-A +A

Onderhoudsgelden kunnen niet kwijtgescholden worden in een collectieve schuldenregeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 22/09/2016

Art. 1675/13, § 3 Ger.W., zoals gewijzigd door art. 10 van de wet van 12 mei 2014, bepaalt:

“De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende schulden:

– de onderhoudsgelden;

– de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;

– de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement.”

(ingevolge art. 464/1 §8 lid 5 in voege  sinds de SUO wet van 11/02/2014 kunnen geldboeten ook niet kwijstgescholden worden in een collectieve schuldenregeling, waarbij de schuldenaar zich dient te beroepen op het genaderecht).

Sinds 1 augustus 2014 zijn noch de lopende onderhoudsgelden, noch de achterstallige onderhoudsgelden vatbaar voor kwijtschelding in een collectieve schuldenregeling

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
854
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 119/2016

Onderwerp van de prejudiciële vragen

Bij arrest van 27 mei 2015 (…) heeft het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1. Schendt art. 464/1, § 8 Sv. art. 10 en 11 Gw. doordat het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze wordt geschonden en er mogelijk geen redelijke verantwoording wordt gegeven voor het verschil in behandeling, voor zover er bij de invoering van dit artikel door art. 4 van de wet van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I) waardoor penale boetes niet langer konden worden kwijtgescholden niet in een overgangsregeling werd voorzien voor die personen die in collectieve schuldenregeling zaten en penale boetes hadden opgelopen vóór de inwerkingtreding van voormelde wet op 12 april 2014 en die toen dan nog eventueel kwijtgescholden konden worden, maar waarvan de collectieve schuldenregeling nog niet beëindigd was, terwijl personen van wie de collectieve schuldenregeling kon worden beëindigd vóór 12 april 2014 wel aanspraak konden maken van een kwijtschelding op penale boetes?

2. Schendt art. 1675/13, § 1 Ger.W. art. 10 en 11 Gw. doordat het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze wordt geschonden en er mogelijk geen redelijke verantwoording wordt gegeven voor het verschil in behandeling, voor zover er bij de wijziging van dit artikel door art. 10 van de wet van 12 mei 2014 houdende wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een effectieve invordering van onderhoudsschulden waardoor geen enkele onderhoudsschuld nog kon worden kwijtgescholden, niet in een overgangsregeling werd voorzien voor die personen die in collectieve schuldenregeling zaten en vervallen onderhoudsschulden hadden die dateren van vóór het opleggen van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling maar waarover nog niet definitief beslist was vóór 1 augustus 2014, terwijl personen van wie de collectieve schuldenregeling kon worden beëindigd vóór 1 augustus 2014 wel aanspraak konden maken op een kwijtschelding van alle onderhoudsschulden?”

...

In rechte

...

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1.1. Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over art. 464/1, § 8, vijfde lid Sv., zoals ingevoegd bij art. 4 van de wet van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I) (hierna: “de wet van 11 februari 2014 (I)”), dat bepaalt: “De kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure kan enkel worden toegestaan met toepassing van de artikelen 110 en 111 van de Grondwet”.

B.1.2. Art. 4 van de wet van 11 februari 2014 (I) is in werking getreden op 18 april 2014, zijnde tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

B.2.1. Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over art. 1675/13, § 3, eerste streepje, Ger.W., zoals gewijzigd bij art. 10 van de wet van 12 mei 2014 houdende wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een effectieve invordering van onderhoudsschulden (hierna: “de wet van 12 mei 2014”), waarbij in de eerstvermelde bepaling de woorden “die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling” worden opgeheven.

B.2.2. Art. 1675/13, § 3 Ger.W., zoals gewijzigd door art. 10 van de wet van 12 mei 2014, bepaalt:

“De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende schulden:

– de onderhoudsgelden;

– de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;

– de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement.”

B.2.3. Art. 10 van de wet van 12 mei 2014 is, overeenkomstig art. 13 van die wet, op 1 augustus 2014 in werking getreden.

B.2.4. De in het geding zijnde bepalingen hebben betrekking op de kwijtschelding van schulden in het kader van een collectieve schuldenregeling, zoals geregeld door art. 1675/2 e.v. Ger.W.

Geen van beide bepalingen bevat een overgangsregeling, zodat zij overeenkomstig de algemene principes die de werking van rechtsnormen in de tijd beheersen, van onmiddellijke toepassing zijn wanneer de rechter over de kwijtschelding van schulden een beslissing dient te nemen in reeds lopende procedures.

B.3.1. De procedure van collectieve schuldenregeling kan in verschillende fasen verlopen. In eerste instantie zal de schuldbemiddelaar, met instemming van de schuldeisers, trachten een minnelijke collectieve aanzuiveringsregeling te treffen, onder toezicht van de rechter; die kan een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen indien geen akkoord wordt bereikt (art. 1675/3 Ger.W.). Die ontstentenis van akkoord wordt vastgesteld door de bemiddelaar (art. 1675/11 Ger.W.). De gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan een aantal maatregelen bevatten, zoals het uitstel of de herschikking van betaling van de schulden of de gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire interesten, vergoedingen en kosten (art. 1675/12 Ger.W.) en, indien die maatregelen het niet mogelijk maken de financiële situatie van de schuldenaar te herstellen, elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal, op voorwaarde dat de in art. 1675/13 Ger.W. vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen.

B.3.2. Indien geen enkele minnelijke of gerechtelijke regeling mogelijk is omdat de verzoeker over onvoldoende middelen beschikt, machtigt art. 1675/13bis Ger.W., ingevoegd bij de wet van 13 december 2005 houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling, de rechter ertoe de volledige kwijtschelding van de schulden, met uitzondering van de in art. 1675/13, § 3 Ger.W. opgesomde schulden, toe te kennen.

B.4.1. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat voor de verwijzende rechter beroep werd ingesteld tegen een beslissing van de arbeidsrechtbank, waarbij deze laatste, na de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, heeft beslist over een verzoek tot totale kwijtschelding van de schulden op grond van art. 1675/13bis Ger.W. van het Gerechtelijk Wetboek, nadat de schuldbemiddelaar om een herziening van de initiële aanzuiveringsregeling had verzocht wegens nieuwe feiten en moeilijkheden. De arbeidsrechtbank heeft het verzoek ingewilligd, maar ingevolge de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepalingen werd geen kwijtschelding verleend van de penale boeten en de onderhoudsschulden. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot dit geval.

B.4.2. Art. 1675/13bis Ger.W. bepaalt:

“§ 1. Als blijkt dat geen enkele minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling mogelijk is omdat de verzoeker over onvoldoende middelen beschikt, neemt de bemiddelaar deze vaststelling op in het in artikel 1675/11, § 1 bedoelde proces-verbaal, met een met redenen omkleed voorstel dat de toekenning van een totale kwijtschelding van de schulden en de eventuele maatregelen die er naar zijn mening mee gepaard moeten gaan, rechtvaardigt.

“§ 2. De rechter kan in een dergelijk geval de totale kwijtschelding van de schulden toestaan zonder aanzuiveringsregeling en onverminderd de toepassing van artikel 1675/13, § 1, eerste lid, eerste streepje, 3 en 4.

Ҥ 3. Deze beslissing kan gepaard gaan met begeleidingsmaatregelen, waarvan de duur vijf jaar niet mag overschrijden.

“Artikel 51 is niet van toepassing.

Ҥ 4. De kwijtschelding van de schulden is verworven, behoudens terugkeer tot beter fortuin binnen vijf jaar die volgen op de beslissing.

“§ 5. De beslissing kan gedurende vijf jaar herroepen worden onder de in artikel 1675/15 bedoelde voorwaarden.”

B.4.3. Uit de combinatie van deze bepaling met art. 1675/13, § 3 Ger.W. en met art. 464/1, § 8, vijfde lid Sv. volgt dat de totale kwijtschelding van de schulden, sinds de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, geen betrekking kan hebben op onderhoudsschulden en penale boeten.

Ten gronde

B.5.1. Met de beide prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen of art. 464/1, § 8, vijfde lid Sv. (eerste vraag) en art. 1675/13, § 3, eerste streepje, Ger.W. (tweede vraag), verenigbaar zijn met art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met het vertrouwensbeginsel, doordat personen die zich op de datum van inwerkingtreding van die bepalingen bevonden in een procedure van collectieve schuldenregeling, sinds die datum geen kwijtschelding meer zouden kunnen verkrijgen van penale boeten en van onderhoudsschulden, terwijl dat voor personen ten aanzien van wie de procedure vóór die datum reeds was beëindigd, wel mogelijk zou zijn geweest.

B.5.2. Zoals is vermeld in overweging B.4.1, beperkt het Hof zijn onderzoek tot de beslissingen tot totale kwijtschelding van schulden. Volgens art. 1675/13bis, § 4 Ger.W. is de kwijtschelding van de schulden verworven, “behoudens terugkeer tot beter fortuin binnen vijf jaar die volgen op de beslissing”. Aldus is de kwijtschelding van schulden verworven voor de rechterlijke beslissingen die aan de datum van inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepalingen voorafgaan, en zijn de nieuwe bepalingen enkel van toepassing op de beslissingen die met ingang van die datum worden genomen.

B.6.1. De in het geding zijnde bepalingen voeren, gelet op het tijdstip waarop zij uitwerking hebben, een onderscheid in tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vielen en personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling art. 10 en 11 Gw. zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt, om de enkele reden dat zij de berekeningen in de war zou sturen van diegenen die op de vroegere situatie zijn voortgegaan of om de enkele reden dat zij de verwachtingen van een partij in een rechtsgeding zou dwarsbomen.

B.6.2. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij er in beginsel niet toe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. Art. 10 en 11 Gw. zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de afwezigheid daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtzoekenden worden miskend zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een overgangsregeling kan verantwoorden.

Wat de kwijtschelding van penale boeten betreft

B.7. De verwijzende rechter wenst met de eerste prejudiciële vraag te vernemen of art. 464/1, § 8, vijfde lid Sv., zoals ingevoegd bij art. 4 van de wet van 11 februari 2014, verenigbaar is met art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met het vertrouwensbeginsel, in zoverre de afwezigheid van een overgangsregeling tot gevolg heeft dat voor personen die op 18 april 2014 nog in een procedure van collectieve schuldenregeling verwikkeld waren, geen totale kwijtschelding meer mogelijk is van de penale boeten waartoe zij vóór die datum waren veroordeeld, terwijl personen ten aanzien van wie de procedure van collectieve schuldenregeling beëindigd was vóór 18 april 2014 wel een kwijtschelding van dergelijke boeten konden verkrijgen.

B.8.1. In verband met het in het geding zijnde art. 464/1, § 8, vijfde lid Sv. vermeldt de parlementaire voorbereiding: “De kwijtschelding of vermindering van de straffen (penale geldboeten en verbeurdverklaringen) in het raam van een collectieve insolventieprocedure en een burgerlijke beslagprocedure, die al dan niet een samenloopsituatie doen ontstaan, kan enkel worden toegestaan na het verlenen van koninklijke genade (ontworpen art. 464/1, § 8, vijfde lid Sv.) Deze bepaling waarborgt de toepassing van art. 110 Gw., dat aan de Koning de bevoegdheid verleent om straffen te verminderen of kwijt te schelden (ontworpen art. 464/1, § 7, vijfde lid Sv.). De wettelijke bepalingen die collectieve insolventieprocedures regelen, zoals art. 82 Faillissementswet betreffende de verschoonbaarheid van de gefailleerde of art. 1675/10, 1675/13 en 1675/13bis Ger.W. betreffende de kwijtschelding van schulden in het raam van een collectieve schuldenregeling, kunnen hieraan als lagere rechtsnorm geen afbreuk doen” (Parl.St. Kamer, 2012-13, DOC 53-2934/001 en DOC 53-2935/001, p. 12).

B.8.2. Reeds bij de totstandkoming van de wet van 13 december 2005 houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling leek de wetgever van oordeel dat penale boetes enkel konden worden kwijtgescholden op basis van art. 110 en 111 Gw. en niet door de rechter in het kader van een collectieve schuldenregeling. De onmogelijkheid om voor dergelijke schulden kwijtschelding te verkrijgen, werd evenwel niet uitdrukkelijk vermeld in art. 1675/13 Ger.W., dat een opsomming bevat van de schulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen, omdat dit zou kunnen laten uitschijnen dat later een andersluidende beslissing zou kunnen worden genomen, wat volgens de wetgever strijdig zou zijn met art. 110 Gw. (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-1308/012, p. 32 en 72-73).

B.8.3. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 18 november 2013 (Arr.Cass. 2013, nr. 613) geoordeeld dat uit art. 1675/13 en 1675/13bis Ger.W., zoals van toepassing vóór de in het geding zijnde wetswijziging, niet volgt dat de rechter van de collectieve schuldenregeling geen kwijtschelding zou kunnen verlenen voor de schulden van de schuldenaar die het gevolg zijn van een veroordeling tot een penale boete. Volgens het Hof verbieden noch art. 110 Gw., noch het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten de rechter om aan de schuldenaar, onder de door de wet bepaalde voorwaarden, kwijtschelding te verlenen voor de schulden die het gevolg zijn van veroordelingen tot een penale boete wanneer die maatregel nodig is om de betrokkene en diens gezin een leven te laten leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

B.9.1. Wanneer de wetgever een categorie van personen wil beschermen om hen “opnieuw in het economisch en sociaal stelsel [op te nemen] door hen de mogelijkheid te geven een nieuwe start te nemen” (Parl.St. Kamer 1996-97, nrs. 1073/1-1074/1, p. 45) en hij daartoe toestaat dat een gerechtelijke aanzuiveringsregeling een kwijtschelding van schulden bevat, behoort het tot zijn beoordelingsbevoegdheid de categorieën van schuldeisers aan te wijzen aan wie die kwijtschelding van schulden niet kan worden opgelegd.

B.9.2. De wetten van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken beogen straffeloosheid tegen te gaan en een effectieve strafuitvoering te waarborgen. De wetgever wil de strafuitvoering meer geloofwaardigheid geven door ervoor te zorgen dat “misdaad niet loont” en wil tevens het afschrikwekkend effect van strafsancties versterken (Parl.St. Kamer 2012-13, DOC 53-2934/001 en DOC 53-2935/001, p. 5-6; Parl.St. Senaat 2013-14, nr. 5-2405/2, p. 2).

B.9.3. De wetgever heeft daarbij uitdrukkelijk bepaald dat de kwijtschelding of vermindering van straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure enkel zou kunnen worden toegestaan door de Koning met toepassing van art. 110 en 111 Gw. (Parl.St. Kamer 2012-13, DOC 53-2934/001 en DOC 53-2935/001, p. 12). Derhalve kan de rechter een dergelijke kwijtschelding niet meer verlenen op grond van art. 1675/13 en 1675/13bis Ger.W.

B.10.1. Het doel van een collectieve schuldenregeling is aan de persoon die erom verzoekt faciliteiten te verlenen om zijn schulden aan te zuiveren, teneinde zijn recht op een menswaardig bestaan te waarborgen. De procedure beoogt niet alleen de schuldenaar te beschermen, maar ook de schuldeisers zoveel mogelijk voldoening te geven. De rechter kan slechts tot de volledige kwijtschelding van schulden op grond van art. 1675/13bis Ger.W. beslissen wanneer geen enkele minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling mogelijk is en bij bijzonder ernstige toestanden van overmatige schuldenlast, waarbij hij rekening zal houden met de inspanningen waartoe de schuldenaar bereid is gebleken en met de toestand waarin de schuldenaar zich op dat ogenblik bevindt. De wetgever heeft aangegeven dat de integrale kwijtschelding van schulden als een uitzondering moet worden gezien (Parl.St. Kamer 2003-04, DOC 51-1309/001, p. 21, en DOC 51-1309/012, p. 72) en dat niet de indruk mag ontstaan dat de rechter de volledige kwijtschelding steeds uitspreekt (ibid., p. 73-74).

Voorts kunnen zich tijdens de procedure nieuwe feiten en gebeurtenissen voordoen die de rechter nopen tot een herziening of een herroeping van de initiële aanzuiveringsregeling.

B.10.2. Indien, rekening houdend met wat in overweging B.8 is vermeld, zou worden aangenomen dat, vóór de totstandkoming van de in het geding zijnde bepalingen, de kwijtschelding van penale boeten niet onmogelijk was op grond van art. 1675/13, § 3 Ger.W., dan was de rechter niet tot de totale kwijtschelding ervan verplicht, gelet op de beslissingsmacht waarover hij op grond van art. 1675/13bis Ger.W. beschikt.

B.10.3. Aldus kan niet staande worden gehouden dat de schuldenaar op grond van art. 1675/13bis Ger.W. een gewettigde verwachting vermocht te hebben op de totale kwijtschelding van de penale boeten waartoe hij was veroordeeld vóór de inwerkingtreding van art. 464/1, § 8, vijfde lid Sv. Derhalve is die bepaling niet onverenigbaar met art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met het vertrouwensbeginsel, in zoverre bij de inwerkingtreding ervan niet werd voorzien in een overgangsregeling voor de personen die zich reeds in een procedure van collectieve schuldenregeling bevonden.

B.10.4. Overigens blijft de kwijtschelding van penale boeten mogelijk op grond van art. 110 Gw., dat op gelijke wijze geldt voor alle rechtzoekenden.

B.11. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Wat de kwijtschelding van onderhoudsschulden betreft

B.12. De verwijzende rechter wenst met de tweede prejudiciële vraag te vernemen of art. 1675/13, § 3, eerste streepje Ger.W., zoals gewijzigd bij art. 10 van de wet van 12 mei 2014, verenigbaar is met art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met het vertrouwensbeginsel, in zoverre de afwezigheid van een overgangsregeling tot gevolg heeft dat de schuldenaar voor de onderhoudsschulden die vervallen waren op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, sinds 1 augustus 2014 geen totale kwijtschelding meer kan verkrijgen op grond van art. 1675/13bis Ger.W., terwijl personen ten aanzien van wie de collectieve schuldenregeling beëindigd was vóór die datum dit wel konden genieten.

B.13. De in het geding zijnde bepaling past in het kader van een groter geheel van wetswijzigingen, doorgevoerd bij de wet van 12 mei 2014, die de effectieve invordering van onderhoudsschulden beogen. De wetgever achtte de wetswijziging noodzakelijk om te voorkomen dat de onderhoudsschuldeisers in de kou blijven staan in geval van een collectieve schuldenregeling (Parl.St. Senaat 2013-14, nr. 5-2476/1, p. 13; Parl.St. Senaat 2013-14, nr. 5-2476/3, p. 8).

B.14.1. Hoewel de onderhoudsschulden die vervallen waren op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, onder de vroegere regeling konden worden kwijtgescholden op grond van art. 1675/13, § 3, eerste streepje, Ger.W., was dit geen verplichting voor de rechter, gelet op de beslissingsmacht waarover hij op grond van art. 1675/13bis Ger.W. beschikt.

B.14.2. Om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in overweging B.10.1, kon de schuldenaar vóór de totstandkoming van de in het geding zijnde bepalingen geen gewettigde verwachtingen koesteren omtrent de volledige kwijtschelding van de onderhoudsschulden die vervallen waren op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling. Derhalve is art. 1675/13, § 3, eerste streepje, Ger.W. niet onverenigbaar met art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met het vertrouwensbeginsel.

B.15. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Noot: 
Bertel De Groote, Arbeidsgerechten moeten niet alle schulden kwijtschelden bij collectieve schuldenregeling, De Juristenkrant 336, 26 oktober 2016, pagina 4.

Als advocaten onderlegd in insolventierecht kunnen wij u bijstaan in een beste verdediging. U vraagt hiertoe best een afspraak. Hiertoe kan u ons bellen op het telefoonnummer van ons secretariaat 055/31.86.47 om een afspraak vast te leggen. Breng dan al uw stukken (inkomstenstukken, schulden, brieven) mee. Wij nemen dan de tijd om naar u te luisteren, an,twoord te geven op uw vragen, advies te verlenen en een voorstel van aanpak te formuleren. Wij vragen voor een afspraak 150 euro. Telefonisch kunnen we geen vragen beantwoorden. Korte vragen kan u wel per e-mail stellen naar elfri@elfri.be aan 8€ per e-mail.
 

Zie ook deze links:

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 26/07/2017 - 16:31
Laatst aangepast op: wo, 26/07/2017 - 16:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.