-A +A

non bis in idem, drugs, witwasen, SUO

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 21/10/2009
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2010/07
Pagina: 
454
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Bestreden beslissingen en voorgaanden
Het vonnis, met notitienummer GE 75.96.369-96 en griffienummer 2001/1535, op tegenspraak ten aanzien van beklaagde N.K. uitgesproken door de 19de kamer (3
rechters) van de rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Gent d.d. 20 april 2001, rechtsprekend in correctionele zaken, had onder meer als volgt beslist:

Op strafrechtelijk gebied
De lastens de beklaagde N.K. ten laste gelegde feiten E.4, F.3.a en G.3 worden heromschreven als volgt:
E.4
Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder hun bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als daders of mededaders zoals voorzien door artikel 66 van het Strafwetboek.
Bij inbreuk op artikel 505, 1ste lid, 2° Sw. (oud) thans strafbaar gesteld bij artikel 505, 1ste lid, 2° Sw., zaken bedoeld in artikel 42, 3° Sw. te hebben gekocht, in
ruil of om niet te hebben ontvangen, in bezit, bewaring of beheer te hebben genomen,
ofschoon hij de oorsprong ervan kende of moest kennen, nl. een niet nader te bepalen bedrag tussen 2.939.165 BEF en 3.918.887 BEF te 9000 Gent, bij het wisselkantoor NV TOP CHANGE, op 23 december 1994.

Bij inbreuk op artikel 505, 1ste lid, 2° Sw. (oud) thans strafbaar gesteld bij artikel 505, 1ste lid, 2° Sw., zaken bedoeld in artikel 42, 3° Sw. te hebben gekocht, in
ruil of om niet te hebben ontvangen, in bezit, bewaring of beheer te hebben genomen,
ofschoon hij de oorsprong ervan kende of moest kennen, nl. een niet nader te bepalen bedrag tussen 24.226.906 BEF en 32.302.542 BEF te 9000 Gent, bij het
wisselkantoor NV DE MAERTELAERE, op meerdere data tussen 2 november 1994 en 28 december 1994.
G.3
Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder hun bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader zoals voorzien door artikel 66 van het Strafwetboek.
Bij inbreuk op artikel 505, 1ste lid, 2°, 3°, 4°, 2de lid, 3de lid en 5de lid Sw., zaken bedoeld in artikel 42, 3° Sw.
– te hebben gekocht, in ruil of om niet te hebben ontvangen, in bezit, bewaring of beheer te hebben genomen, ofschoon zij de oorsprong ervan kennen of moesten kennen;
– omgezet of overgedragen te hebben met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf, waaruit deze zaken voorkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden;
– de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding-verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3° Sw., bedoelde zaken te hebben verheeld of verhuld, ofschoon zij de
oorsprong ervan kenden of moesten kennen;
nl. een niet nader te bepalen bedrag tussen 31.086.768 BEF en 41.449.024 BEF te 9000 Gent, bij het wisselkantoor NV TOP CHANGE, op meerdere data tussen
20 mei 1995 en 13 februari 1996;
Veroordeelt de vijfde beklaagde, N.K., voor de hierboven omschreven, heromschreven en bewezen verklaarde betichtingen E.4, F.3.a-b en G.3, samen,
(…)
Tegen voormeld vonnis werd onder meer hoger beroep ingesteld:
Het arrest, met notitienummer GE 75.96.369-96, parketnummer 678/01 en arrestnummer 95196, op tegenspraak ten aanzien van beklaagde N.K. uitgesproken door de 6de kamer van het hof van beroep te Gent, rechtdoende in correctionele zaken, had onder meer als volgt beslist:
(…)
Bevestigt de bestreden vonnissen d.d. 20 april 2001 en 15 april 2002 in de mate dat:
(…)
Hervormt het bestreden vonnis van 20 april 2001 als volgt:
(…)
Tegen voormeld arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 15 maart 2005 werd onder meer beroep in cassatie ingesteld door beklaagde N.K.
Het Hof van Cassatie, bij arrest d.d. 27 november 2007, P050583N, besliste als volgt:
Vernietigt het bestreden arrest van 15 maart 2005 in zoverre de eiseres N.K. wordt veroordeeld.
(…)
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
(…)
6. Beklaagde werd in Nederland door definitief vonnis van de politierechter van de arrondissementsrechtbank te Middelburg op 11 december 1998 veroordeeld voor:
– A. medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd van 1 oktober 1994 tot en met 1 mei 1995, te Terneuzen
– B. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B of C van de Opiumwet gegeven verbod, van 1 oktober 1994 tot en met
10 februari 1997, te Terneuzen tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van TWEE jaren.
De feiten van opzetheling, zoals omschreven in Nederland, hebben betrekking op feiten van witwassen. De feiten van opzetheling, waarvoor beklaagde in Nederland
veroordeeld werd, zijn beperkter in tijd dan de vervolgingen in het Rijk voor witwassen. (…)
7. Uit de stukken van het dossier, en de behandeling ter terechtzitting blijkt dat beklaagde gelden die door haar in Nederland in het kader van het stellen van omwisselverrichtingen van gelden uit vreemde valuta verworven werden (een eerste witwashandeling), vervolgens terug omwisselde in het Rijk (een tweede witwashandeling).
Beklaagde erkende geweten te hebben, dan wel te hebben kunnen vermoeden, omdat “het er gewoon bijhoorde” (sic) (KAFT 3/7, stuk 27-28), dat deze gelden
afkomstig waren uit het drugsmilieu. De in het Rijk gestelde witwasverrichtingen werden gesteld met de eerder verworven gelden, waaromtrent eerder gestelde feiten van opzetheling gepleegd werden, die reeds beoordeeld werden in het vonnis van de politierechter van het arrondissementsparket te Middelburg.
Artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst (19 juni 1990, verder: SUO) bepaalt dat een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, door een andere overeenkomstsluitende partij niet kan worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.
Het vonnis van de politierechter van de arrondissementsrechtbank te Middelburg voldoet aan die voorwaarden, nu het onherroepelijk is. De straf is als ondergaan aan te merken, dan wel kan ze niet meer ten uitvoer gelegd worden. De feiten van opzetheling, waarvoor beklaagde in Nederland bij het voormelde vonnis
werd veroordeeld, zijn ten aanzien van de feiten vervolgd onder de tenlasteleggingen E.4 en F.3.a en F.3.b aan te merken als dezelfde feiten, in de zin van artikel
54 SUO. Het handelt om het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met mekaar verbonden zijn, precies omdat het handelt om verrichtingen met dezelfde omgewisselde (drugs)gelden en in dezelfde tijdsperiode, en deze feiten perfect in de typologie van de witwasser thuis horen, welke laatste de band tussen het uit een basismisdrijf verworven geld en de uiteindelijke bestemming van dat geld tracht door te knippen door dit te verbergen of te verdoezelen, bijvoorbeeld door het om te zetten in andere valuta. Deze handelingen zijn, precies gelet op de doelstelling van een witwasser, innig en onlosmakelijk met mekaar verbonden, hoewel op te merken is dat de veroordeling in Nederland betrekking had op feiten in Nederland. 8. Door de elementen van het strafdossier die aan de beoordeling van het hof voorliggen, en na hernieuwd onderzoek door dit hof gedaan, blijkt dat de strafvordering voor de vervolging van de feiten der tenlasteleggingen E.4, F.3.a en F.3.b niet ontvankelijk is, gelet op artikel 54 SUO.
9. De omschrijving van de tenlastelegging G.3 is te actualiseren als volgt (…) ingevolge de wet van 10 mei 2007,
(…)
10. Artikel 3 van de Opiumwet (NL) bepaalt:
“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, 5e lid: A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen.”
Uit het afschrift van het Nederlandse strafdossier blijkt dat beklaagde in 1996 softdrugs verkocht.
De feiten van witwassen van de tenlastelegging G.3 zijn ten aanzien van de feiten vervolgd in Nederland in de periode van mei 1995 tot februari 1996 onder de tenlastelegging B “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3,
aanhef en onder B of C van de Opiumwet gegeven verbod” evenwel niet aan te merken als dezelfde feiten in de zin van artikel 54 SUO. Witwassen van gelden, zelfs
voortkomende uit drugshandel, valt alhier te onderscheiden van het (mede) stellen van daden van inbreuken op artikel 3 van de Opiumwet. Voor de in de tenlastelegging G.3 vermelde gelden is in Nederland geen veroordeling gevolgd voor opzetheling. Verhandelen van verdovende middelen, of het medeplegen ervan, in Nederland is een ander feit dan het witwassen van drugsgelden. Er is op dit punt geen gelijkheid van materiële feiten.
Evenmin kan aanvaard worden dat er een onlosmakelijke band bestaat tussen de feiten van opzetheling die de Middelburgse politierechter bewezen verklaarde, en de feiten beoogd in tenlastelegging G.3. Het betreft onderscheiden feiten, en de eenheid van opzet, zoals bedoeld in artikel 65, 2de lid van het Strafwetboek kan enkel doorgevoerd worden met een Belgische definitieve beslissing.
(…)
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Waar aanwezig waren: K. Transaux, voorzitter; G. De Pauw en M. Sterkens, raadsheren;
P. Van Ingelgem advocaat-generaal.

Noot: Peter HOET, Eenheid van opzet en het ‘idem’ van het ne bis in idem-beginsel van artikel 54 van het SUO in RABG 2010/07, 458, lees deze noot mùet paswoord jurisquare

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 30/05/2010 - 21:16
Laatst aangepast op: zo, 30/05/2010 - 21:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.