-A +A

Occasionele groepjes die occasionele protestacties uitvoeren zijn geen bendes

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 23/12/2014

Het recht op vrije meningsuiting kan veruitwendigd worden in een burgerlijke ongehoorzaamheid. Wanneer deze zou resulteren in kleinere misdrijven zou een overdadig politioneel optreden of vervolging een schending van het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting kunnen uitmaken wanneer het desbetreffende overheidsoptreden of de ingestelde strafvordering disproportioneel is ten aanzien van de vrije meningsuiting.

Een protestactie gepaard gaande met vernieling, het verwoesten van veldgewassen en het gebruik van geweld tegen rechtmatig optredende politiemensen, vormen geen aanvaardbare vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid.

Immers het beschermen van eigendommen tegen vernielingen is evenzeer een door de overheid te vrijwaren rechtsgoed.

Bendevorming houdt niet in dat er een strikte hiërarchie en een specifieke taakverdeling tussen de bendeleden moet bestaan.

Het misdrijf bendevorming beoogt het maatschappelijk gevaar te bestraffen door de opererende georganiseerde bende en dit in meerdere mate dan de loutere occasionele overeenkomst waarbij verschillende personen beslissen om gezamenlijk doch occasioneel misdrijven te plegen onder de vorm van burgerlijk protest.

Het verzet tegen een onrechtmatige overheidsdaad is een grond van rechtvaardiging van een als misdrijf gekwalificeerde gedraging worden beschouwd onder voorwaarde:

• dat de door de overheid begane onrechtmatigheid flagrant is
• dat een onverwijlde reactie, bestaande uit de als misdrijf gekwalificeerde gedraging, noodzakelijk is.

Deze omstandigheden zijn niet voorhanden bij beweerde onregelmatigheden die zouden zijn gebeurd bij de vergunning van een veldproef met genetisch gemodificeerde organismen

Noodtoestand vormt alleen dan een grond van rechtvaardiging van een misdrijf in zoverre is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit, wat inhoudt dat de waarde van het rechtsgoed dat wordt prijsgegeven lager is dan of minstens gelijk is aan de waarde van het rechtsgoed dat men wil vrijwaren, dat het te vrijwaren recht of belang een dadelijk en ernstig gevaar loopt, dat het kwaad alleen door het misdrijf kan worden voorkomen en dat de betrokkene de noodtoestand niet zelf heeft doen ontstaan.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
464
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 Hogeschool Gent e.a. t/ D.S. e.a.

...

2. De feiten die aan de basis liggen van de voorliggende strafprocedure hebben betrekking op een actie die op zondag 29 mei 2011 werd gehouden door tegenstanders van genetisch gemodificeerde organismen (hierna: “ggo’s”). De actie was meer in het bijzonder gericht tegen een door de overheid vergunde veldproef met betrekking tot genetisch gemodificeerde aardappelen die resistent zijn tegen de zgn. aardappelziekte. Het desbetreffende project was opgezet door een consortium van instellingen (die thans burgerlijke partijen zijn en hierna gezamenlijk worden aangeduid als “het consortium”), [...], en werd uitgevoerd in openlucht op een proefveld van ongeveer 200 m2, gelegen op het domein van (...) te Wetteren, dicht bij het op- en afrittencomplex van de autosnelweg E40, in de nabijheid van de fietsbrug over die autosnelweg. Deze site is ongeveer 32.000 m2 groot en omvat behalve het voormelde proefveld van 200 m2 ook weiden en akkers, waar op het ogenblik van de feiten onder meer maïs was geplant.

De veldproef gaf onmiddellijk aanleiding tot kritiek van tegenstanders van ggo’s, met name de aanhangers van het Field Liberation Movement (afgekort “FLM”), die zicht, hevig tegen de veldproef verzetten en ook acties ondernamen bij het aanplanten van aardappelen op 4 mei 2011, waarbij aanhangers van het FLM, met name de derde beklaagde J.H., vergezeld van de tweede beklaagde B.V.D., foto’s namen van medewerkers van het consortium, wat door deze laatsten als bedreigend werd ervaren. Voorts riep het FLM onder meer via de sociale netwerken op om, bij wijze van burgerlijke ongehoorzaamheid, het proefveld op 29 mei 2011 te vernielen. De tegenstanders van het veldproef vonden hun inspiratie blijkbaar bij soortgelijke acties in Frankrijk door de zgn. Faucheurs Volontaires.

Het aangekondigde protest leidde ertoe dat, afgezien van de omheining langs de voormelde site, het proefveld zelf werd beveiligd door bewakingsagenten en bewakingscamera’s en voorts bijkomend werd afgesloten door een dubbele rij verankerde afsluitingshekken (in het strafdossier aangeduid als “herashekken”): een eerste rij herashekken omsloot de buitenste omtrek van het proefveld en de tweede rij herashekken de binnenste zone met de genetisch gemodificeerde aardappelen, waarbij tussen de beide afsluitingen een “bufferzone” met maïs werd aangeplant.

Bovendien werden er vooraf ook afspraken gemaakt tussen de lokale politie en de FLM-aanhangers, bij monde van de eerste beklaagde S.D., teneinde de voorgenomen acties in goede banen te leiden. Hierbij werd door de politie steeds beklemtoond dat er geen toestemming werd gegeven aan de actievoerders om de hierboven vermelde site te betreden, noch om het proefveld te vernielen.

Op zondag 29 mei 2011 verliep de voorgenomen actie aan het proefveld aanvankelijk zonder problemen, waarbij zowel voor- als tegenstanders van ggo’s aanwezig waren. Terwijl de voorstanders van ggo’s hun acties omstreeks 13 u beëindigden, groeide de groep van de tegenstanders na de middag aan tot – volgens de politie – ongeveer 400 à 450 man, die zich verzamelden rond de infomarkt (“boerenmarkt”) die het FLM in de nabijheid van de fietsbrug over de autosnelweg had georganiseerd.

De tegenstanders van ggo’s (hierna ook “de actievoerders”) verplaatsten zich van de infomarkt via de fietsbrug tot aan de omheining van de hierboven vermelde site. Op dat ogenblik poogde een andere groep van een twintigtal actievoerders de hierboven vermelde site via de achterzijde te bereiken, maar zij werden tegengehouden door de politiediensten alvorens ze de site konden betreden.

Toen even vóór 15 u vanuit de groep van de actievoerders d.m.v. een sirene een sein werd gegeven, klommen de actievoerders die via de fietsbrug tot aan de omheining van de hierboven vermelde site waren gekomen, over de (slechts ca 1,20 m hoge) afsluiting van deze site en begaven zij zich in de richting van het proefveld, waarbij zij slechts gedeeltelijk door de aanwezige politiemensen konden worden tegengehouden – wat de overige actievoerders in staat stelde het bewuste aardappelveld te omsingelen. Nadat een als clown uitgedoste man – nadien geïdentificeerd als de tiende beklaagde T.D. – als een van de eersten over de dubbele rij herashekken was geklauterd en in het proefveld was beland, waar hij begon met het uittrekken van de aardappelplanten, bestormden ook de overige actievoerders het proefveld. Hierbij werden enkele herashekken vernield, waarna verschillende actievoerders het proefveld betraden en aardappelstruiken vernielden. Slechts na verloop van enige tijd en met de grootste moeite slaagde de politie erin de actievoerders op het aardappelveld te neutraliseren en bestuurlijk aan te houden. Bij de actie vielen ook enkele gewonden, (...).

...

4. De beklaagden werpen allereerst op dat de strafvordering onontvankelijk is omdat de actie van 29 mei 2011, waarop de telastleggingen betrekking hebben, zou moeten worden gekaderd tegen de achtergrond van hun recht op vrijheid van meningsuiting. Tevens voeren de beklaagden aan dat hun optreden niet wederrechtelijk want gerechtvaardigd zou zijn, waarop het hof evenwel verder ingaat.

De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel mensenrecht, maar houdt tevens plichten en verantwoordelijkheden in, zodat de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting aan bepaalde wettelijke voorwaarden kan worden onderworpen in zoverre die noodzakelijk zijn voor de werking van een democratische samenleving (zie o.m. art. 10 EVRM en art. 19 IVBPR, zijnde het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; vgl. art. 19 Gw).

Er moet worden aangenomen dat het recht op vrijheid van meningsuiting niet beperkt is tot het strikt mondeling of schriftelijk uiten van meningen, maar zich in beginsel ook uitstrekt tot het organiseren van en het deelnemen aan betogingen en andere manifestaties en het voeren van acties waardoor aan de desbetreffende mening uiting wordt gegeven. In dit verband moet onmiddellijk worden opgemerkt dat de actie waaraan de beklaagden op 29 mei 2011 te Wetteren hebben deelgenomen, door de overheid geenszins preventief werd gefnuikt, maar integendeel het voorwerp uitmaakte van een genegocieerde aanpak tussen de politie en de actievoerders, waarbij vooraf bepaalde afspraken werden gemaakt teneinde de actie ordentelijk te laten verlopen. Er blijkt voorts ook nergens uit dat de politie de actie zou hebben onderschat, daar niet kon worden voorzien dat er vernielingen zouden worden aangebracht op een wijze en met een omvang zoals uiteindelijk is geschied.

De eerste beklaagde S.D. verklaarde overigens zijn “diepste respect uit te spreken voor de manier waarop de gemeentelijke politie van W. zich gedragen heeft, zowel voor als tijdens de actie”.

De telastleggingen die het voorwerp vormen van de onderhavige strafvordering tegen beklaagden – althans de telastleggingen die door het hof bewezen worden geacht (zie verder m.b.t. de telastleggingen D, E, F en G) – hebben louter betrekking op feiten die tijdens de actie door de desbetreffende beklaagden werden gepleegd en die door de strafwet als misdrijven worden gekwalificeerd, namelijk het kwaadwillig verwoesten van veldvruchten (telastlegging D), het vernielen van landelijke afsluitingen (telastlegging E), daden van weerspannigheid en het opzettelijk toebrengen van slagen, gepleegd tegenover politieagenten (telastleggingen F en G).

Deze strafbepalingen houden als zodanig geen beperking in van het recht op vrijheid van meningsuiting, maar zijn integendeel noodzakelijk in een democratische samenleving om personen en eigendommen alsook de openbare orde te beschermen en te vrijwaren, wat overigens een voorwaarde is om het recht van eenieder op vrijheid van meningsuiting te kunnen garanderen.

Wanneer een welbepaalde manifestatie of actie, zoals in de voorliggende strafzaak de actie van de beklaagden tegen het proefveld met genetisch gemodificeerde aardappelen te Wetteren, aanleiding geeft tot het instellen van een strafvordering wegens bepaalde misdrijven van welke aard ook of tot enig ander overheidsoptreden, kan dit laatste weliswaar op gespannen voet komen te staan met het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting, met name wanneer het desbetreffende overheidsoptreden of de ingestelde strafvordering op een disproportionele wijze afbreuk zou doen aan – of een buitensporige inmenging zou impliceren in – de vrijheid van mengingsuiting waarvan de bewuste manifestatie of actie een uiting beoogde te zijn.

Dienaangaande voeren de beklaagden aan dat de “veldbevrijdingsactie” van 29 mei 2011 volledig binnen de bescherming van de vrijheid van meningsuiting zou vallen, zodat de thans voorliggende strafvordering afbreuk zou doen aan hun recht op vrijheid van meningsuiting en bijgevolg “onontvankelijk, minstens ongegrond” zou moeten worden verklaard.

Het desbetreffende verweer van de beklaagden is in het kader van de thans voorliggende strafprocedure slechts relevant in zoverre de desbetreffende telastleggingen in het voorliggende arrest bewezen worden verklaard (nl. de telastleggingen D, E, F en G).

Het hof volgt de beklaagden echter niet in hun standpunt als zou de strafvordering die geleid heeft tot de thans bewezen verklaarde misdrijven, een disproportionele en niet-noodzakelijke ingreep op hun fundamentele rechten inhouden.

Allereerst werd, zoals reeds werd opgemerkt, de protestactie tegen het proefveld als zodanig geenszins belemmerd door de politie, die niet alleen vooraf bepaalde afspraken had gemaakt met de betogers, maar hen voorts de gelegenheid had gegeven om in de onmiddellijke omgeving van het proefveld een infomarkt te organiseren, een protestmars te houden en spandoeken op te hangen. Hierbij dienden de ordediensten ook oog te hebben voor de verzuchtingen van de voorstanders van ggo’s, die op hetzelfde ogenblik eveneens in de nabijheid van het proefveld waren bijeengekomen.

Er kan redelijkerwijze evenwel niet worden aangenomen dat de overheid mocht – laat staan moest – dulden dat de actievoerders het proefveld zouden bestormen en behalve de omheining errond ook de gewassen op dit veld, namelijk de genetisch gemodificeerde aardappelen, zouden verwoesten, wat in de gegeven omstandigheden immers op geen enkele wijze te rechtvaardigen valt en geenszins als een vorm van vrije meningsuiting kan worden beschouwd, noch als een aanvaardbare vorm van nevenschade die met de vrije meningsuiting gepaard gaat. Hoewel het protest tegen ggo’s in beginsel als een vorm van vrije meningsuiting moet worden beschouwd, gaat dit immers niet, minstens niet onverkort, op voor het vernielen van afsluitingen en het verwoesten van ggo-gewassen, zoals ook het gebruik van geweld tegen rechtmatig optredende politiemensen naar aanleiding van dergelijke vernielingen niet onder de bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting valt. Het beschermen van eigendommen tegen vernielingen houdt immers evenzeer een door de overheid in een democratische samenleving te vrijwaren rechtsgoed in, en in die zin kunnen de feiten die aan de basis liggen van de bewezen verklaarde misdrijven zelfs niet als een vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid worden beschouwd, maar louter als een vorm van ongeoorloofde eigenrichting teneinde het eigen standpunt kracht bij te zetten. De beklaagden merken overigens zelf op dat het toebrengen van schade aan de organisatoren van de veldproef “zeker geen zelfstandig doel van de actie van burgerlijke ongehoorzaamheid was”.

Het verweer van de beklaagden dat zij “geen crimineel opzet” hadden bij hun actie, maar een louter politiek opzet nastreefden en dat zij er naar eigen zeggen alles hebben aan gedaan om te voorkomen dat de veiligheid van personen of van goederen in gevaar kwam, doet aan hun uiteindelijk gestelde handelingen, zoals bedoeld in de telastleggingen D, E, F en G, en aan de strafbaarheid ervan geen afbreuk. Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat de actie bij de werkgever van een van de actievoerders op een zekere sympathie kon rekenen.

De beklaagden doen de waarheid trouwens geweld aan door te beweren dat ze de genetisch gemodificeerde aardappelen eenvoudigweg zouden “ruilen” voor biologische aardappelen, daar het wel degelijk bewezen is dat de beklaagden (behalve de vierde en de vijfde beklaagde) zich schuldig hebben gemaakt (als dader of als deelnemer) aan het uittrekken en verwoesten van planten. Zo ook is het flagrant in strijd met de waarheid dat de beklaagden gewagen van een “geweldloze actie”, daar er wel degelijk geweld werd gebruikt – getuige overigens het feit dat er zowel aan de kant van de actievoerders als aan de kant van de politie gewonden zijn gevallen. Dit geweld was louter te wijten aan de beklaagden, die samen met de overige actievoerders het proefveld hebben bestormd, de omheining ervan hebben vernield en aangeplante gewassen hebben verwoest, waardoor de politie wel moest optreden.

Zowel het optreden van de politie, die de beklaagden – overigens slechts met zeer gedeeltelijk succes – ervan heeft pogen te weerhouden het proefveld te bestormen en te vernielen, als het instellen van een strafvordering tegen de beklaagden kunnen dan ook geenszins als buitensporig worden beschouwd. De beklaagden, die louter bestuurlijk werden aangehouden, werden overigens reeds na ongeveer een uur opnieuw in vrijheid gesteld en worden ook in het onderhavige arrest niet met effectieve vrijheidsstraffen bestraft.

In het licht van al deze gegevens is het hof dan ook van oordeel dat de strafvervolging wegens het verwoesten van veldvruchten (telastlegging D), het vernielen van afsluitingen (telastlegging E) en wegens gewelddaden tegenover politiemensen (telastleggingen F en G) geen schending inhoudt van het recht van vrije meningsuiting van de beklaagden.

5.1. De eerste, de tweede, de derde, de zesde, de zevende, de achtste, de negende, de tiende en de elfde beklaagde worden vervolgd, als dader of als mededader (art. 66 Sw.), wegens het kwaadwillig afsnijden of verwoesten van “vruchten te velde of natuurlijk opgekomen of gepoot plantsoen” (art. 535 Sw.), namelijk aardappelen ten nadele van het consortium (telastlegging D).

Deze telastlegging is bewezen in de persoon van de voornoemde beklaagden, daar uit de gegevens van het strafdossier – waaronder met name de bevindingen van de verbalisanten zoals deze blijken uit het aanvankelijke proces-verbaal en de hierna vermelde navolgende processen-verbaal – blijkt dat zij op een doelbewuste en kwaadwillige wijze een substantieel gedeelte van de genetisch gemodificeerde aardappelen, aangeplant op het relatief kleine proefveld (ca. 200 m2) in de hierboven vermelde site, hebben uitgetrokken en aldus hebben verwoest. De voornoemde beklaagden hebben immers ofwel zelf aardappelplanten kwaadwillig uitgetrokken en aldus verwoest, ofwel doelbewust een zodanig gedrag aan de dag gelegd waardoor de aardappelplanten konden worden verwoest door de overige actievoerders. Wat dit laatste betreft, blijkt uit de voormelde bevindingen van de verbalisanten immers dat de eerste, de tweede, de derde, de zesde, de zevende, de achtste, de negende, de tiende en de elfde beklaagde zich allen zodanig hebben opgesteld op en verspreid over de site dat de aanwezige politiemensen het proefveld onmogelijk volledig konden beschermen. De voornoemde beklaagden hebben zich doelbewust verspreid op en rond het proefveld met de enige bedoeling om ofwel zelf aardappelplanten te kunnen verwoesten ofwel anderen in staat te stellen hiertoe over te gaan, zodat zij allen verantwoordelijk zijn voor de totaliteit van de verwoeste aardappelplanten, bedoeld in telastlegging D.

...

5.2. De eerste, de tweede, de derde, de vierde en de vijfde beklaagde worden voorts vervolgd, als dader of als mededader (art. 66 Sw.), wegens het vernielen van landelijke of stedelijke afsluitingen (art. 545 Sw.), namelijk herashekken ten nadele van het consortium (telastlegging E).

Op grond van de vaststellingen van de verbalisanten is het bewezen dat de dubbele rij herashekken, die speciaal werden geplaatst om het proefveld af te schermen, in het kader van de bestorming van het proefveld doelbewust gedeeltelijk werden vernield teneinde het proefveld te kunnen betreden en de aldaar aangeplante aardappelen te verwoesten. De eerste, de tweede, de derde, de vierde en de vijfde beklaagde hebben hierbij samen gehandeld, waarbij zij, blijkens de overtuigende bevindingen van de verbalisanten zoals vermeld in het aanvankelijke proces-verbaal, gezamenlijk hebben ingebeukt op de bewuste omheining, waarbij twee herashekken volledig werden vernield en er een bres in de omheining ontstond.

...

De telastlegging E is dan ook bewezen in de persoon van de eerste, de tweede, de derde, de vierde en de vijfde beklaagde.

...

6. De beklaagden worden alles voorts vervolgd wegens bendevorming, waarbij de eerste beklaagde S.D. wordt vervolgd als aanstoker en hoofd van een vereniging, opgericht met het oogmerk om op personen of op eigendommen wanbedrijven te plegen (art. 323, tweede lid Sw.; telastlegging A), terwijl de overige beklaagden worden vervolgd omdat ze deel zouden hebben uitgemaakt van een dergelijke vereniging (art. 324 in fine Sw.; telastlegging B).

In tegenstelling tot de eerste rechter is het hof van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een vereniging zoals bedoeld in art. 322 Sw.

Volgens deze laatste bepaling is elke vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen, een misdaad of een wanbedrijf, bestaande door het enkele feit van het organiseren van de bende. Dit laatste moet evenwel een opzettelijk karakter hebben, met uitsluiting van elke toevallige of occasionele samenwerking; het “inrichten van de bende” moet de verschillende leden op ondubbelzinnige wijze aan elkaar binden, waardoor hun samenwerkingsverband als een eenheid op het geëigende ogenblik kan optreden.

Het maatschappelijk gevaar dat het voormelde art. 322 Sw. beoogt te bestraffen, houdt bijgevolg meer in dan de loutere overeenkomst waarbij verschillende personen beslissen om gezamenlijk misdrijven te plegen. Occasioneel overleg met het oogmerk om een misdrijf te plegen, kan bijgevolg niet als een georganiseerde vereniging in de zin van de strafwet worden beschouwd. De bedoelde bendevorming vereist immers dat de vereniging specifiek georganiseerd is met het oog op de uitvoering van het delictuele oogmerk van die vereniging, namelijk het plegen van aanslagen op personen of op eigendommen. In het licht hiervan is het hof van oordeel dat er geen vereniging aan de orde is die ingericht en georganiseerd zou zijn om aanslagen te plegen op personen of eigendommen.

Hoewel het misdrijf van bendevorming niet impliceert dat er een strikte hiërarchie en een specifieke taakverdeling tussen de bendeleden moet bestaan, dient er immers toch sprake te zijn van een zekere organisatie van de vereniging, wat in het voorliggende geval niet bewezen is. In dit verband is het hof van oordeel dat het FLM in het voorliggende strafdossier eerder als een “beweging” – zoals zijn naam het overigens aangeeft – dan wel als een “vereniging” naar voren komt. Tekenend in dit verband is de vaststelling dat het ook voor de verbalisanten niet volledig duidelijk was wat de precieze functie was van de eerste beklaagde S.D. binnen het FLM, en dit in weerwil van de vaststelling dat deze laatste het aanspreekpunt en de onderhandelaar was met wie, tijdens voorafgaande coördinatievergaderingen, afspraken werden gemaakt.

Bovendien en vooral acht het hof het niet bewezen dat – zelfs al zou het FLM wél moeten worden beschouwd als een vereniging met een bepaalde organisatie – het oogmerk van het FLM intrinsiek gericht zou zijn op het plegen van aanslagen op personen of op eigendommen. Het is immers onmiskenbaar dat de bedoeling van het FLM erin bestond actie te voeren tegen ggo’s in het algemeen en proefvelden met ggo’s in het bijzonder, en dit vanuit welbepaalde maatschappelijke en ecologische opvattingen. Dat de acties waartoe in dit verband door of vanuit het FLM werd opgeroepen, niet steeds getuigden van respect voor andermans mening of overtuigingen en bijwijlen zelfs wederrechtelijke handelingen impliceerden, betekent niet dat de vereniging specifiek zou zijn ingericht met het oogmerk om aanslagen op personen of eigendommen te plegen zoals bedoeld door de strafwet.

Op grond van dezelfde motieven kan ook los van het FLM als zodanig het optreden van de beklaagden op 29 mei 2011 niet worden beschouwd als een uiting van bendevorming, en dit ongeacht de vaststelling dat de vernieling van de veldproef een – vooraf geplande en voorbereide – gezamenlijke actie inhield.

De loutere omstandigheid dat de feiten, voorwerp van de telastleggingen D en E, namelijk het kwaadwillig verwoesten van de genetisch gemodificeerde aardappelen op het proefveld en het vernielen van de afsluitingen die dit proefveld beschermden, werden gepleegd door verschillende personen, volstaat alvast niet om te gewagen van bendevorming. De op 29 mei 2011 uitgevoerde actie was immers het resultaat van weliswaar voorafgaand maar voor het overige occasioneel overleg van sommige beklaagden – namelijk de eerste, de tweede en de derde beklaagde – die o.m. via sociale media willekeurige gelijkgezinden (onder wie de vierde tot en met de elfde beklaagde) hebben aangetrokken teneinde uiting te geven aan hun protest tegen ggo’s in het algemeen en aan hun onvrede over het proefveld met genetisch gemodificeerde aardappelen te Wetteren in het bijzonder, zij het dat zij hierbij geen wederrechtelijke middelen schuwden, zoals het vernielen van afsluitingen en het kwaadwillig verwoesten van veldvruchten.

Dit laatste impliceert in de gegeven omstandigheden evenwel niet dat er sprake zou zijn van een vereniging die specifiek – dat wil zeggen opzettelijk – werd ingericht en georganiseerd om aanslagen op personen of eigendommen te plegen.

De telastleggingen A (wat de eerste beklaagde betreft) en B (wat de tweede tot en met de elfde beklaagde betreft) zijn dan ook niet bewezen, zodat de eerste beklaagde wordt vrijgesproken voor de telastlegging A en de tweede tot en met de elfde beklaagde worden vrijgesproken voor de telastlegging B.

7. De vierde beklaagde F.d.S.G. wordt voorts vervolgd wegens weerspannigheid tegen de politie-inspecteurs W.V. en D.P. (art. 269 en 271 Sw.; telastlegging F) en wegens het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen aan de politie-inspecteur W.V. (art. 392, 398 en 280 Sw.; telastlegging G) en aan politie-inspecteur D.P., waarbij de slagen of verwondingen bij deze laatste een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben gehad (art. 392, 399 en 280 Sw.; telastlegging H).

...

De telastleggingen F en G zijn dan ook bewezen in de persoon van de vierde beklaagde F.d.S.G.

...

De telastlegging H is dan ook voor het hof, zoals voor de eerste rechter, niet bewezen gebleven, zodat de vierde beklaagde F.d.S.G. dient te worden vrijgesproken van deze telastlegging.

8. De beklaagden verweren zich voorts door erop te wijzen dat hun gedragingen hoe dan ook gerechtvaardigd en dus niet wederrechtelijk waren, zodat zij geen misdrijven hebben gepleegd. Dit verweer is slechts relevant in zoverre de telastleggingen in het voorliggende arrest bewezen worden verklaard, namelijk met betrekking tot het kwaadwillig verwoesten van veldvruchten (telastlegging D), het vernielen van landelijke afsluitingen (telastlegging E) en daden van weerspannigheid en het opzettelijk toebrengen van slagen, gepleegd tegenover politieagenten (telastleggingen F en G).

8.1. Allereerst voeren de beklaagden aan dat zij zich hebben verweerd tegen een onwettige overheidsdaad, daar de overheid volgens hen op een onwettige wijze de veldproef te Wetteren met ggo’s heeft vergund, zodat hun optreden moet worden gekwalificeerd als een vorm van wettig verzet tegen deze overheidshandeling en bijgevolg gerechtvaardigd is.

De door beklaagden gepleegde misdrijven, zoals hierboven bewezen verklaard, kunnen naar het oordeel van het hof echter geenszins worden beschouwd als een vorm van wettig verzet waardoor het optreden van de beklaagden, in zoverre strafrechtelijk gekwalificeerd en hierboven bewezen verklaard, gerechtvaardigd zou zijn. Hoewel weerstand tegen een onrechtmatige overheidsdaad in uitzonderlijke gevallen kan worden aanvaard als een grond van rechtvaardiging van een als misdrijf gekwalificeerde gedraging die door deze rechtvaardigingsgrond zijn karakter van misdrijf verliest, is dit immers slechts het geval wanneer de door de overheid begane onrechtmatigheid flagrant is en een onverwijlde reactie, bestaande in de als misdrijf gekwalificeerde gedraging, noodzakelijk is. Het hof is aldus van oordeel dat het vernielen van de afsluiting van het proefveld en de verwoesting van de genetisch gemodificeerde aardappelen (telastleggingen D en E) en het hierbij gepleegde geweld tegen de politie (telastleggingen F en G) niet gerechtvaardigd kunnen worden door de onwettigheid waarmee, althans volgens de beklaagden, de gunning van de veldproef zou zijn behept.

Vooraf wijst het hof erop dat de door de beklaagden gepleegde en in onderhavig arrest bewezen verklaarde feiten in wezen waren gericht tegen de veldproef als zodanig, die niet door de overheid maar door het consortium was georganiseerd, en niet tegen de vergunning en de toelating van deze veldproef door de overheid.

Voorts moet worden beklemtoond dat het introduceren van ggo’s in het leefmilieu als zodanig niet absoluut verboden is in België, zij het dat een en ander strikt wordt gereglementeerd, met name door het KB van 21 februari 2005 “tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten”. Het bestaan van een proefveld met ggo’s houdt op zichzelf dan ook niet per definitie een onwettig gegeven in, althans in zoverre dit proefveld werd aangelegd en gegund met toepassing van het bestaande wettelijke kader.

Het staat vast dat hij MB van 4 maart 2011 de in het KB van 21 februari 2005 vereiste toelating werd verleend voor de veldproef te Wetteren, welke toelating aanvankelijk werd verleend om te gelden tot 31 december 2011, maar nadien bij MB werd verlengd tot 31 december 2012. Dit MB van 4 maart 2011 werd nooit ingetrokken, geschorst of vernietigd, hoewel door de vzw Greenpeace Belgium een milieustakingsvordering tegen de veldproef werd ingesteld, die evenwel ongegrond werd verklaard bij beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 1 augustus 2012, rechtsprekend zoals in kort geding.

Dit laatste impliceert als zodanig reeds dat de veldproef te Wetteren – als feitelijk gegeven bij de beoordeling van de thans voorliggende telastleggingen – prima facie niet als onwettig kan worden beschouwd – laat staan dat deze veldproef flagrant onrechtmatig zou zijn, en dit ongeacht de motieven die in de voormelde beschikking van 1 augustus 2012 worden vermeld. Het gedeeltelijke vernielen van de veldproef (en de ermee gepaard gaande misdrijven die thans bewezen worden verklaard) kan dan ook reeds om die reden niet als een vorm van wettig verzet worden beschouwd. Ook uit het feit dat de ggo’s, blijkens de door de beklaagden en de burgerlijke partijen voorgelegde stukken, maatschappelijk en ecologisch een bijzonder omstreden onderwerp blijken in te houden met hevige voor- en tegenstanders, kan niet worden afgeleid dat het voor tegenstanders van ggo’s gerechtvaardigd zou zijn een wettelijk toegelaten proefveld met ggo’s te vernielen – zoals het overigens ook voor de voorstanders van ggo’s niet toegelaten zou zijn om op een illegale wijze op andermans akker ggo’s te introduceren.

De onwettigheid waarmee het MB van 4 maart 2011 volgens de beklaagden zou zijn behept en waarbij zij zich beroepen op de voormelde beschikking van 1 augustus 2012, laat het bovenstaande onverlet en is in wezen zelfs irrelevant voor de beoordeling van de telastleggingen D, E, F en G en de hierbij ingeroepen rechtvaardigingsgrond.

Meer in het bijzonder voeren de beklaagden aan dat het MB van 4 maart 2011 onwettig zou zijn, meer in het bijzonder:

– omdat in het besluit van 4 maart 2011 niet werd gemotiveerd waarom de minderheidsstelling in de Bioveiligheidsraad niet werd gevolgd, waardoor niet zou zijn voldaan aan de formele motiveringsplicht;

– omdat in het besluit van 4 maart 2011 niet wordt ingegaan op het “stap-voor-stapbeginsel” en op de gezondheids- en leefmilieurisicobeoordeling (zie dienaangaande o.m. de voorafgaande overwegingen (24) en (47) van de Richtlijn 2001/18/EG van 12 maart 2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, welke richtlijn door het voormelde KB van 21 februari 2005 in het Belgische recht werd omgezet; zie hierboven i.h.b. art. 1, 3 en 13 van dit KB), waardoor andermaal niet zou zijn voldaan aan de formele motiveringsplicht;

– omdat de samenstelling van de Bioveiligheidsraad die advies diende te verlenen over de aanvraag tot het uitvoeren van de veldproef van die aard zou zijn dat de Bioveiligheidsraad niet als een onpartijdig adviesorgaan kan worden beschouwd, omdat hierin volgens de beklaagden deskundigen zitting hebben die rechtstreekse belanghebbenden zijn bij de veldproeven.

Dienaangaande is het hof van oordeel dat, zelfs in zoverre de voormelde grieven nopens de wettigheid van het MB van 4 maart 2011 correct zouden zijn, dit geenszins zou kunnen worden beschouwd als een flagrante onrechtmatigheid die een onverwijlde reactie, bestaande in de vernieling van het proefveld, rechtvaardigt. De actie van 29 mei 2011 strekte er overigens helemaal niet toe enige illegaliteit van het proefveld te Wetteren aan te klagen, maar louter om uiting te geven aan het protest tegen ggo’s in het algemeen. De zoals in kort geding voor de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent gevoerde procedure die heeft geleid tot de beschikking van 1 augustus 2012, werd overigens pas ingeleid (bovendien niet door de beklaagden maar door de vzw Greenpeace Belgium) op 21 juni 2012, zijnde meer dan een jaar na de protestactie van 29 mei 2011.

In dit verband wijst het hof er nog op dat ook de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, rechtsprekend zoals in kort geding, in de beschikking van 1 augustus 2012 weliswaar van oordeel was dat het MB van 4 maart 2011 formeel onwettig was omdat niet was voldaan aan de motiveringsverplichting, maar desondanks de milieustakingsvordering van de vzw Greenpeace Belgium ongegrond heeft verklaard omdat de veldproef geen concrete aantasting van het milieu bleek op te leveren en de onwettigheid een louter formeel karakter had.

In elk geval kunnen de door de beklaagden gepleegde misdrijven niet worden gerechtvaardigd vanuit de bedenking dat zij “deze onwettigheid en de schade ervan op het milieu aan de kaak willen stellen vanuit de bezorgdheid om het milieubelang en de volksgezondheid te vrijwaren”, noch vanuit de bedenking dat zij “zich aldus genoodzaakt (zagen) om via een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid de onwettigheid bekend te maken aan het brede publiek en tegelijk de schadelijke effecten voor het milieu te doen ophouden”.

Dat het Hof van Beroep te Colmar in Frankrijk recentelijk een arrest heeft gewezen waarbij er in een volgens de beklaagden soortgelijke zaak wel een ontslag van rechtsvervolging werd verleend, laat de bovenstaande overwegingen onverlet.

8.2. Voorts voeren de beklaagden als rechtvaardiging aan dat er in hun persoon sprake was van een noodtoestand, daar de door hen gepleegd misdrijven (in zoverre bewezen) het enige middel inhielden om een hoger rechtsbelang te beschermen.

Noodtoestand vormt alleen dan een rechtvaardigingsgrond als de waarde van wat wordt prijsgegeven lager is dan of gelijk is aan de waarde van het goed dat men wil vrijwaren, het te vrijwaren recht of belang een dadelijk en ernstig gevaar loopt, het kwaad alleen door het misdrijf kan worden voorkomen en de betrokkene de noodtoestand niet zelf heeft doen ontstaan.

Het rechtsgoed dat de beklaagden beoogden te beschermen en dat naar hun eigen zeggen in groot gevaar verkeerde, betreft meer bepaald:

– de bescherming tegen ggo’s die werden aangeplant op een volgens hen niet correct vergund proefveld;

– de bescherming van het leefmilieu (met aandacht voor het verlies van biodiversiteit, toenemend gebruik van pesticiden en herbiciden, onvoorspelbare gevolgen van ggo’s e.d.m.), de volksgezondheid en de economische belangen van kleine en biologische landbouwers;

– het onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek.

Het hof gaat niet verder in op de uitgebreide beschouwingen die de beklaagden wijden aan de voormelde waarden en acht het niet nodig om dienaangaande bijkomende getuigen te horen, daar de door de beklaagden ingeroepen noodtoestand om de hierna volgende redenen hoe dan ook niet kan worden aangenomen.

Er moet immers worden vastgesteld dat, hoe behartigenswaardig de desbetreffende belangen ook mogen zijn, er geenszins een onmiddellijke noodzaak bestond voor de beklaagden om, ter bescherming van deze belangen, de afsluiting van het proefveld te vernielen en de genetisch gemodificeerde aardappelen te verwoesten (telastleggingen D en E) en hierbij geweld te gebruiken tegen de politie (telastleggingen F en G).

Het komt het hof in dit verband niet toe te oordelen over het “nut van de actie”, maar wel over de misdrijven die met deze actie gepaard gingen en die het voorwerp uitmaken van de strafvervolging. In zoverre de beklaagden echter al zouden worden gevolgd in hun standpunt dat – in weerwil van voorafgaande acties, debatten en protesten door diverse actiegroepen – het pas door de actie van 29 mei 2011 is dat het debatklimaat inzake ggo’s fundamenteel is gewijzigd, dan nog kan niet worden aangenomen dat hun actie gepaard diende te gaan met het vernielen van afsluitingen (eerste tot en met vijfde beklaagde), het verwoesten van genetisch gemodificeerde aardappelen die waren aangeplant op het proefveld (alle beklaagden, behalve de vierde en de vijfde beklaagde), en het gebruik van geweld tegen de politie (vierde beklaagde). De beklaagden gaan er dan ook ten onrechte vanuit dat de door hen gepleegde en thans bewezen misdrijven de enige mogelijkheid inhielden om hun standpunt te vertolken, zodat in elk geval niet voldaan is aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit die bij het beoordelen van een aangevoerde noodtoestand in acht moeten worden genomen.

De bedenking dat de bezwaarschriften tegen de vergunning van het proefveld werden verworpen en dat de milieustakingsvordering van Greenpeace tegen het proefveld door de voorzitter van de rechtbank ongegrond werd verklaard en dat verdere juridische stappen, aldus de beklaagden, behalve nutteloos ook onmogelijk waren, betekent voorts niet dat de beklaagden het uiten van hun mening kracht mochten bijzetten door de voormelde misdrijven te plegen, daar deze misdrijven helemaal niet noodzakelijk waren – laat staan dat er een “onmiddellijke noodzaak” zou hebben bestaan – om hun standpunt en hun mening op een gepaste wijze te vertolken.

Ook de omstandigheid dat het proefveld volgens de beklaagden niet regelmatig vergund zou zijn en dat er geen onderzoek naar het volksgezondheidsrisico werd gevoerd, noodzaakte de beklaagden niet om de voormelde misdrijven te plegen.

Het voorgaande klemt temeer daar, zoals eerder reeds werd opgemerkt, de veldproef prima facie zeker niet als flagrant onrechtmatig kan worden beschouwd, daar er hoe dan ook een vergunning voor werd verleend die nooit werd geschorst of vernietigd, en dit terwijl er blijkbaar toch verschillende bezwaarschriften tegen de vergunning waren ingediend en een milieubeweging zelfs een stakingsvordering heeft ingeleid.

...

11.1. De Hogeschool Gent stelde zich burgerlijke partij voor de eerste rechter, waarbij zij de schade ingevolge de aankondiging van de actie (vernieling van de veldproef) op 2.040 euro en de schade ingevolge de actie zelf op 3.016 euro begrootte. Voor de schadepost van 2.040 euro baseert de Hogeschool Gent zich op de telastleggingen A en B, terwijl de schadepost van 3.016 euro door de burgerlijke partij wordt opgesplitst in een gedeelte van 1.275 euro dat op de telastleggingen A en B is gebaseerd, en een gedeelte van 1.741 euro op de telastlegging D wordt gebaseerd.

Dienaangaande vorderde deze burgerlijke partij aldus een hoofdelijke veroordeling (in haar conclusies sporadisch ook in solidum-veroordeling genoemd) van alle beklaagden tot een schadevergoeding van 3.315 euro (zijnde 2.040 euro + 1.275 euro) en van de eerste, de tweede, de derde en de zesde tot en met de elfde beklaagde tot een schadevergoeding van 1.741 euro, dit alles vermeerderd met de rente en kosten, met name de rechtsplegingsvergoeding.

In het verstekvonnis van 12 februari 2013 veroordeelde de eerste rechter de eerste tot en met de elfde beklaagde hoofdelijk tot het betalen van een schadevergoeding van 1.741 euro, vermeerderd met de compensatoire rente vanaf 29 mei 2011 en de moratoire rente en een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij de Hogeschool Gent, waarbij het meer of anders gevorderde werd afgewezen als ongegrond.

Bij het thans bestreden vonnis op verzet van 24 september 2013 veroordeelde de eerste rechter de eerste, de tweede, de derde en de zesde tot en met de elfde beklaagde hoofdelijk tot het betalen van een schadevergoeding van 1.741 euro, vermeerderd met de compensatoire rente vanaf 29 mei 2011 en de moratoire rente en de rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij de Hogeschool Gent, waarbij het meer of anders gevorderde andermaal werd afgewezen als ongegrond.

Thans voor het hof herneemt de burgerlijke partij de Hogeschool Gent haar vordering, zoals gesteld voor de eerste rechter, waaromtrent deze burgerlijke partij incidenteel hoger beroep instelt.

Gelet op de devolutieve werking van het door de beklaagden in eerste aanleg aangetekende verzet, kan aan de burgerlijke partij de Hogeschool Gent evenwel geen hogere schadevergoeding worden toegekend dan die welke de eerste rechter in het verstekvonnis van 12 februari 2013 heeft toegekend. Bovendien werd de vordering van de burgerlijke partij de Hogeschool Gent tegen de vierde en de vijfde beklaagde in het bestreden vonnis op verzet van 24 september 2013 ongegrond verklaard (daar in het bestreden vonnis slechts de eerste, de tweede, de derde en de zesde tot en met de elfde beklaagde werden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de burgerlijke partij de Hogeschool Gent), terwijl de burgerlijke partij hiertegen geen principaal hoger beroep heeft aangetekend en op burgerrechtelijk vlak ook niet als een geïntimeerde kan worden beschouwd op het hoger beroep van de vierde en de vijfde beklaagde, daar het principaal hoger beroep van de beklaagden gericht was (en overigens slechts op een ontvankelijke wijze gericht kon zijn) tegen de beschikkingen te hunnen laste, en dus niet tegen de beslissing waarbij de vordering van de burgerlijke partij de Hogeschool Gent tegen de vierde en de vijfde beklaagde ongegrond werd verklaard. Derhalve is het incidenteel beroep van de burgerlijke partij de Hogeschool Gent onontvankelijk, niet alleen in zoverre het gericht is tegen de vierde en de vijfde beklaagde, maar ook tegen de overige beklaagden, daar ingevolge de devolutieve werking van het door de beklaagde in eerste aanleg aangetekende verzet hoe dan ook geen hogere schadevergoeding kan worden toegekend dan die waartoe de eerste, de tweede, de derde en de zesde tot en met de elfde beklaagde in het bestreden vonnis werden veroordeeld.

Noot: 

• “Les O.G.M., les délinquants et le juge”, RDP 2004, 865-888.

• M. Véron, Droit pénal spécial, Parijs, Sirey, 2012, p 345, nr. 487

noodtoestand:

• L. Dupont en R. Verstraeten, Handboek Belgisch Strafrecht, Leuven, Acco, 1989, p. 227-233, nrs. 380-391;

• C. Van den Wyngaert, B. De Smet en S. Vandromme, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, 242-250.

bendevorming,

• Cass. 4 maart 2014, NC 2014, 148 (overwegingen nrs. 9-10);

• A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 110-112, nr. 126;

• M. De Swaef en M. Traest, “Bendevorming en criminele organisaties” in Comm.Straf., Mechelen, Kluwer, p. 7-10.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 09/12/2015 - 20:23
Laatst aangepast op: wo, 09/12/2015 - 20:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.