-A +A

Motiveringsplicht telefoontap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 20/05/2010
A.R.: 
P.10.0834.N

Elke beschikking tot machtiging van een afluistermaatregel dient gemotiveerd.

De motiveringsverplichtingen werd opgenomen in artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1° en 2°, Wetboek van Strafvordering.

Deze bepaling stelt dat  

• de aanwijzingen en concrete feiten moeten vermeld worden eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 90ter van hetzelfde wetboek,
• alsmede de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen,

Deze motivering is niet aan bepaalde wettelijk voorgeschreven of uitdrukkelijke bewoordingen onderworpen: ze kan blijken uit de samenhang van de bewoordingen van de beschikking waarbij machtiging wordt verleend en aan die motiveringsverplichting kan ook worden voldaan indien de beschikking ondubbelzinnig verwijst naar stukken van het strafdossier waarin deze vermeldingen zijn opgenomen en de beschikking zich door die verwijzing de inhoud van die stukken eigen maakt. Zie ook Cass., 1 mei 1933, Pas., 1933, I, 211.

Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.10.0834.N
I
K. R. D.,
beklaagde,
eiser.
II
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22,
vervolgende partij,
eiser, 
tegen
1. E. H. J. V. G
beklaagde, gedetineerd,
2. S. P.,
beklaagde,
3. A. D.,
beklaagde,
4. V. S.,
beklaagde,
5. S. NO., 
beklaagde,
6. E. E. B.,
beklaagde,
7. C. O. J. P.,
beklaagde,
8. C. K. M. B.,
beklaagde,
verweerders.
III
1. A. K., ,
beklaagde,
2. S. N.,
beklaagde,
3. B. A. S. K.,
beklaagde,
eisers,
de cassatieberoepen III. 1 en III. 2 tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22,
vervolgende partij,
verweerder.
IV
E. E.t B.,
beklaagde,
eiser,
tegen
1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22,
vervolgende partij,
2. IMPERIAL TOBACCO Ltd, met zetel te BS99 ZUJ Bristol (Verenigd Koninkrijk), POB 244, Upton Road ,
burgerlijke partij,
verweerders.
V
T. P. L. V. D.,
beklaagde,
eiser.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 maart 2010.
De eiser II doet zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep in zoverre gericht tegen de verweerders II.2, II.3 en II.4
De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
De eiser III.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen.
De eisers III.2. en III.3. voeren in memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens twee middelen aan.
De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
De overige eisers voeren geen middelen aan.
Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen


1. Het bestreden arrest verklaart de telastleggingen I en M van de zaak I voor de periode tussen 1 juni 2002 en 1 september 2002 in hoofde van de eisers I, III.3 en V niet bewezen. Het verklaart de eiser I niet schuldig aan de ten laste gelegde feiten LIg en N van de zaak I, de eiser III.1 aan de feiten K van de zaak I, de eiser III.2 aan de feiten I, LIa, M en N van de zaak I en C van de zaak IV, de eiser III.3 aan de feiten LIc en N van de zaak I, de eiser IV aan de feiten LId van de zaak I en C van de zaak IV en de eiser V aan de feiten LIg en N van de zaak I, het spreekt hen daarvoor vrij en het ontslaat hen van elke uit dien hoofde tegen hen ingestelde rechtsvervolging.
De cassatieberoepen gericht tegen deze beslissingen zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. Het blijkt niet dat het cassatieberoep van de eiser II is betekend aan de verweerders II.5 tot en met II.8.
Dit cassatieberoep is wat deze verweerders betreft niet ontvankelijk.
Middel van de eiser II
Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het bestreden arrest doet geen uitspraak over de vordering van de eiser II tot solidaire veroordeling van de verweerder II.1 tot betaling van de invoerrechten verschuldigd op de aan het douanetoezicht onttrokken sigaretten voor een bedrag van 14.450,56 euro.

4. Met de op verzoek van de eiser II in de zaak III uitgebrachte dagvaarding eiste deze de solidaire veroordeling van de verweerder II.1 tot betaling van een bedrag van 14.450,56 euro, zijnde de invoerrechten verschuldigd op de aan het toezicht onttrokken sigaretten, voorwerp van de telastlegging A.
Het bestreden arrest, dat de verweerder II.1 schuldig verklaart aan het feit A van de zaak III (p. 148), oordeelt niet over deze vordering.
Het onderdeel is gegrond.
Tweede en derde onderdeel

5. Deze onderdelen, die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.
Eerste middel van de eiser III.1

6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 263 en 264 AWDA, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het bestreden arrest stelt de afstand van het hoger beroep van de administratie in de zaken II en IV vast zonder wettelijke basis (eerste onderdeel); door die afstand vast te stellen spijts het verzet van de eiser III.1 werd deze verschalkt en kon hij geen tegenspraak meer voeren omtrent de zaken  II en IV en omtrent de eenheid van opzet tussen de zaken I, II en IV (tweede onderdeel).

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- het beroepen vonnis van 10 april 2008 de eiser III.1 in de zaken II en IV telkens heeft veroordeeld tot gevangenisstraf, geldboete, bijzondere verbeurdverklaring en tot betaling van rechten;
- de administratie en het openbaar ministerie van dit vonnis, wat betreft de eiser III.1, in hoger beroep zijn gekomen en deze eiser zelf geen hoger beroep heeft ingesteld;
- de administratie voor de rechter in hoger beroep heeft verklaard afstand te doen van haar hoger beroep wat betreft de eiser III.1 in de zaken II en IV.

8. Het hoger beroep van de administratie tegen een veroordelend vonnis brengt niet alleen de belangen van de vervolgende partij bij de rechter in hoger beroep aan, maar ook die van de beklaagde, zelfs wanneer die niet in hoger beroep is gekomen.
De administratie die de publieke vordering waarover zij beschikt heeft aangebracht bij de rechter in hoger beroep, kan slechts van haar hoger beroep afstand doen indien die afstand gepaard gaat met een afstand van rechtsvordering of een dergelijke afstand impliceert.
De afstand door de administratie van haar hoger beroep tegen een vonnis dat de beklaagde heeft veroordeeld, gaat niet gepaard met een afstand van rechtsvordering en impliceert evenmin een dergelijke afstand, maar leidt integendeel ertoe dat de beroepen veroordelende beslissing definitief wordt.

9. Het bestreden arrest oordeelt:
- met betrekking tot het recht van de administratie om afstand te doen van het door haar ingestelde hoger beroep als volgt: "Inzake douane en accijnsmisdrijven oefent de administratie der douane en accijnzen de vervolging niet enkel uit, zij beschikt er ook over en is derhalve de motor van de strafvordering. (...) De door de administratie der douane en accijnzen gedane afstand van hoger beroep behelst uiteraard geen afstand van haar vordering, doch enkel van een rechtsmiddel, zodat de argumentatie van [de eiser III.1] ter zake niet dienend is." (p. 55) en het stelt die afstand van hoger beroep ook vast (p. 143);
- dat gelet op die afstand en de aanvullende rol van het openbaar ministerie met betrekking tot de hoofdgevangenisstraffen het hoger beroep van het openbaar ministerie ten aanzien van de eiser III.1 in de zaken II en IV zonder voorwerp is (p. 55);
- dat de zaken II en IV wat betreft de eiser III.1 niet meer aanhangig zijn voor de rechter in hoger beroep (p. 56).
Deze beslissing is niet naar recht verantwoord.
Het middel is gegrond.
Tweede middel van de eiser III.1

10. Het middel voert schending aan van artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1° en 2°, Wetboek van Strafvordering: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat het volstaat dat de tapmaatregelen melding maken van één van de misdrijven die voorkomen op de door artikel 90ter Wetboek van Strafvordering bedoelde lijst zonder dat de beschikkingen zelf enige concrete motivering eigen aan de zaak moeten verschaffen (eerste onderdeel); het bestreden arrest weigert ten onrechte de tapbeschikkingen nietig te verklaren niettegenstaande deze niet concreet vermelden waarom ze onontbeerlijk zijn om de waarheid aan de dag te leggen (tweede en derde onderdeel).

11. Volgens artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1° en 2°, Wetboek van Strafvordering moet elke beschikking waarbij machtiging wordt verleend tot een bewakingsmaatregel van afluisteren, op straffe van nietigheid de aanwijzingen en de concrete feiten vermelden, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 90ter Wetboek van Strafvordering, evenals de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen.
Volgens artikel 90ter, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, kan de onderzoeksrechter slechts de bewakingsmaatregel van het afluisteren bevelen indien er ernstige aanwijzingen bestaan dat het feit waarvoor hij geadieerd is, een strafbaar feit is bedoeld in één van de bepalingen opgesomd in § 2, en indien de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.
De beschikking waarbij machtiging wordt verleend tot een bewakingsmaatregel van afluisteren moet om te voldoen aan artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering derhalve de ernstige aanwijzingen vermelden met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor een bewakingsmaatregel is toegelaten.
De vermelding in een beschikking waarbij machtiging wordt verleend tot een bewakingsmaatregel van afluisteren dat andere onderzoeksdaden niet volstaan, voldoet niet aan de bijzondere motiveringsvereiste van artikel 90quater, § 1, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering. De beschikking moet vermelden waarom de maatregel concreet onontbeerlijk is.

12. De naleving van de motiveringsverplichtingen van artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1° en 2°, Wetboek van Strafvordering, is niet aan bepaalde wettelijk voorgeschreven of uitdrukkelijke bewoordingen onderworpen. Ze kan blijken uit de samenhang van de bewoordingen van de beschikking waarbij machtiging wordt verleend tot een bewakingsmaatregel van afluisteren.
Aan de motiveringsverplichting kan ook worden voldaan indien de beschikking ondubbelzinnig verwijst naar stukken van het strafdossier waarin deze vermeldingen zijn opgenomen en de beschikking zich door die verwijzing de inhoud van die stukken eigen maakt.

13. De beschikkingen van de onderzoeksrechter vermelden dat er ernstige aanwijzingen zijn voor de feiten waarvoor het gerechtelijk onderzoek is gevorderd, zonder die aanwijzingen zelf te concretiseren. Zij vermelden ook dat uit het dossier ernstige aanwijzingen blijken dat de persoon tegen wie het gerechtelijk onderzoek is gevorderd deel uitmaakt van een criminele organisatie, zonder evenwel ondubbelzinnig aan te geven uit welke dossierstukken die ernstige aanwijzingen blijken en of zij de inhoud van die dossierstukken geheel of ten dele overnemen.
Zij vermelden evenmin de concrete redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan het licht te brengen.
Aldus verantwoordt het bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht.
Het middel is gegrond.
Eerste middel van de eisers III.2 en III.3

14. Dit middel heeft eenzelfde strekking als het tweede middel van de eiser III.1.
Het is gegrond om de hierboven gegeven reden.
Ambtshalve middel
Geschonden wettelijke bepaling
- artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1° en 2°, Wetboek van Strafvordering.

15. Om de reden, vermeld in het antwoord op tweede middel van de eiser III.1, is de beslissing van de appelrechters op de strafvordering in de zaak I lastens de eisers I, IV en V eveneens niet naar recht verantwoord.
Derde middel van de eiser III.1 en het tweede middel van de eisers III.2 en III.3

16. Deze middelen die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.
Middel van de eiser IV

17. Het middel voert schending aan artikel 7 EVRM en artikel 2 Strafwetboek: het bestreden arrest houdt geen rekening met de arresten nr. 138/2006 van 14 september 2006 en nr. 165/2006 van 8 november 2006 van het Grondwettelijk Hof die de strafrechter toelaten de door artikel 23 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie bepaalde geldboete te matigen bij de aanwezigheid van verzachtende omstandigheden.

18. In zoverre het middel betrekking heeft op de strafvordering behoeft het gelet op de hierna uit te spreken vernietiging geen antwoord.

19. Het bestreden arrest veroordeelt de eiser IV in de zaak IV solidair tot betaling van ontdoken accijnsrechten, specifieke accijnzen en specifieke bijzondere accijnsrechten op sigaretten. Die veroordeling is geen straf, maar heeft een burgerrechtelijk karakter.
Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.
Omvang van de cassatie

20. De appelrechters leggen de eiser III.2 één straf op voor de bewezen verklaarde feiten van de zaak I en voor de telastleggingen A en B van de zaak IV.

21. De appelrechters leggen de eiser IV één straf op voor de bewezen verklaarde feiten van de zaak I en voor de telastlegging A van de zaak IV.

22. De vernietiging op de strafvordering in de zaak I leidt tot vernietiging van de opgelegde straf, de bijdrage aan het slachtofferfonds en de kostenveroordeling.

23. De vernietiging van de beslissing op de strafvordering lastens de eiser IV in de zaak I brengt de vernietiging mee van de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster IV.2.
Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen op de strafvordering

24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum


Het Hof,
Verleent de eiser II akte van de hiervoor bepaalde afstand.
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het:
- geen uitspraak heeft gedaan over de vordering van de eiser II tegenover de verweerder II.1 tot betaling van 14.450,56 euro invoerrechten;
- de afstand van hoger beroep van de verweerder III met betrekking tot de eiser III.1 in de zaken II en IV heeft vastgesteld, als gevolg daarvan het hoger beroep van het openbaar ministerie zonder voorwerp heeft verklaard en heeft vastgesteld dat de zaken II en IV voor wat betreft de eiser III.1 niet meer aanhangig waren;
- uitspraak deed over de strafvordering in de zaak I lastens de eiser I, de eiser III.1, de eiser III.2, de eiser III.3, de eiser IV en de eiser V, over de straf van de eiser III.2 wegens de telastleggingen A en B van de zaak IV en van de eiser IV wegens de telastlegging A van de zaak IV, evenals over de bijdrage aan het slachtofferfonds en de kosten;
- uitspraak deed over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster IV.2 lastens de eiser IV in de zaak I.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Veroordeelt de eiser III.2 en de eiser IV elk in een derde van de kosten van hun cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser II in vijf zesde van de kosten van zijn cassatieberoep.
Veroordeelt de verweerder II.1 in het overige zesde.
Laat de overige kosten van de cassatieberoepen van de eisers III.2 en IV ten laste van de Staat.
Laat de kosten van de cassatieberoepen van de eiser I , III.1, III.3 en V ten laste van de Staat.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Bepaalt de kosten in het geheel op 1.318,39 euro waarvan op de cassatieberoepen I en V telkens 206,97 euro verschuldigd is, op het cassatieberoep II 486,97 euro en op de cassatieberoepen III en IV telkens 208,74 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer.

Noot: 

Pim Vanwalleghem, Rechter neemt bijzondere motiveringsplicht tapbeschikking best ernstig, Juristenkrant 9 februari 2011, 7.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 20/05/2011 - 13:44
Laatst aangepast op: zo, 30/07/2017 - 11:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.