-A +A

Na de afsluiting van vereffening of na fusie of splitsing verdwijnt de vereffende of geherstructureerde vennootschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 27/06/2017
A.R.: 
2015/AR/2497)

Ingevolge artikel 183, § 1 W.Venn. wordt een vennootschap na ontbinding geacht voort te bestaan voor haar vereffening. Zij behoudt derhalve haar rechtspersoonlijkheid. De sluiting van de vereffening van een vennootschap overeenkomstig de artikelen 194 en 195 W.Venn., maakt in beginsel een einde aan het bestaan en de rechtspersoonlijkheid van die vennootschap (Cass. 14 februari 2012, AR P.11.1181.N). Zij verdwijnt als afzonderlijk rechtssubject, zonder vermogen, organen of maatschappelijke zetel (cf. ook C. Hotterbeeckx, “Kan een vennootschap zich na de sluiting van haar vereffening nog verder verweren tegen de fiscus?”, TFR 2009, afl. 370, 890, nr. 3; C. Clottens, “Het lot van lopende gerechtelijke procedures na afsluiting van de vereffening van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid”, TRV 2010, 157-158; C. Berckmans, De vereffeningsprocedure, Mechelen, Kluwer, 2014, nr. 863 en J. Lambrechts, De vereffening van de BVBA en de NV, Mechelen, Kluwer, 2012, RNPS, 216).

Een vereffende vennootschap leidt echter nog een passief voortbestaan in de persoon van de vereffenaar. Overeenkomstig artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. kan een schuldeiser van de vennootschap immers nog gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing tot sluiting van de vereffening een vordering instellen tegen “de vereffenaar als zodanig”. Het betreft een fictie die het de schuldeisers mogelijk maakt om alsnog hun rechten te doen gelden tegen een vereffende vennootschap en zulks middels een vordering ingesteld tegen de vereffenaar. Het betreft een passief voortbestaan van de vennootschap die tevens omschreven wordt als “passieve rechtspersoonlijkheid” alhoewel, zoals hiervoor toegelicht, de sluiting van de vereffening in beginsel een einde maakt aan de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap.

Uit artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. volgt dat de vennootschap enkel nog kan worden aangesproken middels een vordering tegen “de vereffenaar als zodanig”, zijnde de vereffenaar qualitate qua, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de vereffende vennootschap. De tekst van de wet is ter zake duidelijk en behoeft geen nadere duiding. Na de sluiting van de vereffening houdt het actief bestaan van de vennootschap op en is zij vanaf dat ogenblik nog enkel aanspreekbaar als passieve rechtspersoon in de persoon en in de woonplaats van haar vereffenaar (cf. Gent 13 december 1988, FJF, No. 1989/251). De vereffenaar wordt derhalve overeenkomstig artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. de schuldenaar van de belasting na de sluiting van de vereffening van de belastingplichtige vennootschap.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/19
Pagina: 
1485
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(P.C. / Belgische Staat - Rolnr.: 2015/AR/2497)

(…)

1. De feiten
Huidige betwisting heeft betrekking op een btw-navordering bij dwangbevel, Reg. 127/12718, R.C.I.V. nr. 404/1109/37841, met betrekking tot de periode van 20 februari 2002 tot 5 juni 2003 voor een bedrag van 221.060,32 EUR in hoofdsom, meer geldboete ten bedrage van 442.120 EUR en interesten in toepassing van artikel 91, § 1 WBTW.

Bij buitengewone algemene vergadering van 23 december 2003 werd beslist tot de ontbinding van de NV X. Eiser in hoger beroep werd aangesteld als vereffenaar. De vereffening werd afgesloten bij beslissing van de algemene vergadering d.d. 1 maart 2004.

Op 9 november 2004 werd een proces-verbaal opgesteld door de BTW-administratie ten laste van X waarbij werd meegedeeld dat inzage was bekomen van een strafdossier met notitienummer X waaruit was gebleken dat een circuit van valse facturen was opgezet teneinde in hoofde van de afnemers, waaronder X, onterecht btw terug te vorderen. Tijdens de btw-controle op 8 september 2004 had eiser in hoger beroep de valsheid van de betrokken facturen erkend. De btw aangerekend in de valse facturen werd dan ook ten onrechte in aftrek gebracht en zulks voor een bedrag van 221.060,32 EUR. Tevens zou een boete van 200% verschuldigd zijn omdat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiking of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Op 23 november 2004 werd een dwangbevel Reg. 127/12718, R.C.I.V. nr. 404/1109/37841 uitgevaardigd lastens “X, in vereffening, X”, waarbij de ten onrechte in aftrek gebrachte btw, boete en interesten werden nagevorderd. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur a.i. van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen op 29 november 2004 en bij aangetekend schrijven d.d. 3 december 2004 ter kennis gebracht van “NV X in vereffening P/A X (vereffenaar), X”.

(…)

4. Bespreking
Het bestreden dwangbevel werd in casu uitgevaardigd na de sluiting van de vereffening van X bij beslissing van de algemene vergadering d.d. 1 maart 2004, lastens “NV X in vereffening”. NV X werd daarbij aangeduid als schuldenaar van de belasting en boete, meer interesten. De kennisgeving van het dwangbevel gebeurde enerzijds aan de NV X op het adres van haar maatschappelijke zetel en anderzijds aan “NV X in vereffening P/A X”. Eiser in hoger beroep is van oordeel dat het dwangbevel aldus werd uitgevaardigd lastens en ter kennis werd gebracht van een onbestaande rechtspersoon, waardoor het dwangbevel nietig is.

Artikel 85 WBTW bepaalt dat bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren een dwangbevel wordt uitgevaardigd door de met invordering belaste ambtenaar. De kennisgeving van het dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief. Het dwangbevel geldt als taxatietitel, waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebreke van spontane betaling van de verschuldigde belasting, doch eveneens als uitvoerbare titel, nodig voor de invordering van de fiscale schuld. Het betreft de eerste vervolgingsakte waarin melding wordt gemaakt van de identiteit van de vervolgende schuldeiser en van de schuldenaar van de belasting, waarbij opgave wordt gedaan van voorwerp en oorzaak van de belastingschuld (H. Vandebergh (ed.), BTW-Handboek, Gent, Larcier, 2014, nrs. 3008 en 3011).

Er wordt niet bepaald bij wet wie als schuldenaar van de belasting dient te worden aangemerkt indien de vereffening van de belastingplichtige vennootschap is afgesloten, zodat ter zake dient te worden teruggegrepen naar het gemeen recht, in casu het Wetboek Vennootschappen.

Ingevolge artikel 183, § 1 W.Venn. wordt een vennootschap na ontbinding geacht voort te bestaan voor haar vereffening. Zij behoudt derhalve haar rechtspersoonlijkheid. De sluiting van de vereffening van een vennootschap overeenkomstig de artikelen 194 en 195 W.Venn., maakt in beginsel een einde aan het bestaan en de rechtspersoonlijkheid van die vennootschap (Cass. 14 februari 2012, AR P.11.1181.N). Zij verdwijnt als afzonderlijk rechtssubject, zonder vermogen, organen of maatschappelijke zetel (cf. ook C. Hotterbeeckx, “Kan een vennootschap zich na de sluiting van haar vereffening nog verder verweren tegen de fiscus?”, TFR 2009, afl. 370, 890, nr. 3; C. Clottens, “Het lot van lopende gerechtelijke procedures na afsluiting van de vereffening van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid”, TRV 2010, 157-158; C. Berckmans, De vereffeningsprocedure, Mechelen, Kluwer, 2014, nr. 863 en J. Lambrechts, De vereffening van de BVBA en de NV, Mechelen, Kluwer, 2012, RNPS, 216).

Een vereffende vennootschap leidt echter nog een passief voortbestaan in de persoon van de vereffenaar. Overeenkomstig artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. kan een schuldeiser van de vennootschap immers nog gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing tot sluiting van de vereffening een vordering instellen tegen “de vereffenaar als zodanig”. Het betreft een fictie die het de schuldeisers mogelijk maakt om alsnog hun rechten te doen gelden tegen een vereffende vennootschap en zulks middels een vordering ingesteld tegen de vereffenaar. Het betreft een passief voortbestaan van de vennootschap die tevens omschreven wordt als “passieve rechtspersoonlijkheid” alhoewel, zoals hiervoor toegelicht, de sluiting van de vereffening in beginsel een einde maakt aan de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap.

Uit artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. volgt dat de vennootschap enkel nog kan worden aangesproken middels een vordering tegen “de vereffenaar als zodanig”, zijnde de vereffenaar qualitate qua, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de vereffende vennootschap. De tekst van de wet is ter zake duidelijk en behoeft geen nadere duiding. Na de sluiting van de vereffening houdt het actief bestaan van de vennootschap op en is zij vanaf dat ogenblik nog enkel aanspreekbaar als passieve rechtspersoon in de persoon en in de woonplaats van haar vereffenaar (cf. Gent 13 december 1988, FJF, No. 1989/251). De vereffenaar wordt derhalve overeenkomstig artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. de schuldenaar van de belasting na de sluiting van de vereffening van de belastingplichtige vennootschap.

Het hof stelt vast dat het dwangbevel in casu werd uitgevaardigd op naam van de NV X in vereffening op het adres van haar maatschappelijke zetel. De vordering van de administratie, door uitvaardiging van het dwangbevel, is derhalve niet gericht tegen de vereffenaar als zodanig. De vaststelling dat het dwangbevel, uitgevaardigd lastens NV X in vereffening, vervolgens ter kennis werd gebracht aan de NV X in vereffening P/A X doet geen afbreuk aan de vaststelling dat het dwangbevel werd uitgevaardigd lastens een rechtspersoon die in beginsel niet meer bestaat. Bovendien werd de kennisgeving niet gedaan aan het adres van de vereffenaar, doch op de maatschappelijke zetel van de vereffende vennootschap en op het adres van een derde. Uit de kennisgeving van het dwangbevel “P/A” kan dan ook niet worden afgeleid dat het dwangbevel werd uitgevaardigd lastens “de vereffenaar als zodanig”.

Dat de btw-schuld betrekking heeft op handelingen die door de vennootschap voor haar vereffening werden gesteld, rechtvaardigt niet de uitvaardiging van het dwangbevel lastens de vennootschap na afsluiting van de vereffening. De bevoegdheid om te handelen door middel van een dwangbevel bestaat immers alleen tegenover de wettelijke schuldenaar van de btw (H. Vandebergh, BTW-Handboek, Gent, Larcier, 2014, nrs. 3008, 3010 en 3011). Na de afsluiting van de vereffening is slechts de vereffenaar als zodanig, in toepassing van artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn., de wettelijke schuldenaar van de belasting, aangezien de vennootschap, gelet op het verlies van haar rechtspersoonlijkheid, niet meer bestaat. Het dwangbevel diende dan ook, om rechtsgeldig te zijn, te worden uitgevaardigd lastens de vereffenaar qualitate qua, als vertegenwoordiger van de vereffende vennootschap.

Het gaat daarbij niet om een materiële vergissing in de identificatie van de schuldenaar van de belasting in het bijzonder nu dient te worden vastgesteld dat het dwangbevel ook niet werd verzonden naar het adres van de vereffenaar maar naar de maatschappelijke zetel en naar het adres van een derde (vgl. Gent 13 december 1988, FJF, No. 1989/251 en C. Hotterbeeckx, “Kan een vennootschap zich na de sluiting van haar vereffening nog verder verweren tegen de fiscus?”, TFR 2009, afl. 370, 890, nr. 11). Het gaat dan ook geenszins om een slechte identificatie doch om een foutieve identificatie die de nietigheid van het dwangbevel met zich meebrengt aangezien een verkeerde schuldenaar van de belasting wordt aangeduid.

Belangenschade dient daarbij niet te worden aangetoond aangezien het dwangbevel een administratieve rechtshandeling is en geen proceshandeling waarop de artikelen 860 Ger.W. en volgende van toepassing zijn (Cass. 3 maart 2011, AR F.10.0039.F). Ook de vaststelling dat het normdoel zou zijn bereikt, doet geen afbreuk aan de vastgestelde nietigheid van het dwangbevel.

Aangezien het dwangbevel derhalve niet werd uitgevaardigd lastens de vereffenaar als zodanig, doch lastens de NV X in vereffening, die door de sluiting van de vereffening geen rechtspersoonlijkheid meer bezat en derhalve was opgehouden te bestaan, is het dwangbevel nietig.

Het bestreden vonnis dient te worden hervormd.

(…)

 

Noot: 

Sas, T., « Wie te taxeren na de sluiting van de vereffening of de herstructurering van een vennootschap? », R.A.B.G., 2017/19, p. 1494-1500

zie ook:

• Antwerpen, 27/06/2017, R.A.B.G., 2017/19, p. 1488-1491

(P.C. / Belgische Staat - Rolnr.: 2015/AR/2498)

(Advocaten: Mr. C. Barbier en Mr. Onclin loco Mr. F. Reard)

(…)

1. De feiten
Huidige betwisting heeft betrekking op twee supplementaire aanslagen in de vennootschapsbelasting ingekohierd op naam van NV X voor de aanslagjaren 2002 en 2003, respectievelijk gekend onder de artikelen 455122 en 850024538, respectievelijk uitvoerbaar verklaard op 16 december 2004 en 20 januari 2005 en verzonden op 27 december 2004 en 25 januari 2005.

Voor beide aanslagjaren werd een tijdige aangifte ingediend, waarna twee aanvankelijke aanslagen werden ingekohierd, onder artikel 831216296 voor aanslagjaar 2002 en onder artikel 840492982 voor aanslagjaar 2003.

Bij buitengewone algemene vergadering van 23 december 2003 werd beslist tot de ontbinding van de NV X. Eiser in hoger beroep werd aangesteld als vereffenaar. De vereffening werd afgesloten bij beslissing van de algemene vergadering d.d. 1 maart 2004.

Op 12 en 20 oktober 2004 werden berichten van wijziging van aangifte verzonden aan “vereffenaar NV X (in vereffening)” waarbij werd aangekondigd dat inzage was bekomen van een strafdossier met notitienummer X waaruit was gebleken dat een circuit van valse facturen was opgezet teneinde in hoofde van de afnemers van deze facturen, waaronder NV X, fictieve onkosten te boeken om aldus de verschuldigde belasting te ontduiken en onterecht btw terug te vorderen. De gefactureerde bedragen zouden, inclusief btw, het vermogen van de vennootschap hebben verlaten aangezien zij werden aangewend voor de betaling van zwarte lonen en zulks voor een bedrag van 513.401,25 EUR in aanslagjaar 2002 en 760.327,03 EUR in aanslagjaar 2003. De effectief betaalde valse facturen zouden in toepassing van artikel 219 WIB 1992 aan de aanslag geheime commissielonen worden onderworpen. De toepassing van een belastingverhoging van 200% werd aangekondigd, wegens belastingontduiking, gebruikmakend van valse facturen.

Bij aangetekend schrijven d.d. 9 november 2004 deelde eiser in hoger beroep als vereffenaar van de NV X mee niet te kunnen instemmen met de aangekondigde wijzigingen. Er werd op gewezen dat het gerechtelijk onderzoek nog lopende was en dat eiser in hoger beroep nog geen inzage had bekomen van het strafdossier. De verklaringen waarop werd gesteund, zouden onder bijzondere druk zijn afgelegd en de berichten van wijziging van aangifte zouden dienvolgens onvoldoende gemotiveerd zijn. In ieder geval werd ten onrechte toepassing gemaakt van de aanslag geheime commissielonen en van een belastingverhoging van 200%.

De BBI Hasselt deelde bij kennisgeving van beslissing tot taxatie d.d. 7 december 2004 mee de aangekondigde wijzigingen te zullen behouden. Deze zouden niet willekeurig zijn. De opeenvolgende opmerkingen van eiser in hoger beroep werden daarbij beantwoord. De bestreden aanslagen werden aldus ingekohierd voor aanslagjaar 2002 op naam van “NV X

(in vereffening) aan de vereffenaar X”; op 16 december 2004 onder artikel 455122 en voor aanslagjaar 2003 op naam van “NV X c/o X” op 20 januari 2005 onder 850024538.

Eiser in hoger beroep tekende “in zijn hoedanigheid van vereffenaar van NV X” bezwaar aan tegen beide aanslagen bij aangetekende brieven van 25 februari 2005, bezwaar dat werd afgewezen bij directoriale beslissing d.d. 19 juni 2006.

(…)

4. Bespreking
De bestreden aanslagen werden in casu ingekohierd na de sluiting van de vereffening van de NV X bij beslissing van de algemene vergadering d.d. 1 maart 2004. Blijkens het aanslagbiljet werd de bestreden aanslag voor aanslagjaar 2002 ingekohierd op naam van “NV X (in vereffening) aan de vereffenaar X”. De bestreden aanslag voor aanslagjaar 2003 werd ingekohierd op naam van “NV X c/o X”. Eiser in hoger beroep is van oordeel dat de aanslagen aldus werden ingekohierd in hoofde van een onbestaande rechtspersoon en derhalve nietig zijn.

Artikel 133, eerste lid KB/WIB 1992 bepaalt dat de aanslagen ten kohiere worden gebracht op naam van de betrokken belastingschuldigen. Er wordt niet bepaald bij wet wie als betrokken belastingschuldige dient te worden aangemerkt indien de vereffening van de belastingplichtige vennootschap is afgesloten, zodat ter zake dient te worden teruggegrepen naar het gemeen recht, in casu het Wetboek Vennootschappen.

Ingevolge artikel 183, § 1 W.Venn. wordt een vennootschap na ontbinding geacht voort te bestaan voor haar vereffening. Zij behoudt derhalve haar rechtspersoonlijkheid. De sluiting van de vereffening van een vennootschap overeenkomstig de artikelen 194 en 195 W.Venn. maakt in beginsel een einde aan het bestaan en de rechtspersoonlijkheid van die vennootschap (Cass. 14 februari 2012, AR P.11.1181.N). Zij verdwijnt als afzonderlijk rechtssubject, zonder vermogen, organen of maatschappelijke zetel (cf. ook C. Hotterbeeckx, “Kan een vennootschap zich na de sluiting van haar vereffening nog verder verweren tegen de fiscus?”, TFR 2009, afl. 370, 890, nr. 3; C. Clottens, “Het lot van lopende gerechtelijke procedures na afsluiting van de vereffening van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid”, TRV 2010, 157-158; C. Berckmans, De vereffeningsprocedure, Mechelen, Kluwer, 2014, nr. 863 en J. Lambrechts, De vereffening van de BVBA en de NV, Mechelen, Kluwer, 2012, RNPS, 216).

Een vereffende vennootschap leidt echter nog een passief voortbestaan in de persoon van de vereffenaar. Overeenkomstig artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. kan een schuldeiser van de vennootschap immers nog gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing tot sluiting van de vereffening, een vordering instellen tegen “de vereffenaar als zodanig”. Het betreft een fictie die het de schuldeisers mogelijk maakt om alsnog hun rechten te doen gelden tegen een vereffende vennootschap en zulks middels een vordering ingesteld tegen de vereffenaar. Het betreft een passief voortbestaan van de vennootschap die tevens omschreven wordt als “passieve rechtspersoonlijkheid” alhoewel, zoals hiervoor toegelicht, de sluiting van de vereffening in beginsel een einde maakt aan de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap.

Uit artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. volgt dat de vennootschap enkel nog kan worden aangesproken middels een vordering tegen “de vereffenaar als zodanig”, zijnde de vereffenaar qualitate qua, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de vereffende vennootschap. De tekst van de wet is ter zake duidelijk en behoeft geen nadere duiding. Na de sluiting van de vereffening houdt het actief bestaan van de vennootschap op en is zij vanaf dat ogenblik nog enkel aanspreekbaar als passieve rechtspersoon in de persoon en in de woonplaats van haar vereffenaar (cf. Gent 13 december 1988, FJF, No. 1989/251). De vereffenaar wordt derhalve overeenkomstig artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. de betrokken belastingschuldige in de zin van artikel 133 KB/WIB 1992 na de sluiting van de vereffening van de belastingplichtige vennootschap.

Het hof stelt vast dat de aanslagen in casu werden ingekohierd op naam van de NV.

De vordering van de administratie, door inkohiering van de bestreden aanslagen, is derhalve niet gericht tegen de vereffenaar als zodanig. Het tegendeel kan niet worden afgeleid uit de vermelding op de aanslagbiljetten “aan de vereffenaar” of “%”, nu deze vermeldingen slechts betrekking hebben op de verzending van de aanslagbiljetten aan de vereffenaar. Er kan niet uit worden afgeleid dat de aanslagen zelf op naam van “de vereffenaar als zodanig” werden ingekohierd.

Aangezien de aanslagen derhalve niet werden ingekohierd op naam van de vereffenaar als zodanig, doch op naam van de NV die door de sluiting van de vereffening geen rechtspersoonlijkheid meer bezat en derhalve was opgehouden te bestaan, zijn ze nietig.

Het bestreden vonnis dient te worden hervormd.

Aangezien de nietigheid van de betwiste aanslagen niet wordt uitgesproken op grond van verjaring, beveelt het hof in toepassing van artikel 356 WIB 1992 de heropening der debatten, teneinde de Belgische Staat de mogelijkheid te bieden om binnen de zes maanden te rekenen vanaf onderhavig arrest, subsidiaire aanslagen ter beoordeling voor te leggen aan het hof.

Gent, 14/06/2016, R.A.B.G., 2017/19, p. 1491-1494

(A. NV / Belgische Staat/Federale Overheidsdienst Financiën - Rolnr.: 2015/AR/197)

(…)

2. De feitelijke gegevens
Het geding heeft betrekking op een aanslag in de vennootschapsbelasting, gevestigd op 30 december 1992 in hoofde van L.I. NV voor het aanslagjaar 1990, opgenomen in het kohier van de gemeente Nieuwpoort onder artikel 210.147.

Op 27 november 1992 verzond de administratie naar L.I. NV een bericht van wijziging waarin ze aankondigde dat het verlies op de verrichtingen met Italiaanse obligaties niet wordt aanvaard. De administratie stelde hierbij dat de beweerde verrichtingen tot een bij voorbaat weloverwogen verlies hebben geleid, hetgeen niet beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 1992. De administratie stelt in het bericht van wijziging dat het doel van de beweerde verrichtingen gericht was op het geheel of gedeeltelijk ontsnappen aan de vennootschapsbelasting. Om die redenen dienen volgens het bericht van wijziging niet alleen het verlies maar ook de gevolgen van deze verrichting te worden geweerd. De verrekening van de forfaitaire buitenlandse belasting (hierna FBB genoemd) kan volgens het bericht van wijziging niet worden toegestaan en de FBB kan niet worden opgenomen onder de verworpen uitgaven.

De administratie vestigde op 30 december 1992 de thans bestreden aanslag in de vennootschapsbelasting op naam van L.I. NV.

Bij brief van 31 maart 1993 diende de appellante een bezwaarschrift in tegen deze aanslag.

Met een verzoekschrift van 29 augustus 2006 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

De vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, heeft in zijn vonnis van 13 oktober 2014, zoals hoger vermeld, de vordering van de appellante ongegrond verklaard.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld. Het blijkt niet dat dit vonnis is betekend of dat de appellante er in zou hebben berust. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

3. De aanslag gevestigd op naam van de ontbonden vennootschap
Op 30 juni 1992 werd een algemene vergadering gehouden van L.I. NV voor notaris Jean-Philippe Lagae te Brussel, waarbij vastgesteld werd dat L.I. NV de eigenares is geworden van alle aandelen van L.I. NV en waarbij deze aandeelhouder verzocht heeft vast te stellen dat ze de ontbinding vordert van L.I. NV en de sluiting van de vereffening en dat ze in het bezit is gekomen van het gehele actief en passief vermogen van de ontbonden vennootschap en bovendien alle verplichtingen van L.I. NV op zich neemt.

Deze beslissingen werden gepubliceerd in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van 30 juli 1992 (stuk 1 van de appellante).

Door de wet van 29 juni 1993 werd de zogenaamde geruisloze fusie mogelijk gemaakt, namelijk de fusie waarbij de opgeslorpte vennootschap onmiddellijk uit het rechtsverkeer verdwijnt, zonder dat zij nog moet worden ontbonden en vereffend (art. 671 W.Venn.; zie B. Tilleman, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, p. 85, nr. 146). De opgeslorpte vennootschap houdt van rechtswege op te bestaan en kent aldus geen passief bestaan meer na de fusie (art. 682, al. 1, 1° W.Venn., het vroegere art. 174/10 Vennootschapswet).

Krachtens artikel 671 W.Venn. is “fusie door overneming” de rechtshandeling waarbij het gehele vermogen van één of meer vennootschappen, zowel de rechten als de verplichtingen, als gevolg van ontbinding zonder vereffening op een andere vennootschap overgaat tegen uitreiking van aandelen in de verkrijgende vennootschap aan hun vennoten, eventueel met een opleg.

Op grond van artikel 198, § 1, derde streepje van het Wetboek van Vennootschappen moet het kohier in hoofde van een vereffende vennootschap gevestigd worden op naam van de vereffenaar qualitate qua (in de hoedanigheid van).

Het uitvoerbaar verklaarde kohier kan in de regel slechts ten uitvoer worden gelegd tegen de bij name in dat kohier vermelde belastingschuldige of belastingschuldigen. De tenuitvoerlegging van het kohier tegen andere personen is slechts mogelijk wanneer zulks voortvloeit uit het systeem van de wet (Cass. 22 november 2007, F.06.0053.N; vindplaats: http://jure.juridat.just.fgov.be/JuridatSearchCombined/?lang=nl).

De appellante stelt terecht dat de aanslag op 30 december 1992 niet meer op naam van L.I. NV kon gevestigd worden waarvan de vereffening werd gesloten op 30 juni 1992 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 30 juli 1992), zodat de vennootschap van dan af niet langer meer bestond.

De bestreden aanslagen, die gevestigd werden op naam van L.I. NV nadat deze vennootschap had opgehouden te bestaan, zijn dan ook nietig (vgl. Cass. 18 juni 2009, rolnr. F.08.0034.F, vindplaats: http://jure.juridat.just.fgov.be).

De nietigverklaring van de aanslag doet de vraag rijzen over de toepasselijkheid van artikel 356 WIB 1992, namelijk de mogelijkheid voor de administratie om een subsidiaire aanslag aan het hof voor te leggen.

Het laatste lid van artikel 356 WIB 1992 bepaalt het volgende:

“Wanneer de subsidiaire aanslag gevestigd wordt in hoofde van een overeenkomstig artikel 357 gelijkgestelde belastingschuldige, wordt die aanslag aan de rechter onderworpen door een aan de gelijkgestelde belastingschuldige betekend verzoekschrift met dagvaarding om te verschijnen.”

Artikel 357, 3° WIB 1992 luidt als volgt:

“Voor de toepassing van de artikelen 355 en 356 worden met dezelfde belastingschuldige gelijkgesteld:

[…]

3° de overnemende of de verkrijgende vennootschappen, naar gelang het geval;

[…]”

De opname in artikel 357, 3° WIB 1992 van de overnemende of de verkrijgende vennootschappen gebeurde door artikel 32 van de wet van 22 december 2008 houdende wijziging van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 teneinde het in overeenstemming te brengen met de richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat, gewijzigd bij richtlijn 2008/19/EEG van de Raad van 17 februari 2005 (BS 12 januari 2009) en overeenkomstig artikel 35 van die wet is die bepaling slechts van toepassing voor verrichtingen of overbrengingen die plaatsvinden vanaf de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad, dus vanaf 12 januari 2009.

De fusie door overname dateert van 30 juni 1992, gepubliceerd op 30 juli 1992. Op deze verrichting kan artikel 357, 3° WIB 1992 niet toegepast worden. Het staat vast dat de geïntimeerde geen subsidiaire aanslag zou kunnen vestigen op naam van de appellante als “overnemende vennootschap” in de zin van artikel 357, 3° WIB 1992. Er is dan ook geen reden om het debat te heropenen om de geïntimeerde de kans te geven een subsidiaire aanslag ter geldig- en invorderbaarverklaring voor te leggen aan het hof.

(…)

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/12/2017 - 12:27
Laatst aangepast op: ma, 25/12/2017 - 12:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.