-A +A

Nietigheid wegens schending bestuurstaalwet en vereist belang

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
vri, 23/02/2018
A.R.: 
240.804
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1703
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

prima facie
uit wat hij in het enig middel aanvoert, niet blijken dat voldaan is aan de voorwaarde van art. 14, § 1, tweede lid RvS-Wet dat de aangevoerde onregelmatigheid aanleiding kan geven tot nietigverklaring van de bestreden beslissing.

L.M. t/ Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Arrest nr. 240.804

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 13 februari 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van «de beslissing van de Gemachtigde Ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 31 januari 2018» in zoverre daarbij «[e]en vergunning wordt afgeleverd aan het college van burgemeester en Schepenen van de gemeente Vorst voor de heraanleg van de Berkendaelstraat, van gevel tot gevel, tussen de Brugmannlaan en de Albertlaan, en houdende het vellen van 51 bomen en de heraanplanting van 38 Betula pendula «Zwitserse Glorie» in de parkeerzones, en de aanleg van de schoolomgeving en de plaatsing van snelheidsbegrenzers».
...
VI. Onderzoek van het enig middel

6.1. Het enig middel is genomen uit de schending van de artt. 18 en 50 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten «op het gebruik van de talen in bestuurszaken» (hierna: «de Bestuurstaalwet»), alsook van het materiëlemotiverings-, redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Verzoeker acht de voormelde rechtsregels geschonden omdat geen Nederlandstalige versies van het vergunningsaanvraagformulier en van de eerste en tweede verklarende nota tijdens het openbaar onderzoek ter inzage zouden zijn gelegd.

6.2. De verwerende partij en de tussenkomende partij voeren aan dat het enig middel onontvankelijk is. Zij betogen dat de beweerde schending van de Bestuurstaalwet verzoeker hoe dan ook geen waarborg heeft ontnomen. De tussenkomende partij voegt daaraan toe dat de vermeende onregelmatigheid geen invloed heeft gehad op de bestreden vergunning of op de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid.

7.1. Overeenkomstig art. 14, § 1, tweede lid RvS-Wet geven de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde nietigheidsgrond ressorteren «slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden».

7.2. Het openbaar onderzoek wil de rechtzoekende de mogelijkheid bieden om eventuele bezwaren en opmerkingen tegen de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning te doen gelden.

7.3. Verzoeker betwist niet dat een Franstalige versie van het vergunningsaanvraagformulier tijdens het openbaar onderzoek ter inzage lag en doet voorts prima facie niet aannemen dat geen Franstalige versies van de verklarende nota’s tijdens het openbaar onderzoek ter inzage zouden hebben gelegen.

7.4. De Raad van State stelt voorts vast dat verzoeker, samen met zijn echtgenote, tijdens het openbaar onderzoek een in het Frans gesteld bezwaarschrift (bestaande uit twee pagina’s, onderverdeeld in zeven punten) heeft ingediend. Daarin heeft hij geen enkel bezwaar geuit tegen, noch enig voorbehoud gemaakt bij, het feit dat het vergunningsaanvraagformulier en de verklarende nota’s niet in het Nederlands zouden zijn neergelegd.

7.5. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de verklarende nota’s en het vergunningsaanvraagformulier tijdens het openbaar onderzoek in het Nederlands ter inzage dienden gelegd te worden en dat aan deze voorwaarde te dezen niet is voldaan, dan nog moet op grond van het gestelde in randnr. 7.4 prima facie worden besloten dat dit niet tot nietigverklaring of schorsing aanleiding kan geven.

Nu verzoeker een in het Frans gesteld bezwaarschrift heeft ingediend en daarin geen enkel voorbehoud heeft gemaakt of bezwaar heeft geuit tegen de afwezigheid van Nederlandstalige versies van de geviseerde stukken, kan prima facie uit wat hij in het enig middel aanvoert, niet blijken dat voldaan is aan de voorwaarden die art. 14, § 1, tweede lid RvS-Wet stelt (randnr. 7.1) opdat een middel aanleiding zou kunnen geven tot een nietigverklaring.

7.6. De door verzoeker ter terechtzitting aangevoerde omstandigheid dat niet hijzelf maar zijn echtgenote het Franstalige bezwaarschrift heeft opgesteld, wordt niet aangetoond en doet op het eerste gezicht hoe dan ook niet anders besluiten.

7.7. De ontvankelijkheidsexcepties van de verwerende en de tussenkomende partijen desbetreffend lijken gegrond. Het enig middel lijkt derhalve onontvankelijk en is bijgevolg niet ernstig.
...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/06/2018 - 16:49
Laatst aangepast op: ma, 18/06/2018 - 16:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.