-A +A

Nieuwe aanslag na eerdere vernietigde aanslag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 26/05/2016
A.R.: 
F.14.0154.N

Een nieuwe aanslag is slechts mogelijk wanneer de aanslag vernietigd wordt wegens de schending van een wettelijke procedureregel, maar is mogelijk wanneer de aanslag geheel of ten dele nietig wordt verklaard omwille van verjaring; wanneer de oorspronkelijke aanslag wordt vernietigd wegens willekeur, is een nieuwe aanslag slechts mogelijk indien die willekeur betrekking heeft op de wijze van vaststelling van de belastbare grondslag, en is een nieuwe aanslag niet mogelijk indien de willekeur betrekking heeft op het bestaan van de belastbare grondslag.

Het feit dat in een nieuwe indiciaire aanslag na nietigverklaring van de oorspronkelijke indiciaire aanslag, als tekenen en indiciën waaruit een hogere gegoedheid blijkt, andere uitgaven of inkomsten worden weerhouden dan in de nietig verklaarde aanslag, heeft niet tot gevolg dat de nieuwe aanslag een andere belastbare grondslag heeft.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/19
Pagina: 
1415
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

R.C., S.F. / Belgische Staat - Rolnr.: F.14.0154.N)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 25 februari 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1. Krachtens artikel 355, eerste lid, WIB92, zoals toepasselijk voor het aanslagjaar 1997, kan de administratie, wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingplichtige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen.

Uit die wetsbepaling volgt dat een nieuwe aanslag slechts mogelijk is wanneer de aanslag vernietigd wordt wegens de schending van een wettelijke procedureregel, maar niet mogelijk is wanneer de aanslag geheel of ten dele nietig wordt verklaard omwille van verjaring. Wanneer de oorspronkelijke aanslag wordt vernietigd wegens willekeur, is een nieuwe aanslag slechts mogelijk indien die willekeur betrekking heeft op de wijze van vaststelling van de belastbare grondslag, en is een nieuwe aanslag niet mogelijk indien de willekeur betrekking heeft op het bestaan van de belastbare grondslag.

2. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

de oorspronkelijke aanslag vernietigd werd omdat de belastbare grondslag op een willekeurige wijze werd vastgesteld: het bleek niet welke gegevens de administratie had aangewend om de kosten van voeding en drank te bepalen;
artikel 355 WIB92 de administratie verplicht om tot taxatie over te gaan op grond van dezelfde belastingelementen of een gedeelte ervan; wanneer een aanslag wordt nietig verklaard omwille van willekeur is de administratie verplicht om een nieuwe aanslag te vestigen op de belastingelementen die niet willekeurig zijn;
de administratie bij het vestigen van de nieuwe aanslag geen bedrag voor voeding en drank in aanmerking genomen heeft als te verantwoorden uitgave; dit was het enige element dat door de vernietigingsrechter als willekeurig is weerhouden;
bovendien op generlei wijze aannemelijk wordt gemaakt dat er op enig ander punt sprake zou zijn van willekeur; meer bepaald blijkt uit geen enkel element dat de restaurantkosten en de autokosten willekeurig zouden vastgesteld zijn; deze worden namelijk geraamd op basis van cijfers die door de belastingplichtigen zelf werden opgegeven als beroepskosten en waarvan het beroepskarakter deels is verworpen;
de aanslag gevestigd is op basis van de belastingelementen die niet zijn aangetast door willekeur.
3. De appelrechters die aldus oordelen dat de nieuwe aanslag niet nietig moet worden verklaard vermits de reden voor de vernietiging van de oorspronkelijke aanslag wegens willekeur niet is hernomen en de nieuwe aanslag gevestigd is op basis van de belastingelementen die niet zijn aangetast door willekeur, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

4. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 375 en 377 WIB92 zonder aan te duiden op welke wijze en waardoor zij worden geschonden, is het onnauwkeurig en mitsdien niet ontvankelijk.

5. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 23 en 28 Gerechtelijk Wetboek is het niet ontvankelijk: het gezag van gewijsde van beslissingen inzake directe belastingen vindt zijn wettelijke grondslag niet in die wetsbepalingen.

Tweede onderdeel
6. Krachtens artikel 355, eerste lid, WIB92, zoals toepasselijk voor het aanslagjaar 1997, kan de administratie, wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingplichtige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen.

Met dezelfde belastingelementen worden bedoeld alle positieve en negatieve materiële elementen die de belastbare grondslag vormen.

7. Krachtens artikel 341 WIB92 mag de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.

Tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt zijn feitelijke gegevens die, tot tegenbewijs, een wettelijk vermoeden opleveren dat de daarmee gemoeide bedragen afkomstig zijn van belastbare inkomsten die tijdens de belastbare periode werden verkregen door de belastingplichtige.

Tekenen en indiciën van grotere gegoedheid strekken aldus slechts tot bewijs van de belastbare grondslag, maar zijn op zich geen elementen waaruit de belastbare grondslag is samengesteld.

8. Het feit dat in een nieuwe indiciaire aanslag, als tekenen en indiciën waaruit een hogere gegoedheid blijkt, andere uitgaven of inkomsten worden weerhouden dan in de nietig verklaarde aanslag, heeft niet tot gevolg dat de nieuwe aanslag een andere belastbare grondslag heeft.

9. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel
10. Met betrekking tot de voorraadtoename stellen de appelrechters vast en oordelen zij dat:

de voorraad gestegen is in 1996 van 1.204.179 BEF naar 4.997.027 BEF;
het verschil als een te weerhouden uitgave is weerhouden;
bij de berekening van de voorraadtoename wel degelijk rekening werd gehouden met het feit dat een aantal leveranciers in 1996 nog niet werden betaald;
in die mate het indiciair tekort werd verminderd door een bedrag van in totaal 565.599 BEF als inkomsten op te nemen in de indiciaire afrekening;
de voorraadtoename bijgevolg correct werd berekend en als indicie in aanmerking kan worden genomen.
11. De appelrechters verwerpen en beantwoorden aldus het verweer van de eisers dat in de kennisgeving van aanslag van ambtswege naar een foutieve beweging openstaande leveranciers wordt verwezen en dat tal van facturen van leveranciers van 2006 in 2007 werden betaald.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

12. In zoverre het middel het Hof verder noopt tot een onderzoek van feiten, waartoe het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

13. In zoverre het middel aanvoert dat de bewijskracht van de stukken van de eisers wordt miskend, zonder precies aan te duiden om welke stukken het gaat en hoe de bewijskracht ervan wordt miskend, is het niet ontvankelijk.

Derde middel
14. De appelrechters stellen vast en oordelen dat de indiciaire afrekeningen die de eisers voorleggen louter eenzijdig zijn en niet aan de hand van stukken worden gestaafd, en dat het loutere beweringen zijn waaruit het tegenbewijs niet kan afgeleid worden.

15. Zij verwerpen en beantwoorden aldus het verweer van de eisers dat uit de door hen opgestelde vermogensafrekening over de periode van 1987 tot en met 1995 een jaarlijks spaartegoed blijkt dat een eventueel indiciair tekort kan verantwoorden.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

16. In zoverre het middel miskenning aanvoert van de bewijskracht van de stukken van de eisers, zonder aan te duiden om welke stukken het gaat en hoe de bewijskracht ervan wordt miskend, is het niet ontvankelijk.

17. In zoverre het middel het Hof verder verplicht tot een onderzoek van feiten, waartoe het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 349,92 EUR.

F.14.0154.N
Conclusie van advocaat-generaal Thijs:

1. Onderhavige betwisting betreft de lastens eiseres overeenkomstig artikel 355 WIB92 gevestigde nieuwe aanslag in de personenbelasting over aanslagjaar 1997 nadat de oorspronkelijke aanslag bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 mei 2009 vernietigd werd wegens willekeur omdat in de indiciaire afrekening bij het bepalen van de kosten van levensonderhoud geen rekening werd gehouden met de concrete uitgaven.

Bij het vestigen van de nieuwe aanslag werden de kosten van levensonderhoud niet langer als indicie weerhouden.

Zowel in bezwaar als in eerste aanleg en in graad van beroep werden de grieven van eisers tegen de bestreden nieuwe aanslag verworpen.

2. In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren eisers aan dat een inkomen dat werd vastgesteld bij wijze van indiciaire taxatie, één inkomen vormt. Om die reden leidt het willekeurig karakter van één of meer indiciën volgens de eisers tot de definitieve nietigheid van de volledige indiciaire aanslag en kan geen nieuwe, niet-willekeurige aanslag worden gevestigd. Volgens de eisers beslist het hof van beroep in het bestreden arrest dan ook niet wettig dat de administratie gerechtigd was een nieuwe aanslag te vestigen overeenkomstig artikel 355 WIB92(1).

De stelling van de eisers houdt in dat op grond van artikel 355 WIB92 geen nieuwe, niet-willekeurige aanslag kan worden gevestigd nadat de eerste aanslag nietig is verklaard omwille van het willekeurig karakter van één of meer tekenen of indiciën aan de hand waarvan de belastbare grondslag werd geraamd met toepassing van artikel 341 WIB92.

3. Overeenkomstig artikel 355 WIB92 kan de administratie, wanneer een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen.

Hieruit volgt dat als een aanslag is vernietigd wegens schending van een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, een nieuwe aanslag kan worden gevestigd op grond van dezelfde belastingelementen of een gedeelte ervan.

Naar analogie met artikel 356 WIB92, omvat de in artikel 355 WIB92 gebruikte notie «dezelfde belastingelementen», alle positieve en negatieve materiële elementen die bijdragen tot de samenstelling van de belastbare grondslag(2).

4. Uit de rechtspraak van Uw Hof volgt dat de administratie op grond van artikel 355 WIB92, slechts tot hertaxatie kan overgaan wanneer de aanslag vernietigd of ontheven wordt wegens de schending van een wettelijke regel. Hertaxatie is daarentegen uitgesloten indien de aanslag is vernietigd of ontheven omdat de directeur of de fiscale rechter oordeelt dat de door de fiscus belaste inkomsten niet bestaan of niet belastbaar zijn of dat de door de belastingschuldige aangegeven bedrijfslasten, die door de belastingadministratie werden verworpen, wel degelijk fiscaal aftrekbaar zijn(3).

In mijn conclusie bij het arrest van Uw Hof van 10 december 2009 kreeg ik reeds de gelegenheid het standpunt te verdedigen dat hertaxatie ook mogelijk is wanneer de aanslag werd vernietigd wegens willekeur, met dien verstande dat een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, de situatie waarin de willekeur betrekking heeft op de wijze waarop de belastbare materie werd vastgesteld, in welk geval hertaxatie mogelijk is, en anderzijds, de situatie waarin de willekeur verband houdt met het bestaan van de belastbare materie zelf, in welk geval hertaxatie is uitgesloten:

"Hertaxatie is dus niet mogelijk wanneer de directeur de aanslag ontheft of vernietigt omdat hij oordeelt dat de administratie ten onrechte positieve belastingelementen (belastbare inkomsten) in aanmerking heeft genomen, of ten onrechte negatieve belastingelementen (aftrekbare kosten) heeft verworpen. In dat geval is de vernietiging of ontheffing mijns inziens niet het gevolg van de schending van een wettelijke regel, maar wel van de verkeerde feitelijke inschatting van de elementen van de belastbare grondslag. De directeur of de fiscale rechter beperken de belasting in dat geval tot de belasting die overeenstemt met de werkelijk bestaande belastbare grondslag. Zij vernietigen in dat geval de aanslag niet zonder meer, maar stellen het bedrag van de verschuldigde belasting vast. Wanneer de directeur of de rechter daarentegen niet oordeelt over de omvang van de belastbare grondslag, en dus het bestaan van de belastbare materie niet ontkent, maar de aanslag vernietigt wegens de niet-naleving van de wettelijke voorschriften, is hertaxatie wel mogelijk ook al bestaat de niet naleving van de wettelijke voorschriften in de willekeurige vaststelling van de belastbare grondslag(4). Willekeur belet mijns inziens de hertaxatie niet voor zover de directeur of de rechter niet oordeelt dat de belastbare materie niet bestaat"(5).

Uit de rechtspraak van Uw Hof volgt derhalve niet dat de vernietiging van een aanslag wegens willekeur ipso facto tot gevolg heeft dat geen nieuwe aanslag meer kan worden gevestigd.

Vanuit dezelfde optiek oordeelde Uw Hof recent dat niets de administratie belet om een subsidiaire aanslag te vestigen op basis van dezelfde belastingelementen of een gedeelte ervan wanneer de initiële aanslag werd vernietigd omdat de spreiding in de tijd van de belastbare meerinkomsten willekeurig werd bepaald. De willekeur die door de rechter werd vastgesteld hield immers geen verband met de belastbare materie zelf, maar wel met de wijze waarop de belastbare grondslag door de administratie werd vastgesteld(6).

Bij arrest van 10 december 2009 oordeelde Uw hof in dezelfde zin dat de administratie een nieuwe aanslag kon vestigen na de vernietiging van de oorspronkelijke aanslag wegens willekeur omdat de administratie bij de verwerping van de door de belastingplichtige aangegeven beroepskosten de procedureregels niet had nageleefd door het bedrag van die kosten ambtshalve te verminderen zonder terzake enige opmerking te maken(7).

5. Bij arrest van 22 mei 2015 sloot Uw Hof zich aan bij mijn conclusie waar het oordeelde dat wanneer de oorspronkelijke aanslag wordt vernietigd wegens willekeur, een nieuwe aanslag slechts mogelijk is, indien die willekeur betrekking heeft op de wijze van vaststelling van de belastbare grondslag, en is een nieuwe aanslag niet mogelijk indien de willekeur betrekking heeft op het bestaan van de belastbare grondslag.

In die zaak had het Hof van Beroep te Gent bij tussenarrest de nietigheid van de oorspronkelijk aanslag uitgesproken wegens willekeur die erin bestond dat de aanslag was gevestigd zonder rekening te houden met enkele gekende en bewezen beroepskosten van eiseres.

De willekeur hield aldus geen verband met het bestaan van de belastbare materie als dusdanig, maar wel met de wijze waarop de belastbare grondslag was vastgesteld.

Door in de subsidiaire aanslag wel rekening te houden met die gekende en bewezen beroepskosten, werd die willekeur verholpen en kon de administratie aldus wettig, op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de oorspronkelijke aanslag, een subsidiaire aanslag vestigen overeenkomstig artikel 356 WIB92.

6. In de gevallen waarin een op grond van tekenen en indiciën (artikel 341 WIB92) gevestigde aanslag werd vernietigd wegens willekeurige vaststelling van welbepaalde indiciën van gegoedheid uit de vermogensafrekening, kan de administratie overeenkomstig artikel 355 WIB92 overgaan tot hertaxatie waarbij zij de door willekeur aangetaste elementen uit de vermogensafrekening dient te weren(8).

In tegenstelling tot hetgeen eisers in cassatie stellen, vormt een inkomen dat wordt vastgesteld bij wijze van indiciaire taxatie immers niet één ondeelbaar inkomen, doch bestaat dit uit verschillende positieve en negatieve materiële elementen.

Dat een indiciair inkomen één inkomen zou zijn, waarvan de willekeurige vaststelling niet zou kunnen worden vervangen door een niet-willekeurige vaststelling, blijkt niet uit de wet en strookt niet met de door de eisers op p. 5 van hun voorziening beschreven bedoeling van de wetgever.

In dit kader weze opgemerkt dat het hof van beroep van Antwerpen in zijn arrest van 5 mei 2009 bij de vernietiging van de oorspronkelijke aanslag trouwens niet het indiciair inkomen als willekeurig heeft bestempeld, doch slechts één element van de indiciaire afrekening (kosten van voeding en drank). Het hof van beroep oordeelde hieromtrent dat dergelijk willekeurig vastgesteld bedrag niet dienstig is als element ter bepaling van de belastbare grondslag. De andere indiciaire elementen werden door het hof van beroep daarentegen niet als willekeurig bestempeld.

7. Verweerder wijst er in zijn memorie van antwoord terecht op dat de indiciaire taxatie een bewijsmiddel is.

De weerhouden willekeur hield in casu geen verband met het bestaan zelf van de belastbare materie als dusdanig, maar wel met de wijze waarop de belastbare grondslag was vastgesteld.

Het bestaan zelf van belastbare inkomsten die verband hielden met de beroepswerkzaamheid van eiseres als uitbaatster van een magazijnwinkel onder de vorm van een éénmanszaak, werd immers niet in vraag gesteld, enkel de omvang van de uit hoofde van die beroepswerkzaamheid verworven inkomsten.

Voor het vestigen van een nieuwe aanslag bij toepassing van artikel 355 WIB92 mag de administratie het bewijs van de belastbare inkomsten leveren aan de hand van dezelfde bewijsmiddelen als die welke zij aanwendde voor het vestigen van de oorspronkelijke aanslag, in zoverre de gerechtelijke uitspraak tot vernietiging van de oorspronkelijke aanslag zich hiertegen niet verzet.

8. In het bestreden arrest stelt het hof van beroep vooreerst vast dat het hof van beroep te Antwerpen in zijn arrest van 5 mei 2009 besliste dat de eerste aanslag willekeurig was gevestigd omdat niet bleek welke gegevens de administratie had aangewend om de kosten van voeding en drank te bepalen, en uit niets bleek dat de bedragen werkelijk aangepast waren aan en gebaseerd waren op de concrete levensomstandigheden van de belastingplichtigen. Een dergelijk willekeurig vastgesteld bedrag was volgens het hof van beroep te Antwerpen niet dienstig als element ter bepaling van de belastbare grondslag en een rechtvaardiging post factum kon de willekeur niet opheffen(9).

Vervolgens overweegt het hof van beroep dat wanneer een aanslag nietig werd verklaard omwille van willekeur, de administratie verplicht is een nieuwe aanslag te vestigen op de belastingelementen die niet willekeurig zijn vastgesteld.

Het hof van beroep stelt ter zake vast dat:
- de administratie bij het vestigen van de nieuwe aanslag geen bedrag voor voeding en drank in aanmerking heeft genomen als te verantwoorden uitgave;
- dit het enige element was dat door het hof van beroep als willekeurig werd weerhouden;
- bovendien niet aannemelijk wordt gemaakt dat er op enig ander punt sprake zou kunnen zijn van willekeur;
- meer bepaald uit geen enkel element blijkt dat de restaurantkosten en de autokosten willekeurig zouden zijn vastgesteld, maar die kosten werden geraamd op basis van cijfers die door de belastingplichtigen zelf werden opgegeven als beroepskosten en waarvan het beroepskarakter deels werd verworpen;
- de nieuwe aanslag aldus werd gevestigd op basis van die belastingelementen die niet zijn aangetast door willekeur(10).

Op grond van die vaststellingen besliste het hof van beroep wettig dat geen sprake is van een schending van het gezag van gewijsde en dat de nieuwe aanslag om die reden niet nietig kan worden verklaard.

Het middel, dat uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat het vestigen van een nieuwe aanslag met toepassing van artikel 355 WIB92 uitgesloten is indien de initiële aanslag werd vernietigd omwille van willekeur in de vaststelling van welbepaalde indiciën in de in het kader van artikel 341 WIB92 opgestelde indiciaire afrekening, faalt naar recht.

9. In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren eisers aan dat het hof van beroep niet wettig beslist dat de hertaxatie werd gevestigd op grond van dezelfde belastingelementen of een deel ervan, zoals vereist door artikel 355 WIB92, aangezien in de indiciaire afrekening bij de hertaxatie:
- enkele te verantwoorden uitgaven worden weggelaten, met name de rubrieken "voeding en drank ouders", "voeding en drank kinderen", "studentenkamer Diepenbeek", "inschrijvingsgeld hoger onderwijs 2 kinderen", "restaurantkosten", "reiskosten" en "verzekering brand/inboedel/familiale";
- de te verantwoorden uitgave "autokosten scorpio" wordt verhoogd;
- de inkomsten uit "beweging openstaande leveranciers" worden verminderd als gevolg van een rekenfout.

10. Zoals hoger gesteld, is het aanwenden van tekenen en indiciën van gegoedheid als vermoeden een bewijsmiddel dat door de administratie kan worden gebruikt om de belastbare grondslag te ramen.

In artikel 341 WIB92 worden met 'tekenen of indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt' feitelijke gegevens bedoeld die, tot tegenbewijs, een wettelijk vermoeden opleveren dat de daarmee gemoeide bedragen afkomstig zijn van belastbare inkomsten die tijdens de belastbare periode werden verkregen door de belastingplichtige.

Nieuwe uitgaven mogen in de nieuwe indiciaire aanslag als indiciën worden aanvaard, net zoals nieuwe inkomsten mogen aangewend worden als verantwoording voor zover de belastbare grondslag van de nieuwe aanslag niet hoger is dan deze van de vernietigde aanslag.

Uit het bestreden arrest blijkt dat de nietig verklaarde aanslag en de nieuwe aanslag berusten op een indiciaire afrekening, dat de posten voeding en drank, inschrijvingsgeld hoger onderwijs en studentenkamer Diepenbeek, die in de nietig verklaarde aanslag werden weerhouden bij de bepaling van de kosten van levensonderhoud, in de nieuwe aanslag tot nul worden teruggebracht en dat in de nieuwe aanslag wel nog rekening wordt gehouden met restaurantkosten en autokosten(11).

Door te beslissen dat de nieuwe aanslag aldus is gevestigd op die belastingelementen van de nietig verklaarde aanslag die niet zijn aangetast door willekeur, miskent het hof van beroep artikel 355 WIB92 geenszins.

Het tweede onderdeel kan bijgevolg niet worden aangenomen.
(...)

Besluit: VERWERPING.
________________________
(1) Schending van de artikelen 355, 375 en 377 WIB92 en de artikelen 23 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek.
(2) Cass. 12 februari 2004, AR F.02.0002.N, AC 2004, nr. 80; Cass. 22 januari 1963, Pas. 1963, I, 587; Cass. 28 november 1961, Pas. 1962, 404.
(3) Cass. 10 december 2009, AR F.08.0007.N, AC 2009, nr. 734; zie in dezelfde zin: Cass. 12 februari 2004, AR. F.02.0002.N, AC 2004, nr. 80; J. COUTURIER en B. PEETERS, Belgisch Belastingrecht, Antwerpen, Maklu, 2005, 554.
(4) Cass. 3 mei 1973, AC 1973, 840; contra L. KELL, ‘Hertaxatie na vernietiging wegens willekeur', AFT 2/2007, 27.
(5) Concl. OM bij Cass. 10 december 2009, AR F.08.0007.N, AC 2009, nr. 734.
(6) Cass. 19 september 2013, AR F.12.0168.N, AC 2013, nr. 465 met concl. OM.
(7) Cass. 10 december 2009, AR F.08.0007.N, AC 2009, nr. 734 met concl. OM.
(8) B. VANDEN BERGHE, Belastingheffing volgens tekenen en indiciën - II. Rechtspraakoverzicht, AFT 2012, afl. 4, 31.
(9) Bestreden arrest, p. 7, eerste alinea.
(10) Bestreden arrest, p. 7.
(11) Bestreden arrest, p. 3 en 4.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 15/07/2017 - 11:56
Laatst aangepast op: za, 15/07/2017 - 11:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.