-A +A

Nietigheid lening onder potestatieve voorwaarde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 10/11/2016

Gewoonlijk bevat een leningovereenkomst een (uitdrukkelijke of stilzwijgende) tijdsbepaling.

Indien er geen tijdsbepaling is overeengekomen, mag de uitlener te allen tijde de teruggave van het uitgeleende bedrag vorderen.

De verbintenis van de lener mag evenwel niet zijn aangegaan onder een zuiver potestatieve voorwaarde (art. 1170 BW). Dit is een voorwaarde die de lener in zijn macht heeft.

De verplichting van de lener om het geleende bedrag terug te geven onder een louter potestatieve, opschortende voorwaarde, is nietig. De nietigheid, die de oorzaak wegneemt voor de terugbetaling van het geleende bedrag, heeft de nietigheid van de leningovereenkomst zelf tot gevolg

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1353
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

F.V. t/ BVBA J.

...

2. Relevante feitelijke gegevens en standpunt van de partijen

2.1. Op 14 juni 2012 heeft de BVBA J. een schuldbekentenis ondertekend. Hierin verklaarde zij dat zij van V. een bedrag van 222.928,41 euro had ontvangen als lening van onbepaalde duur.

Deze schuldbekentenis bepaalt dat de lening gebruikt zal worden voor de aankoop van een perceel bouwgrond (...) te I. waarop een woonproject zou worden uitgevoerd. Voorts bepaalt de schuldbekentenis dat, eens dat dit woonproject gerealiseerd zou zijn, de verschillende kavels afzonderlijk zouden worden verkocht.

De schuldbekentenis vermeldt voorts het volgende: «De terugbetaling van voormeld bedrag zal dienen te gebeuren in verhouding tot iedere afgehandelde verkoop.»

2.2. Op 24 juni 2012 hebben BVBA J. en V. nog een andere overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst bepaalt dat V. aan BVBA J. een lening heeft toegestaan voor het aankopen van 50% van een perceel bouwgrond waarop de BVBA V&V B. een woonproject zal verwezenlijken. In deze overeenkomst verbindt V. zich ertoe om zoveel als mogelijk mee te werken aan de realisatie van voormeld project.

2.3. V. voert aan dat BVBA J. de drie volgende gronden heeft aangekocht voor een bedrag van 425.000 euro, waarvan hij de helft gefinancierd zou hebben:

– bouwland met een oppervlakte van 17a en 18ca, gelegen te (...)straat en gekend onder het kadastraal nummer (...) te I.;

– grond (met af te breken woonhuis) met een oppervlakte van 14a 63ca, gelegen te (...)straat 28 (volgens titel (...)straat 37) en gekend onder het kadastraal nummer (...) te I.;

– grond met een oppervlakte van 12a 14ca gelegen te (...)straat en gekend onder kadastraal (...) te I.

Deze gronden zouden volgens V. in negen kavels opgesplitst worden.

2.4. V. voert aan dat BVBA J. evenwel geen interesse meer had in de bouwwerken en dat zij dit project geblokkeerd zou hebben. Volgens V. zou de BVBA J. de gronden zelfs gewoon opnieuw te koop gesteld hebben.

Aangezien het bouwen van de woningen volgens V. een essentieel bestanddeel van de lening was, is de oorzaak hiervan volgens hem vervallen.

2.5. Bij aangetekende brief van 9 december 2015 heeft de advocaat van V. de BVBA J. in gebreke gesteld om het bedrag van 222.928,41 euro terug te betalen, te vermeerderen met 4% rente.

2.6. Op 16 februari 2016 heeft de BVBA J. voor één van de drie bovenvermelde percelen een verkavelingsaanvraag ingediend.

2.7. Op 11 maart 2016 heeft V. de BVBA J. laten dagvaarden voor deze rechtbank.

2.8. Bij arrest van 6 september 2016 heeft het Hof van Beroep te Gent V. gemachtigd om op de drie bovenvermelde percelen bewarend beslag te leggen.

Op 30 september 2016 heeft V. op grond van dit arrest bewarend onroerend beslag gelegd.

3. De vorderingen

3.1. In zijn conclusies van 13 mei 2016 (...) vordert V. de veroordeling van de BVBA J. tot betaling van een bedrag van 256.014,40 euro, te vermeerderen met rente en de kosten van het geding.

4. Beoordeling

...

4.2. Partijen hebben een overeenkomst van rentelening gesloten (artt. 1905 e.v. BW). Dit is een verbuiklening tegen een prijs (R. Dekkers en A. Verbeke, Handboek Burgerlijk Recht III, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 728, nr. 1301).

Partijen voeren betwisting over het tijdstip waarop de BVBA J. het uitgeleende bedrag diende terug te betalen.

In de schuldbekentenis verklaart de BVBA J. dat zij van V. een bedrag van 222.928,41 euro heeft ontvangen als «lening van onbepaalde duur».

De schuldbekentenis van 14 juni 2012 bepaalt dat het geleende bedrag dient te worden aangewend voor de aankoop van gronden in de (...)straat te I., waarop een woonproject zal worden uitgevoerd.

Voorts bepaalt de schuldbekentenis dat, eens dat dit woonproject gefinaliseerd zal zijn, de verschillende kavels binnen dit project afzonderlijk verkocht zullen worden. De terugbetaling van het geleende bedrag dient volgens de schuldbekentenis dan te gebeuren in verhouding tot iedere afgehandelde verkoop.

V. voert aan dat de BVBA J. gedurende vier jaar geen enkele inspanning heeft ondernomen om het bouwproject te realiseren. Zij zou hierdoor een ernstige contractuele wanprestatie hebben begaan die de ontbinding van de leningovereenkomst rechtvaardigt.

4.3. De BVBA J. betwist deze argumentatie. Zij voert aan dat de leningovereenkomst geen tijdsbepaling bevat voor het realiseren van het woonproject, zodat deze «overeenkomst» bijgevolg nog niet opeisbaar is.

Zij wijst er voorts op dat zij wacht op de nodige vergunningen. Zij legt het bewijsstuk voor dat zij op 16 februari 2016 een verkavelingsaanvraag heeft ingediend bij de gemeente van I. voor één van de drie bovenvermelde percelen (kadastraal gekend te I., sectie (...)).

Volgens de BVBA J. moet zij het geleende bedrag pas beginnen terug te betalen zodra één kavel van het woonproject is verkocht.

4.4. De vraag rijst welke partij precies diende in te staan voor het realiseren van de bouwprojecten.

In de overeenkomst die V. voorlegt, staat immers dat de BVBA V&V B. dit project zal verwezenlijken.

Uit de conclusies van beide partijen leidt de rechtbank evenwel af dat zij het er beiden over eens zijn dat het de BVBA J. zelf is die het woonproject dient te realiseren. Dit wordt ook bevestigd doordat de BVBA J. zelf al voor één perceel een verkavelingsaanvraag heeft ingediend.

4.5. Gewoonlijk bevat een leningovereenkomst een (uitdrukkelijke of stilzwijgende) tijdsbepaling.

Indien er geen tijdsbepaling is overeengekomen, mag de uitlener te allen tijde de teruggave van het uitgeleende bedrag vorderen.

De verbintenis van de lener mag evenwel niet zijn aangegaan onder een zuiver potestatieve voorwaarde (art. 1170 BW). Dit is een voorwaarde die de lener in zijn macht heeft.

De verplichting van de lener om het geleende bedrag terug te geven onder een louter potestatieve, opschortende voorwaarde, is nietig. De nietigheid, die de oorzaak wegneemt voor de terugbetaling van het geleende bedrag, heeft de nietigheid van de leningovereenkomst zelf tot gevolg (Cass. 22 april 2013, C.12.0285.F, Arr.Cass. 2013, 958).

De rechtbank is van oordeel dat de BVBA J. haar verbintenis tot terugbetaling van het geleende bedrag is aangegaan onder een louter potestatieve voorwaarde. Zij kan immers zelf eenzijdig beslissen om het woonproject al dan niet te realiseren. Op die manier kan zij ervoor zorgen dat zij het geleende bedrag niet dient terug te betalen.

Uit de schuldbekentenis blijkt evenmin dat de BVBA J. er zich t.a.v. V. expliciet toe heeft verbonden om het woonproject uit te voeren.

De BVBA J. heeft overigens wel degelijk het geleende bedrag aangewend volgens de bestemming van de overeenkomst, nl. voor de aankoop van een perceel bouwgrond. Zelfs indien de leningovereenkomst als eenzijdig contract ontbonden zou kunnen worden, dan kan dit dus geenszins gebeuren wegens het niet-naleven door de BVBA J. van de bestemming van het geleende bedrag.

De rechtbank is bijgevolg van oordeel dat de verbintenis van de BVBA J. tot terugbetaling van het geleende bedrag nietig is. Deze nietigheid heeft de nietigheid van de leningovereenkomst voor gevolg.

De oorzaak van een verbintenis is een essentiële voorwaarde voor de geldigheid van een overeenkomst (art. 1108 BW). De afwezigheid van een oorzaak heeft de absolute nietigheid van de overeenkomst voor gevolg (W. Van Gerven en S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Acco, Leuven, 2006, 148).

De rechter kan een absolute nietigheid ambtshalve inroepen. Niettegenstaande geen van beide partijen heeft aangevoerd dat de leningovereenkomst nietig is, is de rechtbank van oordeel dat zij op dit punt het debat niet diende te heropenen teneinde partijen in staat te stellen hierover standpunt in te nemen.

De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerd feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Het feit dat de partijen de toepassing van een bepaalde wetsbepaling niet hebben opgeworpen, betekent niet dat zij die mogelijkheid bij conclusie hebben uitgesloten.

Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer een rechter zijn beslissing baseert op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren (Cass. 5 oktober 2012, RW 2012-13, 1337, noot R. Houben).

Aangezien beide partijen in hun conclusies standpunt hebben ingenomen over het tijdstip waarop het geleende bedrag moest worden terugbetaald, mochten zij verwachten dat de rechtbank zou onderzoeken of de verbintenis tot terugbetaling van de BVBA J. niet veeleer was aangegaan onder een potestatieve voorwaarde dan onder een tijdsbepaling.

4.6. De nietigverklaring van de leningovereenkomst geldt met terugwerkende kracht («ex tunc»).

Huidig vonnis dat deze nietigheid uitspreekt, doet nieuwe verplichtingen ontstaan, aangezien de partijen moeten teruggeven wat zij gekregen hebben.

De grondslag van de restitutieplicht is de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling (zie hierover: J. Baeck, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 11, nr. 17).

De vraag rijst of de BVBA J. hierbij te goeder trouw of te kwader trouw was. De goede trouw wordt vermoed. Een ontvanger van een betaling kan niet als te goeder trouw worden bestempeld indien hij op het ogenblik van de ontvangst (van de geldsom) kennis had of behoorde te hebben van de grond tot vernietiging van de overeenkomst (J. Baeck, o.c., p. 19, nr. 26).

De rechtbank is van oordeel dat de BVBA J. wist of minstens moest weten dat zij zich verbonden had tot terugbetaling onder een potestatieve voorwaarde, waardoor de leningovereenkomst nietig was. Als gevolg hiervan is zij op het bedrag dat zij van V. heeft ontvangen wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van betaling (art. 1378 BW).

Bij gebreke van een andersluidende aanduiding, neemt de rechtbank aan dat de BVBA J. het bedrag van 222.928,41 euro heeft ontvangen op de datum van de schuldbekentenis, zijnde 14 juni 2012. Vanaf die datum is de BVBA J. op voormeld bedrag wettelijk rente verschuldigd.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 13/04/2018 - 20:59
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.