-A +A

Nutsvoorzieningen bevoegdheid vrederechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 10/11/2016

De vrederechter neemt kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag 1.860 EUR niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt, inzonderheid de vorderingen bedoeld in de artikelen 569 tot 571, 573, 574 en 578 tot 583.”

“De vrederechter neemt kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag 2.500 EUR niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt, inzonderheid de vorderingen bedoeld in de artikelen 569 tot 571, 572bis, 573, 574 en 578 tot 583.”

Het in dat artikel vermelde bedrag kan worden aangepast (art. 590, derde tot zesde lid, ingevoegd bij art. 132, 2°, van de wet van 30 juli 2013 “betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank”).

Artikel 591, 25° van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 11 van de wet van 26 maart 2014 “tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties met het oog op de toekenning van bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies”, bepaalt:

“Ongeacht het bedrag van de vordering, neemt de vrederechter kennis:

25° van alle vorderingen betreffende de invordering van een geldsom die zijn ingesteld door een leverancier van elektriciteit, gas, warmte of water of door een persoon die een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een omroeptransmissie- of omroepdienst aanbiedt tegen een natuurlijke persoon die geen onderneming is als bedoeld in artikel 573, eerste lid, 1°, omdat deze in gebreke blijft een levering van een nutsvoorziening door de hiervoor vermelde leverancier of persoon te betalen.”

Die bepaling breidt de bevoegdheid van de vrederechter uit tot alle “geschillen tussen nutsbedrijven en kleine consumenten”, die “bij uitstek tot de problematiek van armoede [behoren]”, zodat “de globale problematiek met kennis van zaken behandeld kan worden door een en dezelfde rechter, die aldus ook een zeker beleid kan voeren”. Zij vertrouwt op die manier aan de vrederechter een “actievere rol [toe] op het vlak van armoedebestrijding, schuldbeheer en bemiddeling, die daartoe de meest geschikte rechter is als nabijheids- en verzoeningsrechter” (Parl.St. Kamer 2013-14, Doc. 53-3076/002, p. 2; ibid., Doc. 53-3076/004, p. 6-7, 25).

Die uitbreiding van de bevoegdheid van de “rechter die dichter staat bij de rechtzoekende schuldenaar” (Parl.St. Kamer 2013-14, Doc. 53-3076/004, p. 27), tot alle geschillen die betrekking hebben op de niet-betaling van facturen die voortvloeien uit prestaties van nutsvoorzieningen (CRIV, Kamer, 30 januari 2014, p. 43), laat ook toe “de werkoverlast bij de rechtbanken van eerste aanleg [weg te werken]” (Parl.St. Kamer 2013-14, Doc. 53-3076/004, p. 27).

Bovendien past de in het geding zijnde bepaling in een wetsontwerp dat tot doel heeft aan het vredegerecht een contentieux toe te wijzen dat natuurlijk is voor het vredegerecht en dat het op zich kan nemen, en dat uitgaat van de idee dat “bij een geschil, in de mate van het mogelijke de meest geschikte rechter om een snelle en kwaliteitsvolle beslissing te wijzen wordt uitgekozen”, met dien verstande dat “verder doorgevoerde specialisatie van de rechtscolleges […] de kwaliteit van de beslissingen [zal] verhogen” (Parl.St. Senaat 2013-14, nr. 5-2465/2, p. 2).

In die context wordt de vrederechter, “als nabijheidsrechter”, beschouwd als “het best geplaatst om een kwalitatieve beslissing te nemen” met betrekking tot het contentieux dat voortvloeit uit de niet-betaling van nutsvoorzieningen die worden geleverd door “nutsbedrijven”, “rekening houdende met de specifieke situatie van de verweerder, die vaak in een zwakkere positie zal staan in verhouding tot de eiser” (ibid., p. 3).

De overdracht van een schuldvordering wijzigt als zodanig niet de aard van de schuldvordering, noch de financiële situatie van de gecedeerde schuldenaar.

De overdracht, door een elektriciteits- of gasleverancier, van de schuldvordering die hij heeft ten aanzien van een persoon die in gebreke blijft hem de prijs van die leveringen te betalen, wijzigt dus niet de situatie van die laatste.

Bijgevolg is het, rekening houdend met de overwegingen waarop de in B.4. vermelde doelstelling berust, niet redelijk verantwoord aan de vrederechter de bevoegdheid toe te wijzen om kennis te nemen van elke vordering ingesteld door een elektriciteits- of gasleverancier tegen een natuurlijke persoon als bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, zonder tegelijkertijd die bevoegdheid van de vrederechter uit te breiden tot elke vordering die wordt ingesteld door de overnemer van de schuldvordering van die leverancier.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/6
Pagina: 
443
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(V.F. NV / L.W., F.G. en V.D. - Rolnrs.: 6195, 6196, 6197 en 6219)

(-)

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
a. Bij drie vonnissen van 27 maart 2015 in zake de NV “V.F.” tegen respectievelijk L.W., F.G. en V.D., waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 6 mei 2015, heeft de arrondissementsrechtbank Henegouwen de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt artikel 591, 25° van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het is ingevoerd bij artikel 11 van de wet van 26 maart 2014, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door hetzij de vrederechter, hetzij de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid toe te wijzen om kennis te nemen van een vordering met betrekking tot de betaling van facturen in verband met leveringen van nutsvoorzieningen in de zin van die bepaling, waarvan het bedrag hoger is dan de bevoegdheid 'ratione summae' van de vrederechter, ingesteld 'tegen een natuurlijke persoon die geen onderneming is als bedoeld in artikel 573, eerste lid, 1°', naargelang de rechtsvordering is ingesteld door een leverancier van nutsvoorzieningen of door een derde aan wie die leverancier zijn schuldvordering zou hebben overgedragen?”

b. Bij vonnis van 2 juni 2015 in zake de NV “V.F.” tegen B.A.A., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 juni 2015, heeft de vrederechter van het kanton Edingen-Lens dezelfde prejudiciële vraag gesteld.

Die zaken, ingeschreven onder de nrs. 6195, 6196, 6197 en 6219 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(…)

III. In rechte
(…)

B.1.1. Artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

“De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen.

Indien de verweerder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg betwist, kan de eiser, vóór de sluiting van de debatten, de verwijzing vorderen van de zaak naar de arrondissementsrechtbank, die uitspraak doet zoals bepaald is in de artikelen 641 en 642.

[…].”

B.1.2. Tot 31 augustus 2014 bepaalde artikel 590, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek:

“De vrederechter neemt kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag 1.860 EUR niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt, inzonderheid de vorderingen bedoeld in de artikelen 569 tot 571, 573, 574 en 578 tot 583.”

Sinds 1 september 2014 bepaalt datzelfde artikel:

“De vrederechter neemt kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag 2.500 EUR niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt, inzonderheid de vorderingen bedoeld in de artikelen 569 tot 571, 572bis, 573, 574 en 578 tot 583.”

Het in dat artikel vermelde bedrag kan worden aangepast (art. 590, derde tot zesde lid, ingevoegd bij art. 132, 2°, van de wet van 30 juli 2013 “betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank”).

B.2. Artikel 591, 25° van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 11 van de wet van 26 maart 2014 “tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties met het oog op de toekenning van bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies”, bepaalt:

“Ongeacht het bedrag van de vordering, neemt de vrederechter kennis:

[…]

25° van alle vorderingen betreffende de invordering van een geldsom die zijn ingesteld door een leverancier van elektriciteit, gas, warmte of water of door een persoon die een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een omroeptransmissie- of omroepdienst aanbiedt tegen een natuurlijke persoon die geen onderneming is als bedoeld in artikel 573, eerste lid, 1°, omdat deze in gebreke blijft een levering van een nutsvoorziening door de hiervoor vermelde leverancier of persoon te betalen.”

Die bepaling is op 1 juli 2014 in werking getreden (art. 17 van de wet van 26 maart 2014).

B.3. De verwijzende rechtscolleges stellen aan het Hof eenzelfde prejudiciële vraag:

“Schendt artikel 591, 25° van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het is ingevoerd bij artikel 11 van de wet van 26 maart 2014, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door hetzij de vrederechter, hetzij de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid toe te wijzen om kennis te nemen van een vordering met betrekking tot de betaling van facturen in verband met leveringen van nutsvoorzieningen in de zin van die bepaling, waarvan het bedrag hoger is dan de bevoegdheid 'ratione summae' van de vrederechter, ingesteld 'tegen een natuurlijke persoon die geen onderneming is als bedoeld in artikel 573, eerste lid, 1°', naargelang de rechtsvordering is ingesteld door een leverancier van nutsvoorzieningen of door een derde aan wie die leverancier zijn schuldvordering zou hebben overgedragen?”

B.4.1. De in het geding zijnde bepaling werd aangenomen naar aanleiding van de vaststelling dat de “financieel-economische crisis” tot gevolg heeft dat “vele burgers hun nutsvoorzieningen niet meer [kunnen] betalen” (Parl.St. Kamer 2013-14, Doc. 53-3076/002, p. 2; ibid., Doc. 53-3076/004, p. 6).

Die bepaling breidt de bevoegdheid van de vrederechter uit tot alle “geschillen tussen nutsbedrijven en kleine consumenten”, die “bij uitstek tot de problematiek van armoede [behoren]”, zodat “de globale problematiek met kennis van zaken behandeld kan worden door een en dezelfde rechter, die aldus ook een zeker beleid kan voeren”. Zij vertrouwt op die manier aan de vrederechter een “actievere rol [toe] op het vlak van armoedebestrijding, schuldbeheer en bemiddeling, die daartoe de meest geschikte rechter is als nabijheids- en verzoeningsrechter” (Parl.St. Kamer 2013-14, Doc. 53-3076/002, p. 2; ibid., Doc. 53-3076/004, p. 6-7, 25).

Die uitbreiding van de bevoegdheid van de “rechter die dichter staat bij de rechtzoekende schuldenaar” (Parl.St. Kamer 2013-14, Doc. 53-3076/004, p. 27), tot alle geschillen die betrekking hebben op de niet-betaling van facturen die voortvloeien uit prestaties van nutsvoorzieningen (CRIV, Kamer, 30 januari 2014, p. 43), laat ook toe “de werkoverlast bij de rechtbanken van eerste aanleg [weg te werken]” (Parl.St. Kamer 2013-14, Doc. 53-3076/004, p. 27).

B.4.2. Bovendien past de in het geding zijnde bepaling in een wetsontwerp dat tot doel heeft aan het vredegerecht een contentieux toe te wijzen dat natuurlijk is voor het vredegerecht en dat het op zich kan nemen, en dat uitgaat van de idee dat “bij een geschil, in de mate van het mogelijke de meest geschikte rechter om een snelle en kwaliteitsvolle beslissing te wijzen wordt uitgekozen”, met dien verstande dat “verder doorgevoerde specialisatie van de rechtscolleges […] de kwaliteit van de beslissingen [zal] verhogen” (Parl.St. Senaat 2013-14, nr. 5-2465/2, p. 2).

In die context wordt de vrederechter, “als nabijheidsrechter”, beschouwd als “het best geplaatst om een kwalitatieve beslissing te nemen” met betrekking tot het contentieux dat voortvloeit uit de niet-betaling van nutsvoorzieningen die worden geleverd door “nutsbedrijven”, “rekening houdende met de specifieke situatie van de verweerder, die vaak in een zwakkere positie zal staan in verhouding tot de eiser” (ibid., p. 3).

B.5. De overdracht van een schuldvordering wijzigt als zodanig niet de aard van de schuldvordering, noch de financiële situatie van de gecedeerde schuldenaar.

De overdracht, door een elektriciteits- of gasleverancier, van de schuldvordering die hij heeft ten aanzien van een persoon die in gebreke blijft hem de prijs van die leveringen te betalen, wijzigt dus niet de situatie van die laatste.

B.6. Bijgevolg is het, rekening houdend met de overwegingen waarop de in B.4. vermelde doelstelling berust, niet redelijk verantwoord aan de vrederechter de bevoegdheid toe te wijzen om kennis te nemen van elke vordering ingesteld door een elektriciteits- of gasleverancier tegen een natuurlijke persoon als bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, zonder tegelijkertijd die bevoegdheid van de vrederechter uit te breiden tot elke vordering die wordt ingesteld door de overnemer van de schuldvordering van die leverancier.

B.7. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

B.8. Aangezien de in B.6. gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen waardoor de in het geding zijnde bepaling kan worden toegepast met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de schending van die normen.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht:

Artikel 591, 25° van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 11 van de wet van 26 maart 2014 “tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties met het oog op de toekenning van bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies”, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de bevoegdheid van de vrederechter niet uitbreidt tot de vordering ingesteld door de overnemer van een schuldvordering die in handen was van een elektriciteits- of gasleverancier en die betrekking had op de betaling, door een natuurlijke persoon die geen onderneming is als bedoeld in artikel 573, eerste lid, 1° van het voormelde wetboek, van een geldsom die verschuldigd is voor de levering van gas of elektriciteit.

Noot: 

Zie Arrondissementsrechtbank Antwerpen, 13 januari 2015, NJW, 2015, 326, 553, met noot Claudia Van Severen, Bevoegdheidsperikelen: de eerste rechter heeft niet altijd het laatste woord:

Opdat de rechtbank ambtshalve een middel van materiële onbevoegdheid zou opwerpen dient aan de volgende voorwaarden cumulatief voldaan te zijn:

1° Het middel mag niet door één van de procespartijen opgeworpen zijn.
2° Het middel van onbevoegdheid raakt de openbare orde of moet in een bijzondere wettekst vermeld staan,
3) Het middel van onbevoegdheid wordt opgeworpen in het eerste vonnis dat in de zaak is gewezen.
Zie (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers & P. Thirar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen-Oxford, Intersentia 2012, 3° uitgave, p. 315, 743).
Wanneer een zaak met akkoord van de partijen door de Vrederechter naar de rechtbank van koophandel is gezonden, deed de Vrederechter geen uitspraak over zijn bevoegdheid, zodat deze beslissing tot verzending geen gezag van gewijsde heeft en de rechtsmacht over de bevoegdheid nog niet is uitgeput.

Wanneer een zaak op verzoek van partijen naar een andere rechtbank wordt verzonden, is dit geen bindende verwijzing, in de zin van artikel 660, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. Het gaat immers niet om een rechterlijke beslissing en partijen kunnen over de materiële bevoegdheid geen overeenkomsten sluiten. De zaak kan dan ook terug verzonden worden (rb. Antwerpen 25 oktober 2012, RW 2013-2014, p. 33).
De rechter naar wie de zaak op akkoord werd verwezen, dient ambtshalve zijn bevoegdheid te onderzoeken.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 20/07/2017 - 15:42
Laatst aangepast op: do, 20/07/2017 - 15:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.