-A +A

Nietigverklaring dwangbevel en verschuldigd karakter belastingsschuld

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 23/12/2016
A.R.: 
F.15.0083.N

De fiscale wet raakt de openbare orde. Behalve wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, dient de rechter bijgevolg, ongeacht de nietigheid van de administratieve akte, zelf in feite en in rechte te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld.

Hieruit volgt dat wanneer de belastingplichtige in een geschil betreffende de belasting over de toegevoegde waarde niet alleen de nietigverklaring van het dwangbevel zoals bedoeld in art. 85 Btw-wetboek vordert, maar ook de terugbetaling van de door hem reeds betaalde sommen, de rechter die het dwangbevel nietig verklaart moet oordelen over het bestaan van de btw-schuld.

De rechter kan de terugbetaling van de btw-schuld niet bevelen zonder na te gaan of de belasting al dan niet verschuldigd is. De nietigverklaring van het dwangbevel impliceert immers niet dat de belasting onverschuldigd werd betaald. De rechter dient hierbij rekening te houden met de door de partijen aangevoerde gevolgen van de nietigverklaring van het dwangbevel, onder meer op het vlak van de verjaring.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1090
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. F.15.0083.N

Belgische Staat, minister van Financiën t/ nv T.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 26 november 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. De fiscale wet raakt de openbare orde. Behalve wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, dient de rechter bijgevolg, ongeacht de nietigheid van de administratieve akte, zelf in feite en in rechte te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld.

Hieruit volgt dat wanneer de belastingplichtige in een geschil betreffende de belasting over de toegevoegde waarde niet alleen de nietigverklaring van het dwangbevel zoals bedoeld in art. 85 Btw-wetboek vordert, maar ook de terugbetaling van de door hem reeds betaalde sommen, de rechter die het dwangbevel nietig verklaart moet oordelen over het bestaan van de btw-schuld.

De rechter kan de terugbetaling van de btw-schuld niet bevelen zonder na te gaan of de belasting al dan niet verschuldigd is. De nietigverklaring van het dwangbevel impliceert immers niet dat de belasting onverschuldigd werd betaald. De rechter dient hierbij rekening te houden met de door de partijen aangevoerde gevolgen van de nietigverklaring van het dwangbevel, onder meer op het vlak van de verjaring.

2. Na te hebben geoordeeld dat het dwangbevel van 22 november 2007 door de eerste rechter terecht nietig werd verklaard wegens tegenstrijdige motivering, oordelen de appelrechters dat:

– zij de zienswijze dat de rechter de terugbetaling van een belasting niet kan bevelen zonder te hebben nagegaan of de belasting al dan niet verschuldigd is, niet bijvallen aangezien deze een aantal onverwachte gevolgen heeft;

– deze zienswijze namelijk tot gevolg heeft dat de rechter, die over het bestaan van de belastingschuld moet oordelen, met geen enkel vormvoorschrift nog rekening zou moeten houden;

– ook de verjaring buiten werking zou worden gesteld aangezien het niet de minste rol meer zou spelen dat een nietig dwangbevel de verjaring niet stuit;

– op het vlak van de directe belastingen de artt. 355 en 356 WIB92 geen zin meer zouden hebben aangezien er toch, wanneer de aanslag nietig wordt verklaard, ten gronde moet worden onderzocht of er al dan niet belasting verschuldigd is.

Op die gronden bevestigen zij de veroordeling van de eiser tot terugbetaling van de eventueel in uitvoering van het dwangbevel betaalde btw, zonder te hebben nagegaan of de btw al dan niet verschuldigd was.

Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/03/2017 - 14:21
Laatst aangepast op: do, 23/03/2017 - 14:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.