-A +A

Omzetting van vruchtgebruik op economische gronden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
zon, 17/09/2017

Art. 745quater B stelt:

§ 1. (Wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van dezen, kan de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars vorderen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geindexeerde rente.

§ 2. Wanneer de blote eigendom behoort aan andere personen dan die bedoeld in § 1, kan de langstlevende echtgenoot die omzetting eisen binnen vijf jaar na het openvallen van de nalatenschap.

In hetzelfde geval kan hij te allen tijde eisen dat de blote eigendom van de goederen bedoeld in § 4 hem tegen geld wordt overgedragen.
De familierechtbank kan de omzetting van het vruchtgebruik en de toewijzing van de volle eigendom weigeren, wanneer zulks de belangen van een onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden.

Indien de rechtbank het billijk acht wegens omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, kan zij een vordering tot omzetting toewijzen, die is ingesteld door een andere blote eigenaar dan die bedoeld in § 1 of, na de termijn van vijf jaar, door de langstlevende echtgenoot.

§ 3. De omzetting van het vruchtgebruik van de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer kan, alleen worden gevorderd door degene die dat recht bezit.

§ 4. Het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad, kan niet worden omgezet dan met instemming van de langstlevende echtgenoot.

Ingevolge voormeld art. 745quater, § 2, vierde lid BW kan de rechter, indien hij het billijk acht wegens de omstandigheden eigen aan de zaak, ingaan op een vordering tot omzetting van het vruchtgebruik met betrekking tot een hoeve in een geldsom, ook al wordt zij door de weduwe ingesteld na de in art. 745quater, § 2 BW bedoelde termijn van vijf jaar na het openvallen van de nalatenschap van haar overleden echtgenoot.

Op de vordering kan ingenaan worden, rekening houdende met economische en niet-economische omstandigheden, zoals de aanzienlijke spanningen tussen de weduwe als vruchtgebruiker en de blote eigenaars, het sterk verouderde karakter van de hoeve, de noodzaak van structurele herstellingen dan wel renovatie en de te beperkte mogelijkheden van de weduwe om de vereiste zorgen en kosten (verder) te dragen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
670
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

M.H. en A.H. t/ M.V.

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. Gelet op notariële akte(n) van 16 november 1976 verwerft Robert H. de blote eigendom van een hoeve met toebehoren te Sint-Eloois-Winkel via zijn vader (Jules) H., die daarbij het levenslange vruchtgebruik behoudt.

Na het overlijden van vader H. in 1986 (dooft diens vruchtgebruik uit en) verwerft Robert H. de hoeve in volle eigendom.

2. Op 30 december 1990 overlijdt Robert H., zodat de hoeve toekomt (1) in blote eigendom aan zijn drie broers (Antoine, Frans en Michel H.) en (2) in vruchtgebruik aan zijn echtgenote/weduwe (Maria V.).

3. Maria V. bewoont de hoeve tot op heden, waar (tot aan diens overlijden) ook Frans H. (zijn woonplaats had en) inwoonde. Gelet op het overlijden van Frans H. op 9 december 2010, komt de hoeve sindsdien en tot op heden (1) in blote eigendom toe aan zijn twee broers Antoine en Michel H. en (2) in vruchtgebruik aan Maria V.

Maria V. geeft aan dat, hoewel zij voordien een relatief ongestoord vruchtgebruik kende, zij sinds het overlijden van Frans H. en derhalve de laatste jaren systematisch wordt lastig gevallen door Antoine en Michel H. teneinde allerhande herstellingen of renovatiewerken door te voeren. Zij zou nochtans steeds het nodige hebben gedaan voor het normale onderhoud en behoud van de hoeve en beperkte herstellingen hebben laten uitvoeren. Aangezien de hoeve en de bijhorende landgebouwen, loodsen, schuren en stallen een sterk verouderd karakter vertonen en bijgevolg structurele herstellingen dan wel renovatie nodig hebben, zou Maria V. als bejaarde weduwe met beperkte inkomsten de aanzienlijke kosten dienaangaande hoe dan ook niet (mede) kunnen dragen. Gelet op het structurele karakter van de vereiste herstellingen en renovatie (zoals dakwerken) zouden die kosten overigens in de eerste plaats ten laste van de blote eigenaars zijn. Zij betoogt dan ook in de gegeven gespannen omstandigheden het bedoelde vruchtgebruik niet langer aan te kunnen, omdat zij de bijhorende (financiële) zorgen niet kan dragen.

II. Beroepen vonnis

1. Bij gebrek aan minnelijke regeling stelt Maria V. bij verzoekschrift van 10 december 2013 een procedure in tot omzetting van het vruchtgebruik in een geldsom, dit (mede) met toepassing van art. 745quater, § 2 BW.

Antoine en Michel H. nemen in essentie conclusie tot afwijzing van deze vordering.

2. Bij voorlopig uitvoerbaar vonnis van 24 juni 2014 willigt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk de vordering in, met aanwijzing van notaris L., teneinde de omzetting van het vruchtgebruik te concretiseren.

...

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 23 september 2014 stellen Antoine en Michel H. hoger beroep in. Met hun hoger beroep beogen zij, met hervorming van het beroepen vonnis, de afwijzing van de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik van Maria V. als hetzij niet-ontvankelijk hetzij ongegrond.

...

2. Maria V. neemt conclusie (1) tot afwijzing van het hoger beroep als hetzij niet-ontvankelijk hetzij ongegrond en zodoende (2) tot bevestiging van het beroepen vonnis in zoverre de eerste rechter de omzetting van het vruchtgebruik van Maria V. in een geldsom beveelt, met aanwijzing van notaris L. teneinde de omzetting van het vruchtgebruik te concretiseren.

...

IV. Beoordeling

...

1. De opdeling van de volle eigendom in vruchtgebruik in blote eigendom is niet steeds verenigbaar met een doeltreffend vermogensbeheer. Bovendien ervaren de erfgenamen deze opdeling als een beperking van hun erfrecht waardoor ze in een (ongevraagd) afhankelijke positie worden geplaatst. Vandaar de oplossing van de wetgever teneinde de belangen van de verschillende erfgenamen te verzoenen, namelijk de omzetting van het vruchtgebruik.

Het omzettingsrecht kan worden omschreven als het recht van de langstlevende echtgenoot of de blote eigenaar om te vorderen dat het vruchtgebruik wordt omgezet in volle eigendom, in een geldsom of in een gewaarborgde/geïndexeerde rente (art. 745quater, § 1 BW).

Daarnaast bestaat, zij het binnen een beperkter toepassingsgebied, de mogelijke overname of inkoop van de blote eigendom door de langstlevende echtgenoot. Deze mogelijkheid bestaat enkel indien de langstlevende echtgenoot tot de nalatenschap komt met andere bloedverwanten dan afstammelingen en betreft alleen de preferentiële goederen (art. 745quater, § 2, tweede lid BW).

2. In casu komt Maria V. als langstlevende echtgenoot van Robert H. tot diens nalatenschap met (diens broers en derhalve met) andere bloedverwanten dan afstammelingen. Zij vordert (blijkens het verzoekschrift van 10 december 2013, mede) met toepassing van art. 745quater, § 2, vierde lid BW, de omzetting van haar vruchtgebruik m.b.t. de hoeve in een geldsom. Krachtens deze bepaling kan de rechtbank of het hof, indien het billijk wordt geacht wegens omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, ingaan op een vordering tot omzetting van het vruchtgebruik, ook al wordt zij (door de langstlevende echtgenoot) ingesteld na de in het eerste lid van art. 745quater, § 2 BW bedoelde termijn van vijf jaar na het openvallen van de nalatenschap.

Antoine en Michel H. betogen dan ook vergeefs, met verwijzing naar art. 745quater, § 2, eerste lid BW, dat de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik van Maria V. laattijdig is en derhalve niet-ontvankelijk en minstens ongegrond.

3. Met de eerste rechter is het hof voorts van oordeel dat het wel degelijk billijk overkomt wegens de omstandigheden van de zaak om de gevraagde omzetting in te willigen. Het gaat om economische en niet-economische omstandigheden.

Die omstandigheden wijzen mede blijkens de overgelegde stukken (met fotomateriaal) inzonderheid op (1) de aanzienlijke spanningen en het wantrouwen tussen Maria V. als vruchtgebruiker enerzijds en Antoine en Michel H. als blote eigenaars anderzijds; (2) het sterk verouderde karakter van de hoeve en de bijhorende landgebouwen, loodsen, schuren en stallen; (3) de noodzaak van structurele herstellingen dan wel renovatie; (4) de beperkte mogelijkheden van Maria V. die als bejaarde weduwe met beperkte inkomsten de aanzienlijke kosten dienaangaande (voor zover die voor haar rekening zijn mede in het licht van de artt. 605-606 BW) niet (mede) kan dragen en (5) de binnen haar mogelijkheden door Maria V. redelijkerwijze gedragen zorgen (met beperkte herstellingen) voor het normale onderhoud en behoud van de hoeve.

Punten zijn ook dat (1) Maria V. en hoeve en de bijhorende landgebouwen, loodsen, schuren en stallen niet meer als zodanig exploiteert; (2) de omzetting haar geen onverantwoord voordeel verschaft, terwijl het sterk verouderde karakter van een en ander op passende wijze wordt ingecalculeerd en (3) Antoine en Michel H., indien zij het vruchtgebruik overnemen tegen betaling van een geldsom, een en ander te gepasten tijde kunnen te gelde maken, gebeurlijk door middel van een verkoop aan een derde (art. 745sexies, § 2, tweede lid BW). Ingeval in het raam van de omzettingsverrichtingen de met vruchtgebruik belaste hoeve en de bijhorende landgebouwen, loodsen, schuren en stallen worden verkocht aan een derde, wordt de verkoopprijs verhoudingsgewijs verdeeld tussen Maria V. als (gewezen) vruchtgebruiker en Antoine en Michel H. als blote eigenaars (W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 799, nr. 1509). Een dergelijke verkoop wordt hic et nunc niet gevraagd.

Maria V. kende blijkbaar tot het overlijden van Frans H. een relatief ongestoord vruchtgebruik. Antoine en Michel H. bevestigen overigens dat de onenigheid pas nadien is opgedoken, aangezien allerhande herstellingen en renovatiewerken noodzakelijk waren geworden. Maria V. blijkt evenwel steeds het nodige te hebben gedaan voor het normale onderhoud en behoud van de hoeve en beperkte herstellingen te hebben laten uitvoeren. Ook Frans H. blijkt, zolang hij leefde, het nodige te hebben gedaan, wat Antoine en Michel H. toegeven. Aangezien de hoeve en de bijhorende landgebouwen, loodsen, schuren en stallen intussen een sterk verouderd karakter vertonen en bijgevolg structurele herstellingen dan wel renovatie nodig hebben, kan Maria V. als bejaarde weduwe met beperkte inkomsten de aanzienlijke kosten dienaangaande (voor zover die voor haar rekening zijn) hoe dan ook niet (mede) dragen. Maria V. kan in de gegeven gespannen omstandigheden dit vruchtgebruik niet langer aan, omdat zij de bijhorende (financiële) zorgen niet kan dragen. Het is derhalve raadzaam om het vruchtgebruik om te zetten in een geldsom, met berekening van het vruchtgebruik overeenkomstig (oud) art. 745sexies, § 3 BW (M. Coene en A. Verbeke, «Art. 745sexies BW» in Comm.Erf. 2015, p. 38, nr. 61 en p. 61, nr. 95).

4. Het hof beaamt de aanwijzing van notaris L. teneinde de omzetting van het vruchtgebruik in een geldsom concreet invulling te geven (zie: C. De Busschere, «De wettelijke opdracht van de notarissen bij gerechtelijke omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot», RW 2010-11, 130 e.v.; art. 745sexies, § 2, tweede lid BW).

5. Het hof beaamt voorts dat de partijen (in de lijn van art. 1210, § 5 Ger.W.) in gelijke mate de notaris moeten provisioneren, terwijl de definitieve staat van kosten en erelonen voor rekening is van de partijen in verhouding tot de respectieve waarde van het omgezette vruchtgebruik ten opzichte van de naakte eigendom.

...

Noot: 

M. DELANOTE en J. VANDEN BRANDEN, Artikel 344 § 1 WIB 1992 RABG 2011/19,1375

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/12/2017 - 16:32
Laatst aangepast op: ma, 18/12/2017 - 16:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.