-A +A

natuurbehoud en duingebied

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 19/04/2012
A.R.: 
55/2012
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
577
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

In rechte

...

B.1.1. Met het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen werd in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud een titel IX ingevoegd, met als opschrift “Specifieke bepalingen voor de maritieme duinstreek”. Art. 52 van de wet van 12 juli 1973 verleent de Vlaamse Regering de bevoegdheid om bepaalde delen van de maritieme duinstreek aan te wijzen als “beschermd duingebied” of als “voor het duingebied belangrijk landbouwgebied”. Ingevolge art. 52, § 1, tweede lid van de wet van 12 juli 1973 houdt een dergelijke aanwijzing een absoluut bouwverbod in, ongeacht de bestemming van het goed volgens de van kracht zijnde plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen of volgens verleende verkavelingsvergunningen.

Dat bouwverbod is ook van toepassing indien voor de als beschermd duingebied aangewezen percelen reeds een stedenbouwkundige vergunning was uitgereikt en zelfs indien de werken reeds waren aangevat (Cass. 5 oktober 1995, Arr.Cass. 1995, nr. 416).

B.1.2. Art. 54 van de wet van 12 juli 1973, de in het geding zijnde bepaling, voorziet in een compensatie voor de door het bouwverbod veroorzaakte schade indien dat verbod een einde maakt aan de bestemming volgens de geldende plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen.

Die bepaling luidt als volgt:

Ҥ 1. Schadevergoeding is ingevolge het in artikel 52 bedoelde bouwverbod verschuldigd wanneer dit verbod, volgend uit een definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, een einde maakt aan de bestemming volgens de geldende plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen die de grond had de dag voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit tot voorlopige aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied.

Ҥ 2. Het recht op schadevergoeding ontstaat bij overdracht van het goed, bij de afgifte van een weigering van bouwvergunning of bij de afgifte van een negatief stedebouwkundig attest, mits de overdracht of de afgifte geschiedt na de bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied. De vorderingen tot betaling van de schadevergoeding worden ingediend bij de Vlaamse regering. De vordering tot betaling van de schadevergoeding verjaart drie jaar na de dag dat het recht op vergoeding ontstaat.

Ҥ 3. De waardevermindering die voor de schadeloosstelling in aanmerking komt, dient te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, zonder rekening te houden met het bouwverbod, en andersdeels de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding.

Ҥ 4. Enkel de waardevermindering rechtstreeks voortvloeiende uit het in artikel 52 bedoelde bouwverbod komt in aanmerking voor schadevergoeding. De waardevermindering ten belope van twintig procent moet zonder vergoeding gedoogd worden. Voor de berekening van de schadevergoeding wordt geen rekening gehouden met de overdracht van de goederen die na 14 juli 1993 doorgang vond.

“§ 5. Er is geen vergoeding verschuldigd in de gevallen bedoeld in artikel 35, tiende lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996.

Ҥ 6. De Vlaamse Regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel, inzonderheid wat betreft de vaststelling van de waarde van het goed en de actualisering ervan. Wat de actualisering betreft, dient deze te geschieden op basis van de evolutie van de index van de consumptieprijzen.

Ҥ 7. Aan de verplichting tot schadevergoeding kan worden voldaan door een met redenen omkleed besluit van de Vlaamse regering, en na advies door het Instituut voor Natuurbehoud, houdende opheffing van het in artikel 52 bedoelde bouwverbod voor het betrokken perceel.

“§ 8. Indien een natuurlijk persoon slechts eigenaar is van één bouwperceel, waarvan de maximale oppervlakte wordt bepaald door de Vlaamse regering, gelegen in het beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied en indien dit perceel zijn enig onbebouwd bouwperceel is en hij voor het overige slechts eigenaar is van één onroerende eigendom op datum van 15 september 1993, kan hij de aankoop door het Vlaamse Gewest eisen door zijn wil te doen kennen bij aangetekend schrijven, te zenden binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. In dat geval moet het perceel worden teruggekocht en integraal betaald binnen vierentwintig maanden na de kennisgeving, op straffe van verval van rechtswege van het bouwverbod, bedoeld in artikel 52. De aankoop door het Vlaamse Gewest houdt in dat de betaalde koopprijs of, bij verwerving op een andere wijze dan door aankoop, de waarde waaraan het goed geschat werd voor de betaling van de rechten, geactualiseerd en verhoogd met de lasten en de kosten, de financieringskosten inbegrepen, terugbetaald worden. De Vlaamse regering bepaalt hoe deze paragraaf wordt toegepast.

“§ 9. Er is geen vergoeding verschuldigd in de gevallen bedoeld in artikel 35, tiende lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996”.

B.2. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de compensatie bedoeld in de in het geding zijnde bepaling enkel openstaat voor eigenaars en houders van andere zakelijke rechten (Cass. 7 september 2009, Arr.Cass. 2009, nr. 482).

In die interpretatie, vervat in de prejudiciële vraag, heeft de houder van een regelmatig uitgereikte stedenbouwkundige vergunning die niet beschikt over een zakelijk recht op het perceel waarop het bouwverbod betrekking heeft, geen recht op de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde compensatie voor kosten die hij heeft gemaakt ter realisatie van de bestemming van het goed.

B.3.1. De Vlaamse Regering voert aan dat de Grondwet de decreetgever er niet toe verplicht in een compensatie te voorzien voor de in het algemeen belang opgelegde beperkingen aan het eigendomsrecht, zoals bouwverboden.

B.3.2. Krachtens het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten kan de overheid evenwel niet zonder vergoeding lasten opleggen die groter zijn dan die welke een persoon in het algemeen belang moet dragen.

Uit dat beginsel vloeit voort dat de onevenredig nadelige – dit zijn de buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende en op een beperkte groep van burgers of instellingen drukkende – gevolgen van een op zichzelf rechtmatige overheidsdaad, zoals het opleggen van een erfdienstbaarheid van openbaar nut, niet ten laste van de getroffene behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld.

B.3.3. Aangezien het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten een toepassing vormt van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, komt het aan het Hof toe een wettelijk bepaalde vergoeding voor een eigendomsbeperking, of de ontstentenis daarvan, aan dat beginsel te toetsen.

B.4. Een regelmatig uitgereikte stedenbouwkundige vergunning maakt voor de houder ervan een eigendom uit in de zin van art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EHRM 18 februari 1991, Fredin (nr. 1) t/ Zweden, § 40; EHRM 29 november 1991, Pine Valley Developments Ltd. t/ Ierland, § 52).

De uitsluiting van een voorheen als bouwgrond bestemd perceel uit de bebouwbare zone maakt een inmenging in het ongestoorde genot van de eigendom uit (EHRM 27 oktober 1994, Katte Klitsche de la Grange t/ Italië, § 40).

B.5.1. In de interpretatie van de verwijzende rechter kan de houder van een regelmatig uitgereikte stedenbouwkundige vergunning die geen zakelijk recht heeft op het perceel dat door een bouwverbod wordt getroffen, geen aanspraak maken op de compensatie voor de door hem gemaakte kosten ter realisatie van de bestemming van het goed, terwijl de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde die dezelfde kosten heeft gemaakt, hiervoor wel wordt vergoed op grond van de in het geding zijnde bepaling.

B.5.2. Het bouwverbod volgend uit een definitieve aanwijzing als beschermd duingebied treft beide categorieën van personen in dezelfde mate. De eigenaar behoudt na de toepassing van het bouwverbod overigens het eigendomsrecht op het desbetreffende perceel, terwijl de houder van een regelmatig uitgereikte stedenbouwkundige vergunning die niet over een zakelijk recht op dat perceel beschikt, elk nut van die vergunning verliest.

Hoewel niet redelijkerwijze kan worden betwist dat het opleggen van het bouwverbod bedoeld in art. 52 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud een doelstelling van algemeen belang nastreeft, is de uitsluiting van de houder van een regelmatig uitgereikte stedenbouwkundige vergunning uit de compensatie waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, niet redelijkerwijze verantwoord.

B.5.3. In die interpretatie is art. 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud niet verenigbaar met art. 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de houder van een regelmatig uitgereikte stedenbouwkundige vergunning die geen zakelijk recht heeft op het perceel waarop het bouwverbod betrekking heeft, geen compensatie kan verkrijgen voor de door hem gemaakte kosten ter realisatie van de bestemming ervan.

B.6. De in het geding zijnde bepaling is evenwel voor een andere interpretatie vatbaar. De tekst van die bepaling maakt immers geen onderscheid tussen, enerzijds, de eigenaar of de houder van een zakelijk recht en, anderzijds, de houder van een bouwrecht of een stedenbouwkundige vergunning die niet over een zakelijk recht op het goed beschikt.

In die interpretatie maakt de eigenaar of de houder van een zakelijk recht aanspraak op de vergoeding waarin is voorzien in de in het geding zijnde bepaling, in zoverre die de waardevermindering van de eigendom beoogt te compenseren, terwijl de houder van een regelmatig uitgereikte stedenbouwkundige vergunning, recht heeft op compensatie voor de door hem gemaakte kosten ter realisatie van de bestemming van het goed, zelfs indien hij geen zakelijke rechten op het desbetreffende perceel heeft.

In die interpretatie bestaat het verschil in behandeling niet.
 

Noot: 

Ten deze weze opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof in dit arrest oordeelt dat de interpretatie die door het Hof van Cassatie (Cass. 7 september 2009, Arr.Cass. 2009, nr. 482, RW 2011-12, 1669) aan de in het geding zijnde bepaling werd gegeven en volgens welke de compensatie bedoeld in de in het geding zijnde bepaling enkel openstaat voor eigenaars en houders van andere zakelijke rechten, ongrondwettig is.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 01/12/2012 - 00:32
Laatst aangepast op: za, 01/12/2012 - 00:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.