-A +A

Occasionele en bijkomstige daden van handelsvertegenwoordiging recht op uitwinningsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 25/04/2006
A.R.: 
45311

De uitoefening van een functie die in belangrijke mate deze van handelsvertegenwoordiger overstijgt, belet niet dat de werknemer occasioneel en bijkomstig daden van handelsvertegenwoordiging kan stellen.

In het geval dat aldus contacten met cliënteel worden onderhouden en dit cliënteel wordt bezocht door de werknemer, vanuit de positie van vertegenwoordiger van de werkgever, doch niet vanuit de veel engere functie van handelsvertegenwoordiger, ontstaat geen recht op een uitwinningsvergoeding.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

In de zaak: S. B., Appellant, Tegen: N.V. INTERDEAN-INTERCONEX, met zetel te 3070 KORTENBERG, Jan Baptist Vinkstraat 9;
Geïntimeerde, 

Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest:

Gelet op:
- de stukken der rechtspleging en ondermeer de dagvaarding voor de Arbeidsrechtbank te Leuven bete-kend aan huidig geïntimeerde op 19 april 1999

I. ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze in-gesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk.

II. VOORWERP EN PROCEDURE.

De bij voormelde dagvaarding ingeleide en bij con-clusie aangepaste vordering beoogt de veroordeling van huidige geïntimeerde tot betaling aan huidig ap-pellant van een bedrag van EUR 18.123,65 t.t.v. saldo verbrekingsvergoeding, EUR 21.898,12 t.t.v. uitwin-ningsvergoeding en EUR 25.000,- t.t.v. schadevergoe-ding wegens rechtsmisbruik meer de wettelijke en ge-rechtelijke intresten tot afgifte van de sociale en fiscale documenten ad hoc, en met verzoek in onder-geschikte orde tot getuigenverhoor i.v.m. het voor-gehouden rechtsmisbruik.

Bij vonnis dd. 18.03.2004 op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven werd de vordering ongegrond verklaard en huidig appellant in de ge-rechtskosten verwezen met inbegrip van de rechtsple-gingvergoeding.

Het hoger beroep beoogt:

"In hoofdorde

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verkla-ren.

Het vonnis a quo te verbreken en te hervormen zodat de NV INTERDEAN wordt veroordeeld tot:
- saldo verbrekingsvergoeding EUR 18.123,65
- uitwinningsvergoeding EUR 21.898,12
- schadevergoeding rechtsmisbruik EUR 25.000,00
te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 26.05.2003 tot en met 10.06.2003 en vanaf 11.06.2003 te vermeerderen met de gerechtelijke intresten.

De reconventionele vordering van de NV INTERDEAN ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

In ondergeschikte orde

Alvorens recht te doen aan S. toe te laten om met alle middelen van recht, waaronder het getuigenver-hoor, aan te tonen dat:
- de klant S. in 2000 tijdens een verkoopsgesprek meldde met de NV INTERDEAN niet meer te willen handelen omwille van prijsafspraakpraktijken,
- S. dit gesprek met (de klant) S. rapporteerde aan de algemeen directeur C. en deze stelde dat S. meer de knepen van het vak moest leren,
- In 2002 C.-C. werd aangebracht door S. en C. trachtte S. aan te zetten de praktijk van prijsaf-spraken ook daar te hanteren, wat S. weigerde,
- Tussen januari en april 2003 de verkopers rappor-teerden over de twijfels van de Europese Commissie en het ministerie van Buitenlandse Zaken over de integriteit van de verhuissector en hun vermoeden dat er valse bestekken in omloop waren, evenals het rapporteren hierover aan C.,
- C. bij en na het ontslag aan de andere werknemers van de NV INTERDEAN meldde dat S. een klacht bij de Europese Commissie zou hebben neergelegd.

Verder met toepassing van artikel 877 Ger.W. de NV INTERDEAN te bevelen om de haar overhandigde docu-menten i.v.m. het onderzoek van de Europese Com-missie en de volledige lijst van de aangebrachte en bezochte klanten door S. over te leggen.

De aflevering van de sociale documenten te bevelen onder verbeurte van een dwangsom van EUR 25,- per dag vertraging per ontbrekend sociaal document.

De NV INTERDEAN te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de dagvaardingskosten en de rechtsplegingvergoeding."

Geïntimeerde verzoekt in eerste besluiten ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 19.05.04:
- "Het hoger beroep ongegrond te verklaren en bijge-volg het vonnis a quo in al zijn onderdelen te be-vestigen.
- Appellant te veroordelen tot de kosten van beide gedingen.
- Akte te nemen van de reconventionele vordering en bijgevolg initieel appellant, geïntimeerde op re-conventie, de heer S. te veroordelen wegens het instellen van tergend en roekeloos beroep ad EUR 6.000 meer de gerechtelijke intresten."

III. DE FEITEN.

Appellant trad op 19.04.1999 in dienst van geïnti-meerde in hoedanigheid van sales manager krachtens een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaal-de tijd d.d. 09.04.1999.

Met aangetekende brief d.d. 26.05.2003 verbrak geïn-timeerde de arbeidsovereenkomst mits een opzeggings-termijn van 8 maanden ingaande op 01.06.2003, doch met vrijstelling van prestaties vanaf 27.05.03, de toekenning van een nog door het sociaal secretariaat te berekenen opzeggingsvergoeding en het behoud van het privé gebruik van de bedrijfswagen tot eind au-gustus 2003.

Appellant ging op 11.06.2003 over tot dagvaarding van geïntimeerde voor de arbeidsrechtbank te Leuven zonder dat blijkbaar vooraf nog contact werd opgeno-men met de werkgever en zodoende geen poging tot minnelijke regeling tussen partijen kon ondernomen worden.

IV. TEN GRONDE.

Het gevorderde saldo verbrekingsvergoeding:

Appellant vordert een verbrekingsvergoeding gelijk aan 10 maanden loon verminderd met het reeds betaal-de of een saldo van EUR 18.123,65.

Artikel 39 ,§1 WAO van 3 juli 1978 bepaalt dat de partij die een voor onbepaalde tijd gesloten over-eenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk vastgestelde opzeg-gingstermijn, de andere partij een vergoeding ver-schuldigd is gelijk aan het met de duur van de op-zeggingstermijn of het resterend gedeelte ervan overeenstemmend lopend loon, met inbegrip van de voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

Artikel 82 ,§ 3 lid 1 WAO bepaalt verder dat wanneer het jaarlijks loon 896.000 BEF = EUR 22.211,26 (aange-past) overschrijdt, de door de werkgever en de be-diende in acht te nemen opzeggingstermijnen vastge-steld worden hetzij bij overeenkomst gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter.

De duur van de opzeggingstermijn voor de hogere be-diende, zal volgens een constante rechtspraak be-paald worden in functie van de op het ogenblik van het ontslag voor deze bediende bestaande mogelijk-heid om spoedig een gelijkwaardige en passende be-trekking te vinden, rekening houdend met zijn anci-enniteit, leeftijd, functie en loon, volgens de ele-menten eigen aan de zaak (cfr. Cass. 8.9.1980, Arr. Cass. 1980-81, 17; Cass. 6.9.1982, JTT 1983, 94; Cass. 3.2.1986, JTT 1987, 58; Cass. 4.2.1991, RW 1990-91, 1407).

Trouwens wordt in de voorbereidende werken van de WAO van 3 juli 1978 duidelijk gesteld dat de rechter zich o.m. moet laten leiden door het bedrag van de bezoldiging, het aantal dienstjaren en de mogelijk-heid om een gelijkwaardige betrekking te vinden (Ka-mer 1952-53, Gedr. St. nr. 449, p.2).

De leeftijd is echter geen absolute factor maar be-langrijk wanneer hij in verhouding staat tot een re-delijke anciënniteit (cfr. Arbrb. Brussel, 15.3.1974, J.T.T. 1975, 206 en 4.12.1979, Med. VBO 1980, 2377; A.H. Luik, 16.2.1982, Rev. gén. Dr. 1984, 317 en 24.3.1986, J.T.T. 1987, 61; Cass. 19.2.1975, Pas. 1975, I, 622 ; A.H. Luik 20.1.2000, J.T.T. 2000, 377).

Voor wat de gewichtigheid van de factor loon betreft moet deze gematigd worden in acht genomen omdat dient rekening te worden gehouden met het feit dat anders een zeer hoge en voordelige bezoldiging de werkgever zal penaliseren in die zin dat de hieruit voortvloeiende hoge opzeggingsvergoeding te wijten zal zijn aan het feit dat een zeer hoge bezoldiging het betrokkene moeilijk maakt een "gelijkwaardige" betrekking te vinden (cfr. Arbrb. Brussel, 14.1.1972, J.T.T. 1972, 89 en A.H. Brussel, 7.6.1974, J.T.T. 1975, 58).

Iedere zaak dient uiteraard afzonderlijk te worden beoordeeld met inachtneming van de wederzijdse be-langen van de partijen op het tijdstip waarop de op-zegging gedaan wordt en met de gegevens eigen aan de zaak (cfr. Cass. 19.1.1977, Arr. Cass. 1977, 561; concl. Adv. gen. Lenaerts voor Cass. 10.1.1983, RW 1983-84, 1201 e.v.; Cass. 9.5.1994, Soc. Kron. 1994, 253, noot Taquet M. Wantiez C., Le caractère forfai-taire des délais et des indemnités de préavis. JTT 1995, 8. W. Van Eeckhoutte: Sociaal Compendium 1999, Kluwer Ced-Samsom 1999, nr. 5.216).

De tekortkoming van een werknemer aan zijn verplich-tingen of de wijze waarop deze de overeenkomst heeft uitgevoerd hebben echter geen (negatieve) invloed op de bepaling van de opzeggingstermijn (cfr. Cass. 23.2.1987, J.T.T. 1987, 265; A.H. Brussel 19.11.1997, J.T.T. 1998, 174).

De "forfaitaire" opzegvergoeding dient immers elke (gewone) schade te compenseren die voortvloeit uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zowel de materiële als de morele (Cfr. A.H. Gent 9.12.1981, Soc. Kron. 1982, 20; Cass. 19.2.1975, Pas. 1975, I, 622).

De samenstelling van het basisloon.

Betreffende de op 09.04.2003 toegekende bonus van EUR 14.778 bruto, uitbetaald in mei 2006 à rato van EUR 5.931,96 netto houdt geïntimeerde voor dat het hier een uitzonderlijke en éénmalige uitbetaling betreft ter compensatie voor de herstructureringen in de loop van het jaar zonder gelinkt te kunnen zijn aan bepaalde "financial incentive plans" gezien de ob-jectieve financiële resultaten dit niet toelieten, en trouwens door art. 4 van de arbeidsovereenkomst bepaald wordt dat: "Er wordt uitdrukkelijk overeen-gekomen dat elke andere bezoldiging of gratificatie die de werkgever bij uitzondering of periodiek aan de werknemer mocht toekennen, buiten het hogerver-melde loon (in art.3) en behoudens tegenstrijdige bepalingen, een gift zal uitmaken en derhalve nooit rechten kan doen ontstaan voor de toekomst".

Geïntimeerde kan bezwaarlijk blijven volhouden dat het hier een loutere gratificatie zou betreffen ge-zien de belangrijkheid van het bedrag en voorname-lijk ook het feit dat zij op het bruto bedrag socia-le zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing heeft ingehouden.

De kwestieuze bonus van EUR 14.778,- dient bijgevolg te worden opgenomen in het basisjaarloon ter bepa-ling van de compenserende verbrekingsvergoeding.

Betreffende de kosten voorziet art.5 van de arbeids-overeenkomst dat: "De gemaakte onkosten worden maan-delijks in cash of per overschrijving vergoed, mits voorlegging van een door de werkgever goedgekeurde onkostennota.

De werknemer zal de aard en de omvang van de onkosten rechtvaardigen door voorlegging van bonnen, facturen, enz.".

Uit de laatste loonafrekeningstaat voor mei 2003 (stuk nr. 6 van appellant), maand waarin appellant ontslagen werd, blijkt dat onder de rubriek "lonen, voordelen en afhoudingen" onder nr. 883 een post "forfaitaire onkosten" is voorzien voor een bedrag van EUR 430,- per maand.

Gezien de forfaitaire aard van deze kosten dient de-ze vergoeding als loon te worden beschouwd, ook ge-zien de belangrijkheid van het bedrag conform een vaste rechtspraak van de arbeidsgerechten (cfr. Ar-brb. Brussel 24.01.1992 J.L.M.B 1992, 1216: Arbh. Antw. 20.11.1978, J.T.T. 1979; Arbh. Gent 25.09.1998 T.G.R. 1998, 236), en zodoende voor het bedrag van EUR 430,- (x12) te worden opgenomen in de samenstelling van het basisloon

Betreffende het voordeel van het privé gebruik van de bedrijfswagen wordt, in tegenstelling tot hetgeen geïntimeerde voorhoudt, in de arbeidsovereenkomst onder art.11 uitdrukkelijk gesteld dat "de werknemer mag de auto die hem ter beschikking gesteld wordt door zijn werkgever kosteloos gebruiken voor per-soonlijke doeleinden", van welk toegekend voordeel niet kan worden afgeweken door een in casu hierom-trent aangehechte dubbelzinnige bijlage die dan ook niet in een voor de werknemer negatieve zin kan wor-den geïnterpreteerd.

Dit voordeel (Alfa Romeo Sportwagon) dient op EUR 400 per maand te worden geëvalueerd.

Betreffende het GSM-voordeel voor privé-gebruik is zoals appellant voorstelt EUR 25,00 per maand zeker niet overdreven.

Betreffende het voordeel van de maaltijdencheques bedraagt dit EUR 985,66 op jaarbasis als werkgevers-aandeel waar, voor de berekening van de opzeggings-vergoeding, geen rekening dient te worden gehouden met al of niet effectief gepresteerde dagen.

Het basisjaarloon bedraagt bijgevolg:
- vast loon 4.336,84 x 13,92 = EUR 60.386,81
- bonus 2002 EUR 14.778,00
- forfaitaire onkosten: 430 x 12 = EUR 5.160,00
- privé-gebruik bedrijfswagen 400 x 12 = EUR 4.800,00
- privé-gebruik GSM 25 x 12 = EUR 300,00
- voordeel maaltijdcheques: EUR 985,66
TOTAAL : EUR 86.410,47

Rekening houdend met de anciënniteit van appellant van 4 jaar en 2 maanden, zijn leeftijd ten tijde van het ontslag van 45 jaar en 10 maanden, zijn functie van sales manager, zijn jaarloon van EUR 86.410,47 en de omstandigheden eigen aan de zaak zoals de talrij-ke felicitaties voor zijn grote inzet, de toegekende bonussen voor bekomen resultaten en de moeilijk-heidsgraad om op zijn leeftijd een passende dienst-betrekking te vinden binnen de beperkte wereld van verhuisbedrijven, is appellant gerechtigd op een verbrekingsvergoeding gelijk aan 10 maanden loon of EUR 72.008,72 bruto, verminderd met het reeds betaalde bedrag van EUR 53.370,08 of een saldo van EUR 18.638,64 bruto.

De uitwinningsvergoeding

Appellant vordert een uitwinningsvergoeding gelijk aan 3 maanden loon volgens hem berekend op EUR 21.898,12.

Hij steunt dit onderdeel van zijn vordering op art. 4, 101 en 105 van de arbeidsovereenkomstenwet van 03.07.1978.

Krachtens art. 4 al. 1 en 2 W.A.O. is een handels-vertegenwoordiger de werknemer die zich verbindt te-gen loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken onder het gezag, voor rekening en in naam van een of meer opdrachtgevers, waarbij niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij stilzwijgen ervan de overeenkomst tussen op-drachtgever en tussenpersoon, welke ook de benaming zij, beschouwd wordt als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger tenzij het tegendeel wordt bewezen.

Art. 101 al.1 en 2 W.A.O. bepaalt dat de werkgever die de overeenkomst zonder dringende reden beëindigt een uitwinningsvergoeding verschuldigd is aan de handelsvertegenwoordiger met een minimum anciënni-teit van één jaar en die een cliënteel heeft aange-bracht tenzij de werkgever bewijst dat voor de han-delsvertegenwoordiger geen nadeel volgt uit de be-eindiging van de arbeidsovereenkomst.
Het Hof van Cassatie (Cass. 06.02.1970 Arr. Cass. 1970,52) omschrijft de uitwinningsvergoeding als een schadeloosstelling van een specifiek nadeel dat met name veroorzaakt is door een verlies aan cliënteel.

Benevens de vier gecumuleerde voorwaarden van voor-meld art. 101 dient eveneens nog aan een vijfde al-gemene voorwaarde vallend onder titel IV W.A.O. te worden voldaan.

Zo bepaalt art.88 W.A.O. inderdaad dat op de bepa-lingen van deze titel, waaronder art.101, zich al-leen kan beroepen de handelsvertegenwoordiger die in dienst wordt genomen om op bestendige wijze zijn be-roep uit te oefenen, zelfs indien hij door zijn werkgever wordt belast met bijkomstig werk dat van een andere aard is dan de handelsvertegenwoordiging, welk voordeel niet wordt verleend aan de bediende die er af en toe mede wordt belast, samen met zijn arbeid binnen de onderneming stappen te doen bij het cliënteel.

Bovendien houdt de vereiste van "tewerkstelling als handelsvertegenwoordiger" in dat de werknemer als handelsvertegenwoordiger tewerkgesteld moet geweest zijn en dit nog steeds was op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (Petit J. "De uitwinningsvergoeding voor handelsvertegenwoordiger, 15 jaar rechtspraak" (1980-94) T.J.R. 1994/3, 325).

Betreffende zijn hoedanigheid van handelsvertegen-woordiger verwijst appellant vooreerst naar art. 10 van de arbeidsovereenkomst dat inderdaad een niet-concurrentiebeding bevat, doch waarin alleen sprake is van een tijdelijk verbod tot het uitoefenen van dezelfde of enige gelijkaardige commerciële activi-teit m.b.t. zijn functie van sales manager.

Verder verwijst appellant betreffende kwestieuze hoedanigheid naar de sollicitatieaankondiging en de jobbeschrijving (stukken 7 en 8) met volgende inhoud (vertaald):

Betrekking in het organisme

De sales manager brent rapport uit aan de General Manager, gevestigd te Zaventem, en aan de Group In-ternational Moving Manager, gevestigd te Londen. Hij houdt toezicht op vier Handelsvertegenwoordigers.

"Verantwoordelijkheid

De sales manager zal betrokken zijn in het volgende:
- public relations
- vertegenwoordiging van de firma bij recepties en evenementen georganiseerd door vreemde ambassades en handelskamers
- de verkoop van de diensten van de firma aan nieu-we klanten
- contacten met bestaande klanten
- voorbereiding van prijsnoteringen
- waarborgen dat de verrichtingen van de verhuizers beantwoorden aan de normen
- opvolging van de verhuizingen

De geselecteerde kandidaat zal gedurende een week een opleiding volgen te Parijs. Hij zal tevens twee-maal per jaar deelnemen aan internationale handels-ontmoetingen."

Hieruit kan echter alleen worden afgeleid dat de ef-fectieve functie die appellant uitoefende bij geïn-timeerde deze van handelsvertegenwoordiger in be-langrijke mate oversteeg, wat niet wegneemt dat hij inderdaad eerder occasioneel en bijkomstig doch ze-ker niet op bestendige wijze daden van handelsverte-genwoordiging heeft gesteld met goed gevolg, zoals uit de stukken van zijn dossier blijkt.

Dat hij met een veel ruimer algemene functie dan de-ze van handelsvertegenwoordiger was belast blijkt alleen reeds uit het feit dat hij rechtstreeks rap-porteerde aan de General Manager zowel te Zaventem als te Londen en hij het werk van vier handelsverte-genwoordigers superviseerde.

Dat hij daarbij contacten onderhield met het cliën-teel en dit dan ook bezocht is uiteraard logisch vanuit zijn positie van vertegenwoordiger van de werkgever, doch niet vanuit een veel engere functie van handelsvertegenwoordiger, zoals bepaald in art. 4 W.A.O. ondanks de inhoud van art. 12 van de ar-beidsovereenkomst, waarin trouwens alleen sprake is van "de werknemer" in het algemeen.

Zodoende dient de appellant op dit onderdeel van zijn vordering te worden afgewezen.

Het rechtsmisbruik

Appellant vordert een morele schadevergoeding ten bedrage van EUR 25.000,00 wegens misbruik van ontslag-recht.

Hij houdt voor onverwacht te zijn ontslagen zonder enige geldige reden waarbij geïntimeerde haar ont-slagrecht heeft gebruikt op een wijze die volledig afwijkt van elke economische en sociale finaliteit.

Volgens appellant was zijn ontslag het gevolg van het feit dat hij kritiek leverde op de volgens hem door geïntimeerde gehanteerde illegale praktijken bestaande uit tussen de verschillende concurrerende bedrijven gemaakte prijsafspraken waaromtrent trou-wens door de Europese Commissie een onderzoek wordt ingesteld en appellant in ondergeschikte orde het bewijs door getuigen aanbiedt.

De mogelijkheid voor zowel de werkgever als de werk-nemer om een voor onbepaalde duur afgesloten ar-beidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen mits nale-ving van de wettelijke bepalingen ter zake kan wor-den afgeleid uit artikel 7 van de AOW van 3 juli 1978 en is daarenboven uitdrukkelijk voorzien in ar-tikel 37 van deze wet.

Echter is het zo dat het verbrekingsrecht dient uit-geoefend te worden in het belang van de onderneming en de werkgever dit recht niet mag gebruiken zonder rechtmatig belang op gevaar af er misbruik van te maken (cfr. T. Claeys Tome I Ced. Samsom p. 1. 6. 2/1 nr. 480).

Deze stelling is gebaseerd op het begrip van "vast-heid van betrekking" dat niet uitdrukkelijk in de wet op de arbeidsovereenkomsten is voorzien, maar waarin de doelstelling van de wetgever duidelijk blijkt bij de parlementaire bespreking ervan: "Door de bestendige en nauwgezette vermenigvuldiging van nieuwe regels streeft de wetgever ernaar aan de werknemer een grotere vastheid van betrekking en een grotere zekerheid van arbeidsinkomen te bezorgen" (Gedr.St., Kamer 1968-69 nr. 270, 18).

Misbruik van recht bestaat dan ook uit de uitoefe-ning van een subjectief recht met het oogmerk te schaden, of zonder enig rechtmatig belang, of zelfs met enig belang, maar waardoor de andere partij overdreven benadeeld wordt; uit de uitoefening van het recht waardoor aan tegenpartij zulkdanige schade wordt veroorzaakt dat deze onevenredig is met het hieruit behaalde voordeel (onevenredigheidscriterium) of waardoor wordt afgeweken van het doel zelf van dit recht finaliteitscriterium) of wanneer dit recht niet wordt uitgeoefend zoals een normaal voor-zichtig en redelijk houder ervan dit in dezelfde feitelijke omstandigheden zou aanwenden (cfr. Gedr. St. Kamer 1968-69 nr. 270, 18; Cornelis L., Onderzoek naar de principiële grondslag van het misbruik van ontslagrecht in het kader van de arbeidsovereen-komsten voor bedienden, in Actuele Problemen van het Arbeidsrecht, Antwerpen 1984, 79 e.v.; Rauws W.: Be-hoort het rechtsmisbruik in overeenkomsten, inzon-derheid het ontslag van bedienden tot de rechtsge-schiedenis? RW 1983-84, 287-289; Vannes V. en Le-clercq M., L'Abus du droit de licenciement dans le contrat de travail d'employé, Permanence du droit civil en droit du travail, 307-346; Cass. 19.9.1983 JTT. 1984, 57; AH Antwerpen, 21.3.1983 RW 1983-84, 299 en 8.2.1985 Soc.Kron. 1986, 168; AH Luik 20.10.1982, TSR 1983, 119 en 13.9.1984, Jur. Liège 1985, 313 - JTT 1985, 247 en 20.6.1985, JTT 1986, 281, en 13.9.1990, Soc. Kron. 1992, 106 met noot van Jacqmain J.; Arbrb. Brussel 18.10.1982, Soc. Kron. 1983, 199; Arbrb. Gent 20.12.1971, JTT 1972, 171).

De opzeggingsvergoeding dekt forfaitair elke schade die voortvloeit uit de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zowel de materiële als de morele schade (cfr. AH Gent 9.12.1981, Soc. Kron. 1982, 20; Cass. 19.2.1975, Pas. 1975, I, 622; A.H. Luik 20.1.2000, J.T.T. 2000, 377).

De geleden schade door het verlies van betrekking wordt dan ook forfaitair vergoed door de opzeggings-vergoeding, terwijl de vergoeding wegens rechtsmis-bruik de buitengewone schade zal dekken die onder-scheiden is van die welke veroorzaakt wordt door het ontslag zelf (cfr. AH Brussel 8.1.1991, RSR 1991, 187, AH Mons 14.5.1992, Soc.Kron. 1993, 72).

Misbruik van ontslagrecht zal dan ook een element van schuld impliceren zodat naast de fout ook de schade evenals het causaal verband tussen beide dient te worden bewezen door de partij die het mis-bruik van recht inroept voor wat de bediendecontrac-ten betreft in tegenstelling tot de in artikel 63 WAO voorziene regeling i.v.m. willekeurige afdanking in de arbeidsovereenkomsten voor werklieden.

De werkgever is echter niet verplicht het ontslag te motiveren (Cass. 4.5.1985, Soc. Kron. 1985, 142).

Zelfs indien het ontslag gemotiveerd is hebben de arbeidsgerechten zich nochtans niet uit te spreken over de opportuniteit van de genomen ontslagbeslis-sing maar dienen enkel het bestaan van het ingeroe-pen motief te controleren en na te gaan of de werke-lijke reden van het ontslag overeenstemt met de door de werkgever ingeroepen reden (cfr. Jamoulle, R.J.C.B. 1978, p. 649).

De afwezigheid van enige fout in hoofde van de werk-nemer betekent daarbij nog niet dat er sprake is van een abusief ontslag (cfr. W. Van Eeckhoutte en ande-re, Overzicht van rechtspraak in Arbeidsovereenkom-sten 1976-87, T.P.R. 1989, 863, nr. 398).

Algemeen kan bijgevolg worden gesteld dat van rechtsmisbruik sprake is wanneer een recht wordt uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een redelijk, voorzichtig en zorgzaam persoon (cfr. Cass. 10.9.1971, R.W. 1971-72, 321, Concl. Proc. gen.
Ganshof van der Meersch).

Volgens geïntimeerde werd de beslissing tot het ont-slag van appellant alleen ingegeven door de conjunc-tuur en de sluiting van de vestiging te Antwerpen waardoor de voorkeur naar een andere sales manager ging.

Appellant zal echter bezwaarlijk ook met getuigen het echte motief van de ontslagbeslissing kunnen be-wijzen, om welke reden dit aanbod wordt afgewezen en waarbij bovendien nog rekening dient te worden ge-houden met het geheim van het lopende strafonder-zoek.

Wat echter onmiddellijk opvalt is de inhoud van de brief van geïntimeerde d.d.09.04.2003 die luidt als volgt: " ..... Het verheugt ons jou te kunnen melden dat Interdean Interconex jou een 'incentive' kan toekennen van EURO 14.778 bruto. Wij danken jou voor de inspanningen die hebben bijgedragen tot het beha-len van dit resultaat en rekenen op jouw verdere in-zet voor 2003.", om daarna te moeten vaststellen dat appellant op 26.05.2003 plots ontslagen werd wat in deze context, gezien de uitstekende resultaten van appellant en zijn zeer goede relaties met geïnti-meerde en met de NV INTERDEAN in het algemeen zoals uit de stukken blijkt, alles behalve ernstig is te noemen, zodat in deze omstandigheden dient te worden besloten dat appellant zonder geldige reden werd ontslagen ondanks de latere ingeroepen redenen die dan ook eerder worden aangewend voor de noodwendig-heden van de zaak zoals terecht door appellant wordt voorgehouden.

Appellant is zodoende conform de voormelde recht-spraak en rechtsleer gerechtigd op een morele scha-devergoeding door het Hof bepaald op EUR 5.000.

Reconventionele vordering:

Gezien hetgeen voorafgaat is deze door geïntimeerde lastens appellant ingestelde vordering ten bedrage van 6.000 EUR wegens tergend en roekeloos beroep ont-vankelijk, doch ongegrond.

Afgifte van de sociale en fiscale documenten:

Deze dienen inderdaad dringend en aangepast aan de inhoud van huidig arrest te worden overgemaakt aan appellant.
Het hoger beroep is zodoende deels gegrond.

OM DEZE REDENEN,
HET ARBEIDSHOF,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewij-zigd, inzonderheid op artikel 24,
Rechtsprekend op tegenspraak,
Alle andere middelen en conclusies verwerpende,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zoals volgt.
Vernietigt het vonnis a quo.
Opnieuw wijzend,
Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellant van:
- het bruto bedrag van EUR 18.638,64 (achttienduizend zeshonderd achtendertig euro en vierenzestig cent) t.t.v. saldo verbrekingsvergoeding, meer de wette-lijke en gerechtelijke intresten op het overeen-stemmende netto bedrag.
- het bedrag van EUR 5.000,- (vijfduizend euro) t.t.v. morele schadevergoeding, meer de gerechte-lijke intresten.
Veroordeelt geïntimeerde tot onmiddellijke afgifte van de aangepaste sociale en fiscale documenten.
Wijst appellant af van het meer gevorderde.
Verklaart de reconventionele vordering ongegrond.
Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden als volgt begroot:
Voor appellant:- dagvaarding- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep- uitgavenvergoeding EUR 140,55EUR 205,26EUR 285,57EUR 59,49
Voor geïntimeerde:- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep kosten expeditie EUR 200,79EUR 267,73EUR 92,05
Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare te-rechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op vijfentwintig april tweeduizend en zes.
 

Noot: 

Gepubliceerd in RABG 2006, 1030 + noot Dirk Van Strijthem en Katrien De Lat blz 1040. Eveneens gerangschikt onder II DN 101.
RECHTSPRAAK ANTWERPEN BRUSSEL GENT  DE LAT,KATRIEN 2006(P.1030-1035)

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 02/01/2018 - 13:01
Laatst aangepast op: di, 02/01/2018 - 13:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.