-A +A

Nietige arbeidsongevallenverzekering door verzwijging werkgever slachtoffer werknemer dient toch vergoed

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 14/09/2009

Zelfs wanneer een arbeidsongevallenpolis nietig is door verzwijging of verkeerde meldingen van de werkgever, dan nog is de verzekeraar verplicht het slachtoffer van het arbeidsongeval te vergoeden. Deze nietigheid is immers niet tegenstelbaar aan het slachtoffer van het arbeidsongeval.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
278
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV M. t/ Fonds voor Arbeidsongevallen en Faillissement D.M.

...

4. Beoordeling

4.1. De arbeidsongevallenverzekeraar voert aan dat in het vonnis van de Rechtbank van Koophandel van 3 maart 1998 werd beslist dat de tussen hem en de werkgever gesloten verzekeringspolis nietig is en dat de gevolgen van die nietigheid retroactief werken. Gelet op de uitgesproken nietigheid moet de ongevallenpolis volgens de arbeidsongevallenverzekeraar geacht worden nooit te hebben bestaan. Zulks zou tot gevolg hebben dat de werkgever niet – en in ieder geval niet geldig – verzekerd was op het ogenblik van het arbeidsongeval. Het Fonds voor Arbeidsongevallen moet dus volgens de arbeidsongevallenverzekeraar de gevolgen van het arbeidsongeval waarvan wijlen de heer G. het slachtoffer werd ten laste nemen. Art. 58, § 1, 3o, van de Arbeidsongevallenwet (hierna: “AOW”) bepaalt immers dat het Fonds voor Arbeidsongevallen tot taak heeft “de schadeloosstelling inzake de arbeidsongevallen toe te kennen overeenkomstig de bepalingen van deze wet, wanneer de werkgever geen verzekering heeft aangegaan zoals voorgeschreven bij artikel 49 (...)”.

...

4.4. Als uitgangspunt merkt het hof op dat de tussenkomst van het Fonds voor Arbeidsongevallen (hierna: “FAO”) strikt geregeld is door de AOW die ter zake van openbare orde is. De tussenkomst van het FAO is gebaseerd op de AOW en niet op het verbintenissenrecht (zie art. 58, § 1, AOW).

Op grond van art. 58, § 1, 3o, AOW dient het FAO enkel tussen te komen wanneer de werkgever geen verzekering heeft aangegaan zoals voorgeschreven door art. 49 AOW of wanneer de verzekeringsonderneming in gebreke blijft.

Indien zich in de niet-verzekerde periode een ongeval voordoet, treedt het Fonds voor Arbeidsongevallen niettegenstaande de ambtshalve aansluiting van de werkgever, niet op als verzekeraar, maar als waarborgfonds (Advies Raad van State van 13 februari 1970, Parl.St. Senaat 1969-70, nr. 328/4; Cass. 14 december 1987, Arr.Cass. 1987-88, 486).

Zulks impliceert dat in de gestelde hypothese het slachtoffer of diens rechthebbende in elk geval recht heeft op de volledige schadeloosstelling conform de bepalingen van de AOW, maar dan ten laste van het FAO. Ze beschikken daartoe zelfs over een rechtstreekse vordering tegen het fonds (art. 73 AOW).

Deze wettelijke regel houdt tevens in dat het FAO als waarborgfonds niet zal kunnen worden aangesproken in de gevallen waarin de verzekeringsinstelling tot dekking gehouden is op grond van de bepalingen van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst (hierna: “Wet LVO”) of de AOW, die ten opzichte van het gemene verzekeringsrecht als een lex specialis te beschouwen zijn. In een dergelijk geval kan er immers geen sprake zijn van niet-verzekering in de zin van art. 58, § 1, 3o, AOW.

Het hof dient dan ook te onderzoeken of de door de rechtbank van koophandel uitgesproken nietigheid in casu tot gevolg heeft dat de arbeidsongevallenverzekeraar tot verzekeringsdekking of schadeloosstelling gehouden bleef ten opzichte van het slachtoffer.

4.5. Bij het beoordelen van de gevolgen van de uitgesproken nietigverklaring van de polis tegen arbeidsongevallen wegens het onvolledig mededelen van gegevens en verzwijging van het risico, dient rekening te worden gehouden met de specifieke voorschriften eigen aan de Wet LVO en de AOW die afwijken van het gemene verbintenissenrecht.

Het FAO wijst in dit verband op art. 49 AOW, dat in zijn eerste lid het principe van de verzekeringsverplichting stelt: “De werkgever is verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming (...)”.

Het eerste lid van art. 49 AOW moet in nauwe samenhang worden gelezen met het zevende en achtste lid van dit artikel, die het principe van eenheid van verzekering vaststellen, welke bepalingen werden ingevoegd bij art. 1 van het KB nr. 18 van 6 december 1978 (BS 23 januari 1979) en als volgt luiden:

“De verzekeringsonderneming dekt alle bij de artikelen 7 en 8 vastgestelde risico’s voor alle werknemers in dienst van een werkgever en voor alle werkzaamheden waarvoor zij door die werkgever zijn tewerkgesteld.

“De werkgever behoudt echter de mogelijkheid om het personeel van verschillende exploitatiezetels en om al het huispersoneel in zijn dienst te verzekeren bij afzonderlijke verzekeringsondernemingen”.

Overeenkomstig art. 7 AOW “(...) wordt als arbeidsongeval aanzien, elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt”.

De eerste rechters oordeelden terecht dat uit art. 49 AOW moet worden afgeleid dat het de contractanten niet vrij staat de arbeidsongevallenverzekering te beperken tot bepaalde werkzaamheden of werkzaamheden beperkt tot een bepaald territorium. De regel van art. 49 AOW is minstens van openbare orde.

In zijn conclusie voor het arrest van het Hof van Cassatie van 24 september 1984 (Arr.Cass. 1984-85, 134) beklemtoonde advocaat-generaal H. Lenaerts dat de contractvrijheid van partijen inzake arbeidsongevallen uitgesloten is en dat art. 49 AOW een dwingende wetsbepaling is.

Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 9 april 1984 (RW 1984-85, 342) uitdrukkelijk beslist dat, vór de aanvulling van art. 49 AOW door het KB nr. 18 van 6 december 1978, het de partijen vrij stond de arbeidsongevallenverzekering tot bepaalde werkzaamheden te beperken. Sinds de inwerkingtreding van voormelde bepalingen, meer bepaald voor de arbeidsongevallen overkomen vanaf 2 februari 1979, wordt niet langer meer betwist dat een beperkende omschrijving in de polis van de verzekerde activiteiten niet tegenwerpelijk is aan de getroffenen: de arbeidsongevallenverzekeraar is tot tussenkomst gehouden en kan deze eventueel via zijn regresrecht tegen de werkgever terugvorderen (Arbh. Brussel 24 oktober 1988, Soc.Kron. 1990, 127 Luik, 2 februari 1952, Bull.Ass. 1952, 51; J. Petit, Arbeidsongevallen, in APR, Mechelen, Story-Scientia, 2005, p. 421, nr. 613; J. Huys, “Eenheid van verzekering” (noot onder Cass. 9 april 1984), RW 1984-85, 342; J.M. Bolle, Arbeidsongevallen, p. 179; Arbeidsongevallen, Ced-Samsom, Comm. 4.2/6.1).

Deze nieuwe bepalingen werden precies ingevoerd om een einde te maken aan de betwistingen waarbij de verzekeringsondernemingen op grond van het gemene recht (Wet LVO) beweerden niet tot vergoeding gehouden te zijn van risico’s die niet uitdrukkelijk in de polis omschreven werden.

Nu de AOW afwijkt van het gemene verzekeringsrecht, moet zij als lex specialis dwingend worden toegepast, temeer daar deze wet een bijzondere bescherming biedt ten voordele van werknemers die erop moeten kunnen vertrouwen gedekt te zijn tegen arbeidsongevallen in het raam van al de werkzaamheden die zij voor hun werkgever verrichten.

Ongeacht de nietigheid van de polis die op contractueel vlak wordt uitgesproken op grond van de Wet LVO wegens de beperkende omschrijving van het risico in de polis, dekt de aangegane arbeidsongevallenpolis toch de schade die het gevolg is van het wettelijk omschreven risico.

Nu de arbeidsongevallenverzekeraar in de gegeven omstandigheid gehouden blijft tot schadeloosstelling van het slachtoffer op grond van art. 49 AOW, ook al werd de verzekeringsovereenkomst in haar relatie tot de werkgever nietig verklaard ex tunc, impliceert zulks dat het FAO niet kan worden aangesproken op grond van art. 58, § 1, 3o, AOW onder voorwendsel dat er geen verzekering meer zou bestaan.

De arbeidsongevallenverzekeraar kan dan ook niet worden gevolgd in zoverre hij aanvoert dat art. 49 AOW niets te maken heeft met de gevolgen van de nietigverklaring van een verzekeringspolis.

Het hof bevestigt dan ook het bestreden vonnis in zoverre het de vordering van de arbeidsongevallenverzekeraar afwijst op grond van art. 49 AOW. De eerste rechters hebben terecht geoordeeld dat “de onvolledige omschrijving van het te dekken risico enkel nog een rol speelt in de contractuele relatie tussen verzekeraar en werkgever. De verzekeraar, niet het FAO, dient dan het ongeval ten laste te nemen, maar kan de uitgekeerde vergoedingen wel verhalen op de werkgever”.

4.6. Ten overvloede onderzoekt het hof thans nog of de arbeidsongevallenverzekeraar tevens tot schadeloosstelling van het slachtoffer van het litigieuze arbeidsongeval kan worden aangesproken op grond van het door de FAO aangevoerde art. 87, § 1, Wet LVO, luidend als volgt:

“Bij de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen kunnen de excepties, vrijstellingen, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst en die hun oorzaak vinden in een feit dat zich voor of na het schadegeval heeft voorgedaan, aan de benadeelde niet worden tegengeworpen.

“Indien de nietigverklaring, de opzegging, de beëindiging of de schorsing van de overeenkomst geschied is voordat het schadegeval zich heeft voorgedaan, kan zij echter aan de benadeelde worden tegengeworpen”.

Uit de bepalingen van art. 87, § 1, Wet LVO volgt dat de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst, niettegenstaande zij ex tunc geldt, niet kan worden tegengeworpen aan de benadeelde.

Op basis van een grondige analyse komen de verzekeringsjuristen B. Van Crombrugge en L. Van Gossum tot de conclusie dat de arbeidsongevallenverzekering als een “aansprakelijkheidsverzekering” in de zin van de Wet LVO gekwalificeerd moet worden (B. Van Crombrugge en L. Van Gossum, “L’incidence de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance contre les accidents du travail”, De Verz., Dossier 1993, 38-44). Deze auteurs verwijzen hiervoor naar de geschiedenis van de arbeidsongevallenverzekering die de zgn. “objectieve aansprakelijkheid” van de werkgever dekt en naar tal van wetsbepalingen zowel in de AOW als in de Wet LVO die met een andere kwalificatie nauwelijks verenigbaar zijn. Bijgevolg behoort de arbeidsongevallenverzekering tot de categorie van de schadeverzekeringen en beoogt ze de vergoeding van schade, namelijk de aantasting van het vermogen van de werkgever als gevolg van diens objectieve aansprakelijkheid. Niet de werknemer is de verzekerde, wel de werkgever. De werknemer kan hoogstens als “benadeelde” worden omschreven, dit is met name in de aansprakelijkheidsverzekering “degene aan wie schade is toegebracht waarvoor de verzekerde aansprakelijk is” (cf. de definities van “verzekerde” en “benadeelde” in art. 1 B en E Wet LVO).

Ook J. Petit maakt in zijn overzicht van bepalingen van de Wet LVO die toepassing vinden op de verzekeringsovereenkomsten voor vergoeding van arbeidsongevallen niet alleen melding van o.m. de bepalingen inzake de meldingsplicht van het te verzekeren risico (art. 5, 6 en 7, § 1, Wet LVO), maar ook van art. 87, § 1, Wet LVO dat zijns inziens art. 55 AOW bevestigt (J. Petit, o.c., p. 19, nr. 10).

Andere auteurs zijn kennelijk een andere mening toegedaan (zie: Aron, Mechelen, Kluwer, losbl., Comm. – 4.2/22.2 e.v.). Klaarblijkelijk hebben deze auteurs het niet bij het rechte eind, daar de wetgever zelf de mening is toegedaan dat de arbeidsongevallenverzekering als een aansprakelijkheidsverzekering dient te worden gekwalificeerd, omdat hij art. 86 Wet LVO inriep om het bevoorrecht karakter van de schuldvordering voor arbeidsongevallenvergoeding op reservefondsen en waarborgsommen door de verzekeringsmaatschappijen tegen vaste premie of de gemeenschappelijke verzekeringskassen gevestigd krachtens de AOW uit de Hypotheekwet te schrappen (memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende de aanpassing van de arbeidsongevallenverzekering aan de Europese Richtlijnen betreffende de directe verzekering met uitzondering van de levensverzekering, Parl.St. Kamer 2000-2001, nr. 1292/1, p. 18). Luidens voormeld art. 86, dat uitsluitend toepassing vindt op de aansprakelijkheidsverzekering, geeft deze verzekering aan de benadeelde (in casu het slachtoffer van het arbeidsongeval of zijn rechthebbende) een eigen recht tegen de verzekeraar en komt de door de verzekeraar verschuldigde schadevergoeding toe aan de benadeelde, met uitsluiting van de overige schuldeisers van de verzekeraar.

Het hof neemt dan ook aan dat de arbeidsongevallenverzekering tot de categorie van de verplichte burgerrechterlijke aansprakelijkheidsverzekering behoort, omdat de constitutieve elementen daartoe voorhanden zijn:

– schadeverzekering: het arbeidsongeval is het onzeker voorval dat schade berokkent;

– aansprakelijkheidsverzekering: de objectieve aansprakelijkheid van de werkgever wordt gedekt;

– verzekering tot vergoeding van schade: de schade ondergaan door een slachtoffer van een arbeidsongeval wordt geheel of gedeeltelijk vergoed (gedeeltelijk gelet op het plafondloon en de niet-vergoeding van bepaalde schade).

Nu de arbeidsongevallenverzekering als een verplichte aansprakelijkheidsverzekering kan worden gekwalificeerd, kan de door de rechtbank van koophandel bij vonnis van 3 maart 1998 uitgesproken vernietiging op grond van art. 6 Wet LVO niet worden tegengeworpen aan de benadeelde, zijnde het slachtoffer van het arbeidsongeval, daar overeenkomstig art. 87, § 1, Wet LVO excepties, nietigheden en gronden van verval van dekking hem niet kunnen worden tegengeworpen door de verzekeraar. De omstandigheid dat er in art. 55 AOW enkel sprake is van vervalbedingen, en niet van nietigheden, vermag hieraan geen afbreuk te doen.

Het Hof van Cassatie heeft reeds uitspraak gedaan over de gestelde problematiek in het raam van de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (WAM-wet), die in haar art. 16 een analoge bepaling bevat als art. 87, § 1, Wet LVO. Zo oordeelde dat Hof bij arrest van 25 februari 2005 het volgende:

“Overwegende dat overeenkomstig de artikelen 5 en 6, eerste lid, van de Wet LVO, de verzekeringsovereenkomst nietig is, wanneer het opzettelijk verzwijgen of het opzettelijk onjuist meedelen van gegevens over het risico door de verzekeringsnemer, de verzekeraar misleidt bij de beoordeling van het risico; (...); Overwegende dat de nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst in beginsel tot gevolg heeft dat die overeenkomst met terugwerkende kracht wordt ongedaan gemaakt en dit tot gevolg heeft dat hetgeen door de partijen krachtens de overeenkomst werd gepresteerd kan worden teruggevorderd; (...); Overwegende dat de gevolgen van de nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst zich voor het overige dan ook uitstrekken tot alle prestaties die de verzekeraar ten gevolge van het bestaan van de verzekeringsovereenkomst heeft verricht, met inbegrip van de vergoedingen uitgekeerd aan de benadeelden van het ongeval die, op grond van de wet, over een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de verzekeraar beschikken; (...); Dat de omstandigheid dat de benadeelden of hun nabestaanden hoe dan ook recht blijven hebben op dekking, daar overeenkomstig art. 16 (van de WAM-wet) excepties, nietigheden en gronden van verval van dekking hen niet kunnen worden tegengeworpen door de verzekeraar, geenszins tot gevolg heeft dat de verzekeraar zich niet zou kunnen beroepen op de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst ten opzichte van zijn verzekeringsnemer” (Cass. 25 februari 2005, Arr.Cass. 2005, 4772; zie ook: Cass. 4 mei 2007, AR nr. C.06.0314.N, www.cass.be).

Uit deze overweging volgt dat de arbeidsongevallenverzekeraar de nietigheid uitgesproken op grond van art. 6 Wet LVO kan inroepen tegenover de werkgever, hetgeen hem een recht geeft tot terugvordering.

De gehoudenheid van de arbeidsongevallenverzekeraar tot schadeloosstelling van het slachtoffer ingevolge art. 87, § 1, Wet LVO, impliceert dat het FAO niet kan worden aangesproken op grond van art. 58, § 1, 3o, AOW, omdat aan de voorwaarde inzake niet-verzekering niet is voldaan.

...

4.8. Het hof besluit dat de arbeidsongevallenverzekeraar, ook na de nietigverklaring van de ongevallenpolis, gehouden bleef tot vergoeding van het slachtoffer, niet alleen op grond van de door het bestreden vonnis in acht genomen rechtsgrond (art. 49 AOW), maar ook op grond van de door het hof in aanmerking genomen bijkomende en zelfstandige rechtsgrond gebaseerd op art. 87, § 1, Wet LVO. Nu er aldus in casu geen sprake is van niet-verzekering in de zin van art. 58, § 1, 3o, AOW, kan het FAO niet worden aangesproken om het litigieuze arbeidsongeval ten laste te nemen en de door de arbeidsongevallenverzekeraar aan het slachtoffer betaalde vergoedingen terug te betalen.

Er bestaat dan ook aanleiding toe het hoger beroep ongegrond te verklaren.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 23/09/2011 - 22:47
Laatst aangepast op: vr, 23/09/2011 - 22:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.