-A +A

Non bis in idem-beginsel in fiscale zaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 24/02/2015

Krachtens het algemene rechtsbeginsel non bis in idem en krachtens artikel 14, 7. I.V.B.P.R. mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

Dit verbod van een tweede berechting of bestraffing veronderstelt dat de beide berechtingen of bestraffingen betrekking hebben op eenzelfde persoon en dat de eerste berechting of bestraffing op het ogenblik van de tweede berechting of bestraffing is afgesloten met een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land definitief is .

Twee straffen zijn mogelijk als de ene sanctie juridisch de vennootschap treft en de andere de natuurlijke persoon

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/19
Pagina: 
1343
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(S. NV / Belgische Staat - Rolnr.: 2013/AR/3391)

(…)

1. Voorafgaande feiten en procedure
(…)

2. Bespreking
(…)

Eiseres in hoger beroep maakt met betrekking tot voormelde facturen toepassing van de vrijstellingsregeling van artikel 39, § 1, 1° WBTW.

Artikel 39 WBTW voorziet in een algemene vrijstelling voor de uitvoer van goederen buiten het btw-gebied van de Europese Gemeenschap.

De belastingplichtige die zich beroept op de vrijstelling van btw bij uitvoer, moet aantonen dat de voorwaarden daartoe vervuld zijn, en dus dat de verkochte goederen (diamanten) werden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de EG (art. 39, § 1, 2° WBTW).

Eiseres in hoger beroep faalt desbetreffende in de op haar berustende bewijslast.

In het voormelde proces-verbaal wordt uitdrukkelijk verwezen naar het strafonderzoek gevoerd lastens X. notitienummer AN (…) waarvan de belastingadministratie regelmatig inzage had genomen. Bij correctioneel vonnis van 6 december 2007 deed de correctionele rechtbank te Antwerpen uitspraak in voormeld strafdossier. De in het proces-verbaal opgesomde fictieve uitvoeren werden vermeld onder A.I.k en C.XI. De heer X., zaakvoerder van eiseres in hoger beroep werd in de strafprocedure aangeduid als 15de inverdenkingstelde en werd hoofdens de vermengde feiten A.I.k en C.XI veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden met uitstel van strafuitvoering voor een termijn van 3 jaar. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan bij gebrek aan hoger beroep van partijen.

Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt erga omnes doch alleen voor wat de rechter zeker en noodzakelijk heeft beslist en tenzij een derde kan aantonen dat de strafrechtelijke uitspraak foutief is.

Uit het vonnis van de correctionele rechtbank d.d. 6 december 2007 blijkt dat diverse Antwerpse diamantairs in het verleden diamanten in het zwart hebben verkocht, waarbij precies het tijdstip en de identiteit van de afnemers onbekend zijn gebleven. Tevens blijkt uit voormeld strafvonnis dat de opgestelde facturen dienden om de boekhouding in evenwicht te brengen en om op die manier het tijdstip en de identiteit van de afnemers van de zwarte verkopen verborgen te houden.

Het correctioneel vonnis stelt uitdrukkelijk dat het vaststaat dat de verkoop van diamanten niet werd aangegeven en dat beklaagden dit toegeven maar hun werkelijke afnemers niet wensen te noemen. Om hun boekhouding in evenwicht te brengen hebben zij een constructie opgezet met de fictieve uitvoer van diamanten waarvoor valse facturen werden opgemaakt die de zogezegde klanten nadien per bankoverschrijving betaalden.

Het staat dan ook vast, in tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep beweert, dat er werkelijke verkopen aan de grondslag lagen van de opgestelde valse facturen en dat die werkelijke verkopen niet werden aangegeven. De bedoeling van het opstellen van de valse facturen bestond er precies in om de werkelijke afnemers en het tijdstip van de zwarte verkopen verborgen te houden.

Op basis van de gegevens van het strafonderzoek blijkt dan ook dat de belastingadministratie terecht stelt dat er middels medewerking van verschillende personen een fraudecircuit werd opgezet dat het mogelijk maakte via geënsceneerde exporten, werkelijke verkopen in de boekhouding op te nemen zonder de ware identiteit van de kopers noch de bestemming van de goederen prijs te geven.

Bijgevolg staat het dan ook vast dat er enerzijds weldegelijk werkelijke verkopen van diamanten waren en anderzijds middels voormelde facturen een constructie opgezet werd met fictieve uitvoer van diamanten.

Bijgevolg had eiseres in hoger beroep ten onrechte gefactureerd met toepassing van de vrijstellingsregelling.

Overeenkomstig artikel 15, § 7 WBTW wordt behoudens tegenbewijs de levering van een roerend goed geacht in België plaats te vinden wanneer op het tijdstip van de levering, één der bij de levering betrokken partijen er een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.

Nu door de belastingplichtige een belastbare levering in België werd verricht is de belastingplichtige overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het WBTW de btw verschuldigd. Artikel 51, § 1, 3° WBTW is te dezen dan ook niet ter zake dienend.

Bovendien kon bij gebrek aan enig ander concreet gegeven de belastingadministratie er rechtsgeldig van uitgaan dat de belastbare feiten zich hadden voorgedaan bij het uitreiken van voormelde facturen en voor de waarde hierop vermeld. Dit geldt des te meer aangezien de facturen stukken betreffen die uitgingen van eiseres in hoger beroep zelf en het opstellen van de fictieve facturen juist bedoeld was om de boekhouding in evenwicht te brengen en de zwarte verkopen te verdoezelen.

Uit het correctioneel vonnis kan tevens, in tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep voorhoudt, met betrekking tot de hier in betwisting zijnde facturen niet worden afgeleid dat de zwarte leveringen (die werkelijk plaatsvonden) noodzakelijk en/of steeds de opgestelde facturen voorafgingen omdat de boekhouding niet in evenwicht was.

Wat betreft het tijdstip van de zwarte leveringen steunt eiseres in hoger beroep zich slechts op beweringen, zonder enig controleerbaar en positief bewijs bij te brengen wanneer er dan volgens haar effectief is geleverd.

De vordering van eiseres in hoger beroep is derhalve ongegrond.

2.3. De administratieve geldboete
(…)

Op grond van de vaststellingen gedaan door de belastingadministratie blijkt dat eiseres in hoger beroep fraude heeft gepleegd en door het opstellen van fictieve facturen en het gebruik ervan actief heeft meegewerkt aan de fraude en het verdoezelen van zwarte verkopen van diamanten en dit met de bedrieglijke bedoeling de werkelijke klanten af te schermen en alzo belasting te ontduiken of belastingontduiking mogelijk te maken, zodat de opgelegde boete, niet onevenredig is gelet op de aard en de ernst van de feiten en dan ook niet dient verminderd te worden.

Krachtens het algemene rechtsbeginsel non bis in idem en krachtens artikel 14, 7. I.V.B.P.R. mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Dit verbod van een tweede berechting of bestraffing veronderstelt dat de beide berechtingen of bestraffingen betrekking hebben op eenzelfde persoon en dat de eerste berechting of bestraffing op het ogenblik van de tweede berechting of bestraffing is afgesloten met een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land definitief is (vgl. Cass. (2de k.) 3 januari 2012, AR P.11.0894.N, www.cass.be).

Twee straffen zijn mogelijk als de ene sanctie juridisch de vennootschap treft en de andere de natuurlijke persoon (EHRM 20 mei 2014, nr. 35232/11, Pirttimäki / Finland).

Te dezen is voorwaarde van identiteit van de vervolgde personen niet vervuld, zodat het ne bis in idem-beginsel niet speelt (Cass. 27 maart 2013, P.12.1945.F, www.cass.be en Cass. 12 november 2010, F.09.0067.N, www.cass.be). In de strafrechtelijke procedure werd de natuurlijke persoon gestraft en in de huidige burgerlijke procedure is het de vennootschap die werd gestraft.

(…)

 

Noot: 

Soetaert, F. en Vandepitte, C., « Het “non bis in idem”-beginsel in fiscale zaken », R.A.B.G., 2015/19, p. 1346-1351

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/07/2017 - 20:15
Laatst aangepast op: ma, 10/07/2017 - 20:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.