-A +A

Nietigverklaring van een eigenhandig testament wegens ongezondheid van geest

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 15/03/2007

Te dezen werd getracht een testament nietig te verklaren bij gebrek aan gezondheid van geest van de erflater.

De rechter duidt vooreerst aan wie het medisch bundel kan inzien zonder schending van het beroepsgeheim.
Nadien stelt de rechter dat het bewijs van ongezondheid van geest een rechtsfeit is dat met alle middelen van recht kan toegelaten worden. Te dezen werd opgemerkt dat hiedr geen noarieel testament of een notariële akte werd betwist.

De rechter oordeelt dat verschillende ziekenhuisopnames, gebrek aan zelfredzaamheid en beginnende dementie geen bewijs leveren van de afweigheid van geest.

Het bewijs van de ongezondheid van geest is aan zeer strenge vereisten gebonden. Het is onvoldoende om ziekte, ouderdom of iets dergelijks te bewijzen, er
moet bewezen worden dat de werkelijke wilsvorming op het ogenblik van het opstellen van het testament aangetast was ( F. SWENNEN, Geestesgestoorden in het burgerlijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2001, 250, nr. 318. ).Het bewijs moet zeer precies zijn, waardoor alle twijfel omtrent de geestesbekwaamheid uitgesloten is 

Wanneer er uit de analyse van de verschillende getuigenissen en de stukken van het dossier blijkt dat er twijfel bestaat over de mentale toestand van de erflaatster, kan er niet met de vereiste zekerheid bevestigd worden dat zij niet geestelijk gezond was op het ogenblik van het opstellen van het testament .(Bergen 18 oktober 2005, Rec.gén.enr.not. 2007, afl. 5, 186, RTDF 2006, afl. 3, 889).

Het bewijs van bekwaamheid dient niet bewezen, wel het bewijs van onbekwaamheid. Er bestaat derhalve een vermoeden van bekwaamheid..

• J. BAEL, “Schenkingen en testamenten” in G. VERSCHELDEN, A. WYLLEMAN en J. BAEL (eds.),Rechtskroniek voor het notariaat

• Personen- en familierecht. Familiaal vermogensrecht. Schenkingen en testamenten, Brugge, Die Keure, 2007, 146, nr. 12; W. PINTENS, K. VANWINCKELEN en J. DU MONGH, Schets van het familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 196, nr. 561)

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2008-2009
Pagina: 
1082
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

...

1. De appellanten blijven er van overtuigd dat het door wijlen P.D‘H. (overleden op 1 december 2003) op 24 december 2002 eigenhandig opgesteld testament door nietigheid is aangetast. Volgens de appellanten zou de erflater immers ten tijde van het redigeren van het voornoemd testament niet «gezond van geest» geweest zijn in de zin van art. 901 B.W.

Het bewijs van ongezondheid van geest, aan te brengen door degenen die de nietigheid van een testament vorderen, betreft een bewijs van feiten dat kan worden geleverd door alle middelen van recht, met inbegrip van vermoedens en getuigenissen.

2. De oorspronkelijke appellanten brengen allereerst in hun conclusies een aantal feiten aan die er volgens hen zouden moeten op wijzen dat wijlen P.D‘H. ten tijde van het opmaken van het eigenhandig geschreven testament van 24 december 2002 niet gezond van geest was.

Ook in de huidige instantie worden die reeds aan de eerste rechter voorgelegde loutere beweringen niet bewezen geacht.

De loutere vaststelling dat P.D‘H. tijdens zijn laatste levensjaren een aantal malen in het ziekenhuis werd opgenomen en hij toen niet meer volledig zelfredzaam was, zodat hij de bijstand van een poetsvrouw, OCMW of derden nodig had, vormt als zodanig zeker niet het bewijs van gebrek aan gezondheid van geest van de erflater toen hij op 24 december 2002 zijn testament opstelde.

3.1. De appellanten voeren tevens twee verslagen van dr. J.V.W. uit Lokeren aan, respectievelijk opgesteld op 23 september 2004 en 20 oktober 2004, die, na het overlijden van de erflater, op verzoek van de appellanten en op grond van art. 9, § 4, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt inzage heeft genomen van de medische en verpleegkundige dossiers van de erflater die zich bevonden in het O.L.Vrouw-Ziekenhuis te Aalst.

3.2. Het is ten onrechte dat de geïntimeerde vraagt dat die stukken uit het debat zouden worden geweerd.

Als bloedverwanten in de tweede graad beschikten de oorspronkelijke appellanten via een beroepsbeoefenaar krachtens de wet in beginsel wel degelijk over een recht van inzage in die medische en verpleegkundige dossiers. Daarenboven hebben zij tot tweemaal toe een voldoende gemotiveerd en gespecificeerd verzoek daartoe gericht aan het O.L.Vrouw-Ziekenhuis te Aalst.

De geïntimeerde kan niet worden gevolgd als zij argumenteert dat het inzagerecht van de nabestaanden, bedoeld in art. 9, § 4, van de wet van 22 augustus 2002, niet zou mogen worden gebruikt in het raam van testamentaire betwistingen en ter behartiging van hun materiële belangen. Daardoor voegen zij immers een voorwaarde aan het inzagerecht toe, die geen steun vindt in de uitdrukkelijke wettekst van art. 9, § 4.

De omstandigheid dat de Nationale Raad der geneesheren een dergelijk voorbehoud heeft gemaakt in zijn advies van 16 februari 2002 over art. 9, § 4, in het voorontwerp van wet betreffende de rechten van de patiënt, doet daaraan geen afbreuk. De wetgever heeft dat advies immers niet gevolgd en het door de Nationale Raad gemaakte voorbehoud werd niet opgenomen in het uiteindelijke art. 9, § 4, van de wet van 22 augustus 2002.

Wanneer voldaan is aan de voorwaarden van art. 9, § 4, van de wet van 22 augustus 2002 impliceert het inzagerecht van de aanvrager dat de geheimhoudingsplicht van de bewaarder(s) van die dossiers wordt opgeheven.

Hoewel de verantwoordelijken van het O.L.Vrouw- Ziekenhuis, bij een eerste aanvraag tot inzage door de raadsman van de oorspronkelijke appellanten, in een brief van 20 februari 2004 negatief hebben gereageerd, hebben zij uiteindelijk, na een tweede aanvraag van 3 augustus 2004, op 9 augustus 2004, aan de oorspronkelijke appellanten, overeenkomstig de wettelijke bepalingen, toestemming verleend om de gevraagde medische en verpleegkundige dossiers in te zien via de door hen daartoe gemandateerde dr. J.V.W.

3.3.1. In zijn op 20 oktober 2004 opgesteld verslag besluit dr. J.V.W. dat, gelet op de beschikbare correspondentie en objectieve gegevens van de ingekeken verslagen, P.D‘H. ten tijde van het opstellen van het aangevochten testament van 24 december 2002 aan beginnende dementie leed. Dr. J.V.W. verwijst hiervoor vooral naar de resultaten van de «mini mental state»-proeven, bij de erflater afgenomen ter gelegenheid van zijn beide ziekenhuisopnamen gedurende de periodes 7 tot 13 juni 2001 en 30 december 2002 tot 14 januari 2003. De «mini mental state examination» (afgekort: MMSE) betreft immers een internationaal aanvaarde cognitieve test voor het vaststellen van de ernst van dementie waarin een patiënt zich bevindt. Terwijl de erflater bij de eerste ziekenhuisopname in 2001 nog een MMSE-score van 26/30 behaalde, en dit bij de tweede ziekenhuisopname einde 2002-begin 2003 gedaald was tot 23/30, kan dr. J.V.W. dan ook worden gevolgd in zoverre hij heeft besloten tot een voortschrijdend mentaal aftakelingsproces bij P.D‘H.

3.3.2. Hoewel bij de tweede ziekenhuisopname van de erflater op 30 december 2002 werd vastgesteld dat deze «verward» was, alsmede herhaaldelijk plots het bewustzijn verloor en viel (zie immers p. 4/21 van het voornoemd verslag van dr. J.V.W.), leveren de appellanten echter nog niet het bewijs dat P.D‘H. op 24 december 2002 niet «gezond van geest was» in de zin van art. 901 B.W. Allereerst dient te worden opgemerkt dat de behandelende dr. A.D. in zijn ontslagbrief van 29 januari 2003 (na de tweede ziekenhuisopname van de erflater) volgens dr. J.V.W. enkel gewag heeft gemaakt van «Inzettende cerebrovasculaire stoornissen». Daarenboven wordt op p. 9 van een door de geïntimeerde overgelegde studie «Kosten van de ziekte van Alzheimer» uitgaande van het «Institute for Medical Technology Assessment» van de Erasmus Universiteit van Rotterdam vermeld dat een MMSE-score van minder dan 20/30 nog steeds een «lichte dementie» betreft, waarbij huishoudelijke en sociale activiteiten moeizaam gaan, maar het oordeelsvermogen en de persoonlijke lichamelijke verzorging nog intact zijn, waardoor de patiënt nog zelfstandig kan wonen.

Het medisch attest van 24 december 2002, opgesteld door dr. J.B. uit Baardegem, huisarts van de erflater, waarin verklaard werd dat P.D‘H., rekening houdend met zijn leeftijd, nog bewust in tijd en ruimte was en beschikte over voldoende intellectueel inzicht, kan dan ook niet als onjuist en als een louter «welwillendheidsattest» worden beschouwd. De loutere omstandigheid dat dr. J.B. op het attest geen melding heeft gemaakt van een beginnend dementieel beeld bij de erflater, waarvan hij alleszins niet onwetende kon zijn, doet daaraan geen afbreuk.

3.4. De door de oorspronkelijke appellanten zelf aangezochte dr. J.V.W. heeft, na onderzoek van de medische en verpleegkundige dossiers van de erflater met betrekking tot zijn ziekenhuisopnames tijdens zijn laatste levensjaren, zeker niet het positief en concreet bewijs aangebracht dat P.D‘H. op 24 december 2002 niet gezond van geest was in de zin van art. 901 B.W.

De omstandigheid dat de erflater na zijn tweede ontslag uit het ziekenhuis op 13 januari 2003 nog meer dan tien maanden zelfstandig thuis heeft gewoond vooraleer op 24 november 2003 in «zware verwardheid» opnieuw te worden opgenomen, kan daarvan trouwens enkel de bevestiging vormen.

De eerste rechter merkt in het bestreden vonnis daarenboven terecht op dat het aangevochten testament inhoudelijk toch plausibel overkomt, geen ongerijmde of extravagante passages bevat, en dat de erflater de indruk geeft te weten wat hij deed.

...

4. Besluit: de eerste rechter heeft de vordering van de appellanten tot nietigverklaring van het op 24 december 2002 door P.D‘H. eigenhandig opgesteld testament terecht afgewezen als ongegrond.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 09/11/2016 - 16:29
Laatst aangepast op: wo, 09/11/2016 - 16:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.