrechters beslissen dat artikel 1184 Burgerlijk Wetboek niet in aan-merking komt als mogelijke rechtsgrond voor de vordering tot schadeloosstelling omdat de toepassing van deze bepaling "ook hier een voorafgaande ingebreke-stelling [vereist] die hoe dan ook ontbreekt".

3. De appelrechters die aldus te kennen geven dat een ingebrekestelling te de-zen niet nutteloos was, verwerpen en beantwoorden het in het onderdeel bedoeld verweer.

In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.

4. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 1139, 1146, 1153 en 1184 Burgerlijk Wetboek is het afgeleid uit het vergeefs aangevoerd mo-tiveringsgebrek en is het mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste en tweede onderdeel

5. De appelrechters beslissen dat artikel 1184 Burgerlijk Wetboek niet in aan-merking komt als mogelijke rechtsgrond voor de vordering tot schadeloosstelling, niet alleen om reden dat de partijen door de opname van een uitdrukkelijk ontbin-dend beding in de verkoopovereenkomst de toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek hebben uitgesloten, maar ook om reden dat de toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek een voorafgaande ingebrekestelling vereist die hoe dan ook ontbreekt.

6. Die zelfstandige, in het derde onderdeel tevergeefs bekritiseerde reden draagt de bestreden beslissing.
De onderdelen, die niet tot cassatie kunnen leiden, zijn niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Vierde onderdeel

7. Krachtens artikel 782, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd door artikel 23 van de wet van 26 april 2007 tot wijziging van dit wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, wordt het vonnis, vóór de uit-spraak ervan, ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Krachtens artikel 782bis, eerste lid, van datzelfde wetboek zoals ingevoegd bij ar-tikel 24 van voormelde wet, wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.

Artikel 785, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte, en dat de beslissing geldig is met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

8. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 april 2007 blijkt dat de wetgever de bij artikel 782bis aan de uitspraak van het vonnis aangebrachte versoepeling gekoppeld heeft aan de voorwaarde dat het vonnis in de regel voor-afgaandelijk moet worden ondertekend door alle rechters die het hebben gewezen, onverminderd de gevallen van onmogelijkheid zoals vervat in artikel 785 Gerech-telijk Wetboek.

9. Hieruit volgt dat een vonnis gewezen door een meervoudige kamer dient te worden ondertekend door de leden van de kamer na de beëindiging van het be-raad en uiterlijk op de dag van de uitspraak.

10. Uit de vermeldingen van het bestreden arrest blijkt dat het op de datum van de uitspraak werd ondertekend door de voorzitter van de kamer en een van de twee raadsheren die het hebben gewezen alsmede door de griffier en dat wordt vastgesteld dat de derde raadsheer die "mede beraadslaagd heeft en die thans wet-tig verhinderd is, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest te ondertekenen", zodat het arrest voldoet aan het bepaalde in de artikelen 782, 782bis en 785 Ge-rechtelijk Wetboek.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

C. In de zaak C.13.0624.N

11. Uit het antwoord in de zaak C.13.0608.N blijkt dat het middel niet kan wor-den aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Voegt de cassatieberoepen C.13.0608.N en C.13.0624.N.
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten in de zaak C.13.0608.N voor de eiser op 1184,31 euro en voor de eerste en tweede verweerders op 211,05 euro.
Bepaalt de kosten in de zaak C.13.0624.N voor de eisers op 928,58 euro in debet en voor de eerste en tweede verweerders op 216,68 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


Conclusie parket-generaal

C.13.0608.N-C.13.0624.N
Conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal (uittreksels):

I. Zaak C.13.0608.N
(...)
Het enig cassatiemiddel

6. In zijn enig cassatiemiddel, ontwikkeld in vier onderdelen, voert eiser schending aan van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna "EVRM"), van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 1134, 1139, 1146, 1153, eerste, tweede en derde lid, 1183 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 782, eerste lid, 782bis, 785, eerste lid en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging en van het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk de afstand van een recht slechts kan worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn en strikt dient te worden geïnterpreteerd, zoals verwoord in de artikelen 824 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek.
(...)

10. Eiser voert in het vierde onderdeel aan dat het bestreden arrest nietig is omdat het gewezen werd door een collegiale kamer van het hof van beroep en enkel ondertekend is door de voorzitter, een raadsheer en de griffier, zonder dat de onmogelijkheid waarin de andere raadsheer zou hebben verkeerd om het arrest te ondertekenen, verantwoord is overeenkomstig artikel 785 van het Gerechtelijk Wetboek.
(...)

Bespreking van het vierde onderdeel van het enig cassatiemiddel

19. Krachtens artikel 782, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het vonnis, vóór de uitspraak ervan, ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Krachtens artikel 782bis, eerste lid, van datzelfde wetboek, wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.

Artikel 785, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte, en dat de beslissing geldig is met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

20. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 april 2007 blijkt dat de wetgever de bij artikel 782bis van het Gerechtelijk Wetboek aan de uitspraak van het vonnis aangebrachte versoepeling gekoppeld heeft aan de voorwaarde dat het vonnis in de regel voorafgaandelijk moet worden ondertekend door alle rechters die het hebben gewezen, onverminderd de gevallen van onmogelijkheid zoals vervat in artikel 785 van het Gerechtelijk Wetboek en de in dezelfde artikelen hiervoor vereiste vermeldingen.

21. Hieruit volgt enkel dat het vonnis of het arrest moet worden ondertekend vóór de uitspraak ervan, maar dit belet niet dat het vonnis ter ondertekening kan worden voorgelegd aan de rechters die het hebben gewezen op de dag zelf van de uitspraak (1).

22. Uit de vermeldingen van het bestreden arrest blijkt dat onder "thans" dient te worden verstaan de datum van de uitspraak, die tegelijk deze van de ondertekening is.

23. Het bestreden arrest, dat gewezen is door een collegiale kamer van het hof van beroep te Antwerpen, is slechts ondertekend door de kamervoorzitter en één van de twee raadsheren die het hebben gewezen en door de griffier, en is uitgesproken door diezelfde kamervoorzitter en griffier.

24. Uw Hof besliste in zijn arrest van 4 april 2014 dat, wanneer een vonnis enkel vaststelt dat de derde rechter die het heeft gewezen "afwezig" is, het de onmogelijkheid niet vaststelt waarin die rechter verkeert om de beslissing te ondertekenen en bijgevolg nietig is bij toepassing van artikel 779 van het gerechtelijk Wetboek (2).

25. Het bestreden arrest stelt evenwel vast dat raadsheer R. LYEN, die wettig verhinderd was om de uitspraak bij te wonen van het arrest waarover hij mede heeft beraadslaagd, "thans", dit is op de dag van de ondertekening en de uitspraak, in de onmogelijkheid verkeerde om dit arrest mede te ondertekenen; de onmogelijkheid voor deze rechter om het arrest te ondertekenen op de dag van de uitspraak is bijgevolg wettig verantwoord overeenkomstig artikel 785, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

26. Het onderdeel kan naar mijn mening niet aangenomen worden.
(...)

30. Conclusie: Verwerping van de beide cassatieberoepen.
__________________
(1) Cass. 9 januari 2014, AR C.13.0202.N, arrest niet gepubliceerd.
(2) Cass. 4 april 2014, AR C.13.0140.F, AC 2014, nr. 269; JT 2014, 483 (aldaar verkeerdelijk gedateerd als Cass. 6 april 2014).

Dit arrest werd geannoteerd door Van Schel, Ondertekening en uitspraak van de gerechtelijke beslissing, RABG, 2015/6, p. 419

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 24/03/2017 - 12:53
Laatst aangepast op: vr, 24/03/2017 - 12:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.