-A +A

Onafhankelijkheid van de rechter mensenrechten en stedenbouw

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
maa, 30/06/2014

1. a) en 2. a) Art. 4.8.14 VCRO voorziet in een vereenvoudigde behandeling van het beroep, die enkel betrekking heeft op de kennelijke niet-ontvankelijkheid of doelloosheid daarvan of op de kennelijke onbevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Een beroep wordt geacht doelloos te zijn wanneer het tijdens de behandeling zijn doel verliest, namelijk doordat het bestreden besluit werd vernietigd, ingetrokken, opgeheven of vervangen. Uit de aard zelf van de rechtsvragen die bij de vereenvoudigde behandeling aan de orde zijn, vloeit voort dat zij louter op grond van de ingediende stukken kunnen worden beantwoord. De verplichting om een openbare hoorzitting te houden zou afbreuk doen aan de doelstelling van een doeltreffende procedure, aangezien de versnelde behandeling van eenvoudige zaken die erdoor wordt betracht opnieuw in het gedrang zou worden gebracht.

1. b) en 2. b) Het onderzoek, door de voorzitter of het aangewezen raadslid, met het oog op de toepassing van de vereenvoudigde behandeling, valt te vergelijken met het ambtshalve opwerpen van een middel of exceptie waarover de rechter, nadat de verzoekende partij daarover haar standpunt heeft kunnen uiteenzetten, vervolgens uitspraak doet. De rechter die het probleem van ontvankelijkheid, doelloosheid of onbevoegdheid opwerpt, dient erover te waken dat hij de vaststelling daarvan niet met stelligheid formuleert, maar met de omzichtigheid die eigen is aan het ambtshalve opwerpen van aangelegenheden. De verplichting om de voorzitter die of het raadslid dat het ambtshalve onderzoek heeft uitgevoerd voor de verdere rechtspleging door een ander lid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen te vervangen, zou afbreuk doen aan de doelstelling van een doeltreffende procedure, aangezien de versnelde behandeling van eenvoudige zaken die erdoor wordt betracht opnieuw in het gedrang zou worden gebracht.

Een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de betekening van het schorsingsarrest, verplicht de betrokken partijen een heel actieve houding aan te nemen gedurende de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Niettegenstaande aan die partijen enkel een formeel verzoek tot voortzetting wordt gevraagd, zonder inhoudelijke standpunten, zou een dermate korte vervaltermijn afbreuk kunnen doen aan het recht van verdediging indien hij hen niet in staat stelt op bevredigende wijze overleg te plegen met hun advocaat; hij vormt in elk geval geen relevante maatregel in het licht van het door de decreetgever nagestreefde doel, aangezien de korte duur van de termijn de partijen ertoe kan brengen steeds een verzoek tot voortzetting in te dienen, waardoor het nut van de “hakbijl”-procedure verdwijnt.

3. Uit art. 146 en 161 Gw. en uit art. 6 EVRM vloeit voort dat de bevoegde werkgever de essentiële beginselen inzake de (administratieve) rechtscolleges zelf dient te regelen. Daartoe behoren bij de oprichting van een rechtscollege, met het oog op zijn onafhankelijkheid, de wedden van zijn leden, hoewel ter zake de verwijzing naar een schaal of barema kan volstaan. Door de hele bezoldigingsregeling van de raadsleden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen op te dragen aan de Vlaamse Regering, schendt art. 4.8.34, § 2 VCRO art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 146 en 161 Gw. en met het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijk van de rechter.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
573
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 Arrest nr. 98/2014

Onderwerp van het beroep

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 februari 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 25 februari 2013, is beroep tot vernietiging ingesteld van art. 4.8.14, 4.8.19, 4.8.20 en 4.8.34, § 2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals vervangen of ingevoegd bij art. 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 juli 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 augustus 2012, tweede editie) door I.T., E.N., A.M., J.S., J.M., A.C. en P.M., allen bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie te Antwerpen.

...

In rechte

...

B.1.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen art. 5 van het decreet van 6 juli 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft. Die bepaling heeft het volledige hoofdstuk VIII “Raad voor Vergunningsbetwistingen” van titel IV van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) vervangen.

B.1.2. Met die wijziging beoogde de decreetgever:

“[...] via een aantal gerichte ingrepen de procedure bij de Raad sneller en efficiënter [te] doen verlopen. De ingrepen kunnen grosso modo in drie groepen ingedeeld worden: bevoegdheden, procedure en werking.

“Concreet betreffen de voorgestelde “procedurele” wijzigingen een behoorlijke regeling van de schorsingsprocedure, de invoering van een procedure van vereenvoudigde behandeling voor eenvoudig te berechten beroepen en de mogelijkheid voor de Raad om een geldboete op te leggen wegens kennelijk onrechtmatig beroep.

“De wijzingen in de werking betreffen onder meer op het vlak van de samenstelling, het creëren van een rechtsgrond voor de tijdelijke aanstelling van aanvullende raadsleden.

“[...]

“[...] Vooraf wordt opgemerkt dat het niet de bedoeling is dat alles tot in detail in de VCRO wordt geregeld. De regeling in het decreet zal worden beperkt tot de essentialia. Aan de Vlaamse Regering wordt telkens een degelijke delegatie gegeven om die regeling uit te voeren en in detail uit te werken” (Parl.St. Vl.Parl., 2011-12, nr. 1509/1, p. 3).

Wat betreft het eerste middel, aangaande de “vereenvoudigde behandeling”

B.2. Het eerste middel is afgeleid uit de schending door art. 4.8.14 van de VCRO, zoals vervangen bij de bestreden bepaling, van art. 10, 11 en 23 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de algemene beginselen van een behoorlijke rechtsbedeling, meer bepaald het recht op daadwerkelijke rechtshulp, het recht op toegang tot een rechter, het recht op een openbare behandeling van de zaak en het recht van verdediging, met art. 6 en 13 EVRM en met art. 144, 145, 148, 149, 160 en 161 Gw.

Volgens de verzoekende partijen zou de schending voortvloeien uit (1) de ontstentenis van een openbare zitting; (2) het gebrek aan tegenspraak; (3) de ontstentenis van een motiveringsplicht; (4) de ontstentenis van een openbare uitspraak; (5) de vaststelling dat de kamervoorzitter zowel de “vereenvoudigde behandeling” voorstelt als erover beslist; (6) de vaststelling dat voor het voorstel van de kamervoorzitter enkel een ordetermijn geldt, terwijl ten aanzien van de verzoekende partij een korte vervaltermijn van vijftien dagen geldt en (7) de mogelijke ontstentenis van een administratief dossier. Ter staving van hun middel vergelijken zij de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen met de procedure voor de Raad van State en met de procedure voor het Milieuhandhavingscollege.

B.3.1. Art. 4.8.14 VCRO, zoals vervangen bij art. 5 van het decreet van 6 juli 2012, bepaalt:

Ҥ 1. Na registratie van een verzoekschrift kan de voorzitter van de Raad of het door hem aangewezen raadslid ambtshalve onderzoeken of het beroep doelloos is, kennelijk niet-ontvankelijk is of dat de Raad kennelijk onbevoegd is.

“De vaststellingen van de Raad worden door de griffier overgemaakt aan de verzoeker.

Ҥ 2. De verzoeker beschikt over een vervaltermijn van vijftien dagen die ingaat de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, om een verantwoordingsnota in te dienen. Die verantwoordingsnota is beperkt tot de in paragraaf 1 aangehaalde vaststellingen.

Ҥ 3. De Raad kan beslissen dat de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad wordt genomen.

“De Raad doet onmiddellijk uitspraak over de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep, zijn kennelijke onbevoegdheid of het doelloos zijn van het beroep.

“Besluit de Raad niet dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of doelloos is of dat hij kennelijk onbevoegd is, dan wordt de procedure overeenkomstig de navolgende artikelen voortgezet”.

Een beroep wordt geacht doelloos te zijn wanneer het tijdens de behandeling zijn doel verliest, met name doordat het bestreden besluit werd vernietigd, ingetrokken, opgeheven of vervangen (Parl.St. Vl.Parl., 2011-12, nr. 1509/1, p. 13).

B.3.2. De bepaling voert een procedure in voor de vereenvoudigde behandeling van beroepen die doelloos of kennelijk niet-ontvankelijk zijn en van beroepen waarvoor de Raad kennelijk onbevoegd is.

B.3.3. Vóór de invoering van die vereenvoudigde procedure dienden alle beroepen, zonder uitzondering, de gewone rechtspleging te volgen, ook al bleek uit een eenvoudige lezing van het verzoekschrift onmiddellijk dat het beroep niet ontvankelijk was of dat er in redelijkheid geen enkele twijfel kon bestaan over de onbevoegdheid van de Raad.

De invoering van de vereenvoudigde procedure werd als volgt verantwoord:

“Het komt de efficiëntie ten goede als een aangepaste procedure wordt gecreëerd die het voor de Raad mogelijk maakt dergelijke eenvoudige zaken snel te berechten zonder de onderscheiden nota’s die tijdens de gewone procedure moeten worden uitgewisseld. Vanzelfsprekend moet wel tegenspraak door de verzoeker mogelijk zijn” (Parl.St. Vl.Parl., 2011-12, nr. 1509/1, p. 6).

“Deze regeling is gebaseerd op de regeling zoals van toepassing voor de Raad van State.

“Over de vroegere regeling bij de Raad van State werd al geoordeeld dat ze geen afbreuk deed aan de gelijkheid van middelen, aan de rechten van verdediging en aan het beginsel van het contradictoir debat. Die rechtspraak kan worden doorgetrokken naar de nieuwere rechtspleging voor de Raad van State en de Raad voor Vergunningenbetwistingen” (ibid., p. 13).

B.4. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.5. Het recht op daadwerkelijke rechtshulp, het recht op toegang tot de rechter en het recht op een openbare behandeling van de zaak maken deel uit van het recht op een eerlijk proces en bijgevolg van het recht van verdediging. Die rechten kunnen worden onderworpen aan voorwaarden, die er evenwel niet toe mogen leiden dat zij op zodanige wijze worden beperkt dat de kern ervan wordt aangetast.

B.6.1. Uit art. 4.8.11, § 1, eerste lid, 1o tot 6o VCRO, waarin de verschillende belanghebbenden zijn opgesomd die een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen kunnen instellen, vloeit voort dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing, een beroep kan instellen.

Rekening houdend met die ruime toegang tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen, beoogde de decreetgever te vermijden dat die Raad zich in de onmogelijkheid zou bevinden de ingestelde beroepen binnen een redelijke termijn te behandelen, doordat het voor de behandeling van elk beroep de in art. 4.8.15 tot 4.8.32 VCRO en in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2012 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen geformuleerde regels in acht moet nemen.

Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 6 juli 2012 blijkt dat de decreetgever de naleving van het recht van verdediging heeft willen waarborgen door de kennisgeving van de vaststellingen van de Raad voor Vergunningsbetwistingen aan de verzoekende partij en door de mogelijkheid voor de verzoekende partij om een verantwoordingsnota in te dienen (Parl.St. Vl.Parl., 2011-12, nr. 1509/1, p. 12). Die vaststellingen van de Raad voor Vergunningsbetwistingen reiken niet verder dan de mededeling aan de verzoekende partij van het bestaan van een probleem van kennelijke niet-ontvankelijkheid, kennelijke onbevoegdheid of doelloosheid van het ingediende beroep.

Het algemeen beginsel van een behoorlijke rechtsbedeling omvat in beginsel het recht op een openbare hoorzitting, maar dat recht is niet absoluut, zoals ook blijkt uit de rechtspraak inzake art. 6 EVRM, waaruit eenzelfde recht wordt afgeleid:

“41. De verplichting om een openbare hoorzitting te houden, is echter niet absoluut (HÃ¥kansson en Sturesson t/ Zweden, 21 februari 1990, § 66, serie A, nr. 171-A). Art. 6 vereist niet noodzakelijk het houden van een hoorzitting in alle procedures. Dat is met name het geval voor de zaken die geen vraag inzake geloofwaardigheid doen rijzen of niet leiden tot een controverse over de feiten die een hoorzitting zouden vereisen, en waarvoor de rechtbanken zich op billijke en redelijke wijze kunnen uitspreken op grond van de door de partijen ingediende conclusies en andere stukken (zie bv. Döry t/ Zweden, nr. 28394/95, § 37, 12 november 2002; Pursiheimo t/ Finland (beslissing), nr. 57795/00, 25 november 2003; te vergelijken met Lundevall t/ Zweden, nr. 38629/97, § 39, 12 november 2002; Salomonsson t/ Zweden, nr. 38978/97, § 39, 12 november 2002; zie ook arrest-Göç t/ Turkije [GK], nr. 36590/97, § 51, EHRM 2002-V, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de verzoeker de geleden schade mondeling moest kunnen toelichten, aangezien die relevant was voor het bepalen van het bedrag van de aan hem toe te kennen vergoeding).

“42. Het Hof erkent overigens dat de nationale overheden rekening kunnen houden met vereisten inzake doeltreffendheid en proceseconomie, waarbij het bijvoorbeeld oordeelt dat het stelselmatig houden van debatten een belemmering kan vormen voor de bekwame spoed die in socialezekerheidszaken vereist is en zelfs de naleving van de in art. 6.1 EVRM beoogde redelijke termijn in de weg kan staan (arrest-Schuler-Zgraggen t/ Zwitserland, 24 juni 1993, § 58, serie A, nr. 263, en de zaken waarnaar het verwijst). Hoewel het Hof aanvankelijk in verschillende zaken heeft onderstreept dat, in een procedure voor een rechtbank die in eerste en in laatste aanleg uitspraak doet, een hoorzitting moet plaatshebben tenzij uitzonderlijke omstandigheden verantwoorden dat daarvan wordt afgezien (zie o.m. de arresten-HÃ¥kansson en Sturesson, voormeld, § 64, Fredin t/ Zweden (nr. 2), 23 februari 1994, §§ 21-22, serie A, nr. 283-A, en Allan Jacobsson t/ Zweden (nr. 2), 19 februari 1998, § 46, Recueil 1998-I), heeft het daarna gepreciseerd dat het bestaan van dergelijke omstandigheden hoofdzakelijk afhangt van de aard van de vragen die aan de interne rechtbanken worden voorgelegd, en niet van de frequentie daarvan. Dat betekent niet dat de verwerping van een verzoek tot het houden van een hoorzitting slechts in zeldzame gevallen kan worden verantwoord (Miller t/ Zweden, nr. 55853/00, § 29, 8 februari 2005). Zoals in elke andere materie, moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met het in art. 6 EVRM verankerde billijkheidsbeginsel, dat van fundamenteel belang is (zie, mutatis mutandis, Pélissier en Sassi t/ Frankrijk [GK], nr. 25444/94, § 52, EHRM 1999-II, en Sejdovic t/ Italië [GK], nr. 56581/00, § 90, EHRM 2006-II)” (EHRM, grote kamer, 23 november 2006, Jussila t/ Finland, §§ 41-42)”.

De mogelijkheid om rekening te houden met redenen van proceseconomie wordt ook aanvaard inzake ruimtelijke ordening (EHRM 18 juli 2013, Schädler-Eberle t/ Oostenrijk, §§ 97-109).

Art. 4.8.14 VCRO voorziet in een vereenvoudigde behandeling van het beroep, die enkel betrekking heeft op de kennelijke niet-ontvankelijkheid of doelloosheid daarvan of op de kennelijke onbevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Zoals reeds vermeld, wordt een beroep geacht doelloos te zijn wanneer het tijdens de behandeling zijn doel verliest, met name doordat het bestreden besluit werd vernietigd, ingetrokken, opgeheven of vervangen. Uit de aard zelf van de rechtsvragen die bij de vereenvoudigde behandeling aan de orde zijn, vloeit voort dat zij louter op grond van de ingediende stukken kunnen worden beantwoord. De verplichting om een openbare hoorzitting te houden zou afbreuk doen aan de doelstelling van een doeltreffende procedure, aangezien de versnelde behandeling van eenvoudige zaken die erdoor wordt betracht opnieuw in het gedrang zou worden gebracht.

De ontstentenis van een openbare hoorzitting doet derhalve niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de verzoekende partij voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De mogelijkheid waarover de verzoekende partij beschikt om haar standpunt ten aanzien van het opgeworpen probleem in een verantwoordingsnota uiteen te zetten, waarborgt op voldoende wijze het contradictoir karakter van de procedure.

B.6.2. Omdat de motiveringsplicht zowel voor de justitiële gerechten als voor de administratieve rechtscolleges geldt, bestaat het ter zake door de verzoekende partijen aangevoerde verschil in behandeling niet.

B.6.3. Wat de openbaarheid van de uitspraak betreft, bepaalt art. 4.8.28, § 3 VCRO dat alle uitspraken van de Raad voor Vergunningsbetwistingen openbaar zijn, zonder daarbij een onderscheid te maken naargelang de uitspraak volgt op een procedure van vereenvoudigde behandeling of op een gewone rechtspleging.

Derhalve bestaat het door de verzoekende partijen aangevoerde verschil in behandeling niet.

Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de eerste vier onderdelen van het middel niet gegrond zijn.

B.6.4.1. Het vijfde onderdeel van het eerste middel is gebaseerd op de vaststelling dat over de kennelijke niet-ontvankelijkheid, kennelijke onbevoegdheid of doelloosheid zou worden beslist door de voorzitter die of een door hem aangewezen raadslid dat tevens die kennelijke niet-ontvankelijkheid, kennelijke onbevoegdheid of doelloosheid zou hebben opgeworpen.

B.6.4.2. Een behoorlijke rechtsbedeling waarborgt de rechtzoekenden de behandeling van hun zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Die eisen houden niet alleen in dat een rechter niet partijdig mag zijn, maar ook dat er voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn om elke gewettigde twijfel met betrekking tot de onpartijdigheid van de rechter uit te sluiten. Een schending van het beginsel van onpartijdigheid onderstelt geenszins het bewijs van partijdigheid; een schijn van partijdigheid kan volstaan.

Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt daarbij de optiek van de rechtzoekende “in aanmerking genomen, maar speelt zij geen doorslaggevende rol. Wat wel doorslaggevend is, is de vraag of de vrees van de betrokkene als objectief verantwoord kan worden beschouwd” (EHRM 21 december 2000, Wettstein t/ Zwitserland, § 44).

Bij de beoordeling van de vraag of het beginsel van onpartijdigheid in een procedure van vereenvoudigde behandeling op voldoende wijze in acht is genomen, moet rekening worden gehouden met de aard en de gevolgen van de vaststelling van een vereenvoudigde behandeling en moet het geheel van de procedure in overweging worden genomen. Er moet rekening worden gehouden met onder meer de samenstelling en de organisatie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

B.6.4.3. Het beginsel van onpartijdigheid wordt geschonden wanneer aan een lid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen een zaak ter beoordeling wordt voorgelegd waarvan het reeds eerder in een andere hoedanigheid kennis heeft genomen. Maar niet elk voorafgaand optreden van de rechter is van die aard dat bij de rechtzoekende een gerechtvaardigde vrees van partijdigheid wordt opgewekt. Opdat het beginsel van onpartijdigheid kan zijn geschonden, moet dat optreden van de rechter van die aard zijn dat het de indruk kan wekken dat hij zich reeds een oordeel over de grond van de zaak heeft gevormd.

B.6.4.4. Art. 4.8.14, § 1 VCRO bepaalt dat de voorzitter of een door hem aangewezen raadslid ambtshalve onderzoekt of het beroep doelloos of kennelijk niet ontvankelijk is of dat de Raad kennelijk niet bevoegd is. De vaststellingen worden door de griffier overgezonden aan de verzoekende partij. Na ontvangst van de verantwoordingsnota van de verzoekende partij kan de Raad vervolgens beslissen, ofwel dat de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad dient te worden genomen, ofwel dat het ingediende beroep ontvankelijk of niet doelloos is dan wel tot de bevoegdheid van de Raad behoort, waarop het beroep volgens de gewone rechtspleging wordt voortgezet.

Het onderzoek, door de voorzitter of het aangewezen raadslid, met het oog op de toepassing van de vereenvoudigde behandeling, valt te vergelijken met het ambtshalve opwerpen van een middel of exceptie waarover de rechter, nadat de verzoekende partij daarover haar standpunt heeft kunnen uiteenzetten, vervolgens uitspraak doet. De rechter die het probleem van ontvankelijkheid, doelloosheid of onbevoegdheid opwerpt, dient erover te waken dat hij de vaststelling daarvan niet met stelligheid formuleert, maar met de omzichtigheid die eigen is aan het ambtshalve opwerpen van aangelegenheden. De verplichting om de voorzitter die of het raadslid dat het ambtshalve onderzoek heeft uitgevoerd voor de verdere rechtspleging door een ander lid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen te vervangen, zou afbreuk doen aan de doelstelling van een doeltreffende procedure, aangezien de versnelde behandeling van eenvoudige zaken die erdoor wordt betracht opnieuw in het gedrang zou worden gebracht.

Het vijfde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.

B.6.5. Het zesde onderdeel van het eerste middel heeft betrekking op de onbepaalde termijn die geldt voor het ambtshalve onderzoek van het beroep en de vervaltermijn die geldt voor de verzoekende partij om een verantwoordingsnota in te dienen.

De procedure van vereenvoudigde behandeling kan enkel worden toegepast wanneer “op grond van een eenvoudige lezing van het verzoekschrift of van de bijgevoegde stukken” blijkt dat het beroep doelloos of kennelijk niet ontvankelijk is of kennelijk niet tot de bevoegdheid van de Raad behoort (zie het verslag aan de Vlaamse Regering bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2012 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen) en daarenboven dient de verantwoordingsnota zich te beperken tot die vaststellingen van de Raad, zodat een termijn van vijftien dagen niet als onevenredig kan worden beschouwd om de na een eenvoudige lezing van het verzoekschrift gedane vaststellingen te weerleggen.

Bovendien aanvaardt de Raad voor Vergunningsbetwistingen, in navolging van de rechtspraak van de Raad van State, dat die vervaltermijn kan worden overschreden door de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van het decreet kan worden gemilderd in geval van overmacht of onoverwinnelijke dwaling.

Het zesde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.

B.6.6. Wat ten slotte de mogelijke ontstentenis van het administratief dossier betreft, volstaat het te verwijzen naar wat is vermeld in B.6.5 aangaande het toepassingsgebied van de procedure van vereenvoudigde behandeling. Enkel voor zover een eenvoudige lezing van het verzoekschrift of van de bijgevoegde stukken duidelijk maakt dat het ingediende beroep doelloos of kennelijk niet ontvankelijk is of kennelijk niet tot de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen behoort, kan toepassing worden gemaakt van de procedure van vereenvoudigde behandeling. Uit de aard van die vaststelling volgt dat de rechterlijke beslissing zonder kennisneming van het administratief dossier kan worden genomen.

Het zevende onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.

Wat betreft het tweede middel, aangaande de vordering tot schorsing

B.7. Het tweede middel is afgeleid uit de schending door art. 4.8.19 en 4.8.20 VCRO, zoals vervangen bij de bestreden bepaling, van art. 10, 11 en 23 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de algemene beginselen van een behoorlijke rechtsbedeling, meer bepaald het recht op toegang tot een rechter, het recht op daadwerkelijke rechtshulp, het recht van verdediging en het recht op wapengelijkheid, met art. 6 en 13 EVRM en met art. 144, 145, 160 en 161 Gw., doordat de vervaltermijn van vijftien dagen waarbinnen de betrokkenen, in overleg met hun advocaat, een verzoek tot voortzetting moeten indienen, in vergelijking met de termijn van dertig dagen die geldt in de procedure voor de Raad van State te kort zou zijn om een beredeneerd standpunt in te nemen.

B.8.1. Art. 4.8.19 en 4.8.20 VCRO, zoals vervangen bij art. 5 van het decreet van 6 juli 2012, bepalen:

“Art. 4.8.19. Wanneer de Raad de bestreden beslissing geschorst heeft, moet de verweerder of tussenkomende partij een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen. Indien geen verzoek tot voortzetting wordt ingediend, kan de Raad volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld door de Vlaamse Regering de bestreden beslissing vernietigen.

“Heeft de Raad de bestreden beslissing niet geschorst, dan moet de verzoeker een verzoek tot voortzetting indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen. Dient hij geen verzoek tot voortzetting in, dan geldt ten aanzien van hem een onweerlegbaar vermoeden van afstand van geding.

“De termijn van vijftien dagen gaat in de dag na de betekening van het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over de schorsing.

“Art. 4.8.20. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels betreffende de behandeling van de vordering tot schorsing”.

B.8.2. De voormelde artikelen maken deel uit van onderafdeling 4 (“Schorsing”) van afdeling 3 (“Procedure”) van de VCRO. Art. 4.8.19 VCRO handelt over de verkorte procedure na de beslissing van de Raad voor Vergunningsbetwistingen over de gevraagde schorsing en art. 4.8.20 VCRO handelt over de procedure voorafgaand aan de beslissing over de schorsing.

B.8.3. Volgens de parlementaire voorbereiding bleek uit “de praktijk van de twee voorbije werkjaren [...] dat de procedureregeling in de VCRO te summier en onvoldoende” was om een “efficiënte en kwaliteitsvolle rechtspleging te verzekeren voor de procespartijen, met inbegrip van een afhandeling van het dossier binnen een redelijke termijn”. Een duidelijk voorbeeld van een tekortkoming dienaangaande was, volgens de decreetgever, de “zeer summiere regeling van de vordering tot schorsing” (Parl.St. Vl.Parl., 2011-12, nr. 1509/1, p. 2). De nadere uitwerking van de schorsingsprocedure werd als volgt toegelicht:

“Bovendien zal, naar het voorbeeld van wat in de rechtspleging voor de Raad van State geldt, de vernietigingsprocedure enkel worden voortgezet als degene die in de schorsingsprocedure aan het kortste eind heeft getrokken, een verzoekschrift tot voortzetting indient. Heeft de Raad de schorsing bevolen, dan zal de verweerder of de tussenkomende partij de voortzetting moeten vragen om de bestreden vergunningsbeslissing niet volgens een versnelde rechtspleging vernietigd te zien worden. Wordt de vordering tot schorsing verworpen, dan is het aan de verzoeker de voortzetting te vragen, zo niet wordt hij op onweerlegbare wijze vermoed afstand te hebben gedaan van het geding. Dat is de voornaamste “hakbijl” in de procedure die met dit voorstel ingevoerd wordt” (Parl.St. Vl.Parl., 2011-12, nr. 1509/1, p. 6).

“Dat verzoek tot voortzetting vormt op die manier een filter naar de vernietigingsprocedure. Partijen moeten aldus een actievere rol opnemen in de procedure” (ibid., p. 15).

Het gebruik van het woord “kan” in art. 4.8.19 VCRO houdt niet in dat de Raad voor Vergunningenbetwistingen over een beoordelingsbevoegdheid beschikt: “Die beoordelingsbevoegdheid is beperkt tot de gevallen van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling. Daarom wordt het werkwoord “kunnen” gebruikt. Voor het overige wordt geen enkele speelruimte opengelaten” (ibid., p. 16).

B.8.4. In het oorspronkelijke voorstel van decreet was voorzien in een vervaltermijn van dertig dagen, zoals die ook voor de Raad van State geldt. Door middel van een amendement werd de termijn in art. 19 VCRO gewijzigd. Daarbij werd verduidelijkt dat het inkorten van de termijn naar vijftien dagen de rechten van de procespartijen niet zou schenden.

“Deze termijn dient enkel om een formele voortzetting aan de Raad over te maken zonder dat een inhoudelijk stuk aan de Raad verzonden moet worden. In het geval de verwerende partij of de tussenkomende partij het verzoek tot voortzetting dient in te dienen, betekent dit een zeer eenvoudig te vervullen formaliteit. In het geval de verzoekende partij het verzoek tot voortzetting dient in te dienen, zal in het procedurereglement de termijn tot het indienen van een antwoordnota door de verwerende partij en tot het indienen van een schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij pas beginnen te lopen na de betekening van het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging van de verzoekende partij aan alle partijen in het geding” (Parl.St. Vl.Parl., 2011-12, nr. 1509/3, p. 10).

B.9. Het tweede middel heeft enkel betrekking op de volgens de verzoekende partijen te korte vervaltermijn van vijftien dagen, die bovendien niet zou worden geschorst tijdens de gerechtelijke vakantie, en niet op art. 4.8.20 VCRO, dat aan de Vlaamse Regering de bevoegdheid delegeert om de nadere regels betreffende de behandeling van de vordering tot schorsing te regelen.

Het tweede middel kan enkel worden geacht betrekking te hebben op art. 4.8.19 VCRO, zodat het niet ontvankelijk is wat art. 4.8.20 VCRO betreft.

B.10.1. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever, door het invoeren van een bijkomende “hakbijl”-procedure waarvan de inachtneming gemakkelijk kan worden nagegaan door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, een wettig doel nastreeft, namelijk ten gronde het onderzoek van de Raad voor Vergunningsbetwistingen beperken tot uitsluitend de vorderingen die na een eerste onderzoek in de schorsingsprocedure voor vernietiging vatbaar blijken te zijn (art. 4.8.3 VCRO).

Het Hof dient er evenwel over te waken dat de bestreden maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter, met name gezien de gevolgen die de schending ervan kan teweegbrengen voor de situatie van de gedingvoerende partijen.

B.10.2. Een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening van het schorsingsarrest, verplicht de betrokken partijen een heel actieve houding aan te nemen gedurende de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Niettegenstaande aan die partijen enkel een formeel verzoek tot voortzetting wordt gevraagd, zonder inhoudelijke standpunten, zou een dermate korte vervaltermijn afbreuk kunnen doen aan het recht van verdediging indien hij hen niet in staat stelt op bevredigende wijze overleg te plegen met hun advocaat; hij vormt in elk geval geen relevante maatregel in het licht van het door de decreetgever nagestreefde doel, aangezien de korte duur van de termijn de partijen ertoe kan brengen steeds een verzoek tot voortzetting in te dienen, waardoor het nut van de “hakbijl”-procedure verdwijnt.

B.11. Het tweede middel is gegrond.

Wat het derde middel betreft, aangaande de onafhankelijkheid van de leden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen

B.12. Het derde middel is afgeleid uit de schending door art. 4.8.34, § 2 VCRO, zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling, van art. 10 en 11 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 144, 145, 151, 152, 154, 160 en 161 Gw., art. 6 en 13 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid van de rechter en de rechtscolleges, doordat het aan de Vlaamse Regering de bevoegdheid delegeert om de bezoldigingen, de toelagen en de vergoedingen van de raadsleden te bepalen.

B.13.1. Art. 4.8.34, § 2 VCRO, zoals ingevoegd bij art. 5 van het decreet van 6 juli 2012, bepaalt: “De raadsleden ontvangen de bezoldiging, de toelagen en de vergoedingen die de Vlaamse Regering bepaalt”.

B.13.2. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het nieuwe art. 4.8.34, § 2 VCRO een overname betreft van het oude art. 4.8.5, § 2 (Parl.St. Vl.Parl., 2011-12, nr. 1509/1, p. 21).

Bovendien wordt in het verslag opgemerkt dat “op de vraag naar een decretale regeling voor de bezoldiging [...] niet [wordt] ingegaan. Het lijkt de indieners aangewezen dit niet in dit voorstel van decreet in te schrijven, maar het ten gronde te bekijken bij de voorbereiding van het Vlaamse bestuursrechtscollege” (Parl.St. Vl.Parl., 2011-12, nr. 1509/4, p. 13).

B.13.3. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid blijkt dat de Vlaamse Regering “de geldelijke rechtspositieregeling van de raadsleden [zelf regelt], maar [dat zij] zich daarbij [zal] richten naar functies met een analoge verantwoordelijkheid en zwaarte binnen de Vlaamse overheid. Er wordt gedacht aan een regeling binnen de schaal A311, die geldt voor secretarissen-generaal, administrateurs-generaal, gedelegeerde bestuurders c.q. sommige hoofden van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad” (Parl.St. Vl.Parl., 2008-09, nr. 2011/1, p. 216).

B.14.1. Uit het enkele feit dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet tot de rechterlijke macht behoort, kan niet worden afgeleid dat hij niet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zoals in overweging B.6.4.2 in herinnering gebracht, zou moeten voldoen. Het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn, geldt immers voor alle rechtscolleges.

B.14.2. Art. 146 Gw. bepaalt dat “geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet”. Art. 161 Gw. bepaalt dat “geen administratief rechtscollege kan worden ingesteld dan krachtens een wet”.

Uit die grondwetsbepalingen, alsook uit art. 6 EVRM (EHRM 28 november 2002, Lavents t/ Letland, § 114) vloeit voort dat de bevoegde wetgever de essentiële beginselen zelf dient te regelen. Daartoe behoren bij de oprichting van een rechtscollege, met het oog op zijn onafhankelijkheid, de wedden van zijn leden, hoewel ter zake de verwijzing naar een schaal of barema kan volstaan.

Door de hele bezoldigingsregeling op te dragen aan de Vlaamse Regering schendt het bestreden artikel art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met de voormelde grondwetsbepalingen en met het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid van de rechter.

B.15. Het derde middel is gegrond.

B.16.1. In het geval van vernietiging van de bestreden bepaling vraagt de Vlaamse Regering de gevolgen ervan te handhaven.

B.16.2. Teneinde de continuïteit en de rechtszekerheid te vrijwaren, worden de gevolgen van het vernietigde art. 4.8.34, § 2 VCRO gehandhaafd tot aan de inwerkingtreding van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 april 2014 “betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges” en tot uiterlijk 31 december 2014.

Noot: 

• M. Boes, “De nieuwe procedureregels voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen”, RW 2012-13, 1122-1136.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 07/12/2014 - 16:30
Laatst aangepast op: zo, 07/12/2014 - 16:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.