-A +A

Onderhoudsgeld volledige beslagbaarheid leefloon voor een vordering DAVO

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 03/01/2017

Leefloon is principieel niet vatbaar voor beslag. Wie geconfronteerd wordt met beslag op inkomsten kan zich principieel niet beroepen op een onbeslagbaar deel van het inkomen, waardoor het volledig loon kan worden ingehouden en de debiteur geen andere keuze heeft fdan een beroep te doen opp leefloon. Dit leefloon is dan niet vatbaar voor beslag. Te dezen oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dat DAVO in dit geval op het volledige leefloon beslag kon leggen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1508
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Belgische Staat, FOD Financiën t/ C. e.a.

...

DAVO beroept zich op art. 1412 Ger.W. (het zgn. «supervoorrecht» voor de onderhoudsgerechtigde) en art. 16, § 2 van de wet van 21 februari 2003 «tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën» (hierna ook «DAVO-wet»), in de versie vóór de wijziging bij wet van 12 mei 2014.

Vóór de wijziging bij wet van 12 mei 2014, in werking vanaf 1 augustus 2014, bepaalde art. 16, § 1 DAVO-wet dat de in de artt. 1409, 1409bis en 1410, § 1, § 2, 1o tot 6o, § 3 en § 4 Ger.W. vastgelegde beperkingen en uitsluitingen inzake de overdracht en het beslag niet van toepassing waren, maar art. 16, § 2 DAVO-wet bepaalde wel dat de beslagene steeds het bedrag van het leefloon zou moeten blijven ontvangen. Na de wet van 12 mei 2014 bleef art. 16, § 1 DAVO-wet ongewijzigd, maar bepaalt art. 16, § 2 DAVO-wet dat DAVO met het oog op de inning en invordering van onderhoudsgelden over dezelfde rechten, vorderingen en waarborgen beschikt als de onderhoudsgerechtigde. De beperking voor het leefloon werd dus geschrapt.

Hieruit volgt dat het deel van het beslag dat betrekking zou hebben op het bedrag tussen het aan C. toekomende leefloon en de beslaggrenzen alleen toekomt aan DAVO (niet op basis van een voorrecht, maar omdat alleen zij daarop mocht uitvoeren) en dat DAVO en B. verhoudingsgewijs gerechtigd zijn op de bedragen boven de beslaggrenzen.

B. voert evenwel aan dat hij beslag liet leggen en DAVO spreekt dit ook niet tegen. Dit gegeven wordt bevestigd door de vaststelling dat alleen voor B. bevoorrechte kosten, wellicht inzake betekening en beslag van het vonnis van 22 april 2009, worden vermeld. Zoals reeds opgemerkt, liggen de stukken van het beslag niet voor.

Het beslag op verzoek van B. kon uiteraard alleen betrekking hebben op de inkomsten van C. boven de beslaggrenzen bedoeld in art. 1412 Ger.W., aangezien hij geen onderhoudsschuld invorderde.

Bij gebrek aan enig detail over de samenstelling van de in uitvoering van het beslag overgemaakte bedragen gaat de beslagrechter er bijgevolg vanuit dat de derde-beslagene het volledige inkomen onder de beslaggrenzen aan C. bleef uitbetalen. Hieruit volgt dat het volledige bedrag te verdelen is in verhouding tot de omvang van de vorderingen, waarover op zich geen betwisting bestaat. Het zou mogelijk anders zijn geweest indien de gelden (ook) zouden zijn voortgekomen uit een beslag op verzoek van DAVO.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 13/05/2018 - 21:10
Laatst aangepast op: zo, 13/05/2018 - 21:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.