-A +A

Motiveringsplicht Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 10/12/2015
A.R.: 
D.15.0003.N

Krachtens de artikelen 53, derde lid, en 61 van het koninklijk besluit van 20 juli 2012 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars, zijn de beslissingen van de kamers van beroep met redenen omkleed; dit houdt in dat de beslissing op de tuchtvordering melding maakt van de redenen die de rechter hebben overtuigd van het al dan niet bestaan van een tuchtrechtelijke inbreuk, ongeacht of een conclusie werd ingediend.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. D.15.0003.N
BEROEPSINSTITUUT VAN VASTGOEDMAKELAARS, publiekrechtelijke rechtspersoon, vertegenwoordigd door zijn Nationale Raad, met zetel te 1000 Brussel, Luxemburgstraat 16B,
eiser,
tegen
L. H.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Nederlandstalige kamer van beroep van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars van 27 november 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens de artikelen 53, derde lid, en 61, van het koninklijk besluit van 20 juli 2012 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars, zijn de beslissingen van de kamers van beroep met redenen omkleed.

Dit houdt in dat de beslissing op de tuchtvordering melding maakt van de redenen die de rechter hebben overtuigd van het al dan niet bestaan van een tuchtrechtelij-ke inbreuk, ongeacht of een conclusie werd ingediend.

2. De appelrechters oordelen dat "(u)it de neergelegde stukken alsmede uit de debatten ter zitting is gebleken dat de inbreuken op de artikelen 1 en 29 van het Reglement van de plichtenleer van het B.I.V., goedgekeurd bij K.B. dd. 27 sep-tember 2006 (cf. dossier T5782), - vooralsnog - niet afdoende bewezen voorko-men."

Aldus vermelden de appelrechters niet de concrete redenen, zij het op beknopte wijze, die hen hebben overtuigd van het niet-bestaan van de tuchtrechtelijke in-breuk.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt de bestreden beslissing, behalve in zoverre het oordeelt dat het hoger beroep ontvankelijk is.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde beslissing.
Veroordeelt de verweerder tot de kosten.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de kamer van beroep van het Beroepsinsti-tuut van vastgoedmakelaars met het Nederlands als voertaal, anders samengesteld.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 643,29 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer in openbare rechtszitting van 10 december 2015 

VOORZIENING IN CASSATIE

 

VOOR: Het BEROEPSINSTITUUT VAN VASTGOEDMAKELAARS, publiekrechtelijk rechtspersoon, vertegenwoordigd door haar Nationale Raad, gevestigd te 1000 Brussel, Luxemburgstraat 16b, met ondernemingsnummer 0267.300.821,

EISERES TOT CASSATIE,

TEGEN: De heer L. H.,

VERWEERDER IN CASSATIE.

 

 

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

 

 

Eiseres in cassatie heeft de eer de op 27 november 2014 door de Neder-landstalige Kamer van Beroep van het Beroepsinstituut van Vastgoedma-kelaars gewezen beslissing (beslissing nr. 960; rol nr. KvB 889), aan de wettigheidscontrole van Uw Hof te onderwerpen.

 

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Verweerder werd vervolgd om ondeontologisch gehandeld te hebben, meer bepaald om

- zich schuldig te hebben gemaakt aan schriftvervalsing en oplichting door op de overeenkomst dd. 26 oktober 2010 tot vrijwillige ontbinding van de verkoopovereenkomst dd. 28 mei 2010 van een woning gelegen te, eigenhandig bij te schrijven dat de kosten en de vergoeding van de makelaar door de ex-koper dienen te worden vergoed, de aldus gemanipuleerde overeenkomst te laten registreren en vervolgens aanspraak te maken op een vergoeding voor zijn tussenkomst in de minnelijk ontbonden verkoop van voormeld pand (schending van artikel 1 van het Reglement van plichtenleer, goedgekeurd bij KB van 27 september 2006, en van de artikelen 196 en 496 van het Strafwetboek);

- nagelaten te hebben de door kopers betaalde waarborg van 14.600 euro , na de minnelijke ontbinding van de koop van voormelde woning terug te betalen (schending van artikel 29 van het Reglement van plichtenleer, goedgekeurd bij KB van 27 september 2006, en van artikel 196 van het Strafwetboek).

Bij beslissing van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer dd. 15 november 2013 werd verweerder voor deze beide inbreuken samen, tuchtrechtelijk geschrapt.

In de thans bestreden beslissing dd. 27 november 2014, gewezen op hoger beroep van verweerder, hervormt de Kamer van Beroep de aan verweerder opgelegde schrapping en "zegt voor recht dat H. L. thans geen tuchtstraf dient opgelegd" (cf. p. 2 van de bestreden beslissing).

Tegen deze beslissing meent eiseres gerechtigd te zijn volgend middel tot cassatie te kunnen inroepen.

 

 

 

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen:

 Artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rech-ten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna EVRM);
 Artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet;

 Artikel 53, derde lid juncto 61 van het Koninklijk besluit van 20 juli 2012 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars (BS 26 september 2012);

 het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak.

Aangevochten beslissing:

De Kamer van Beroep van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars verklaart in de aangevochten beslissing het hoger beroep van de heer Luc Hucks tegen de beslissing van de Uitvoerende Kamer van hetzelfde instituut van 15 november 2013 ontvankelijk en gegrond en verklaart voor recht "dat H. L. thans geen tuchtstraf dient opgelegd" (cf. p. 2 van de be-streden beslissing).

De Kamer van Beroep steunt deze beslissing op de volgende motieven:

"3. Nopens de gegrondheid van het beroep.
Uit de neergelegde stukken alsmede uit de debatten ter zitting is gebleken dat de inbreuken op de artikelen 1 en 29 van het Regle-ment van de plichtenleer van het BIV, goedgekeurd bij K.B. dd. 27 september 2006 (cf. dossier T5782), - vooralsnog - niet afdoende bewezen voorkomen".

(cf. p. 2 van de bestreden beslissing)

 

 

 

Grief:

1. Overeenkomstig artikel 6.1 EVRM, het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, artikel 149 Grondwet en de artikelen 53, derde lid juncto 61 van het Koninklijk Besluit van 20 juli 2012, dient elke tuchtrechtelijke beslissing met redenen te zijn omkleed, ook wanneer er geen conclusie werd neergelegd.

De beslissing moet de redenen vermelden die de tuchtrechter hebben overtuigd van de schuld of de onschuld van de vervolgde beroepsbeoefe-naar aan de hem ten laste gelegde inbreuken op de plichtenleer, en moet minstens de voornaamste redenen aangeven waarom de ten laste geleg-de inbreuken al dan niet bewezen worden verklaard.

2. In de thans bestreden beslissing oordeelt de Kamer van Beroep m.b.t. de bewezenverklaring van de aan verweerder ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuken:

"Uit de neergelegde stukken alsmede uit de debatten ter zitting is gebleken dat de inbreuken op de artikelen 1 en 29 van het Regle-ment van de plichtenleer van het BIV, goedgekeurd bij K.B. dd. 27 september 2006 (cf. dossier T5782), - vooralsnog - niet afdoende bewezen voorkomen".

Met die redenen laat de Kamer van Beroep na, zij het op beknopte wijze, de concrete redenen te preciseren waarom het de aan verweerder ten las-te gelegde inbreuken niet bewezen verklaart en schendt het bijgevolg artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, en - voor zoveel als nodig - het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak en de artikelen 53, derde lid juncto 61 van het Koninklijk Besluit van 20 juli 2012 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars.

3. Door na te laten de concrete redenen aan te geven waarom de aan verweerder ten laste gelegde tuchtinbreuken niet bewezen voorkomen, belet de bestreden beslissing Uw Hof bovendien zijn wettigheidstoezicht op de beslissing uit te oefenen en schendt het (ook) om die reden artikel 149 Grondwet.

Toelichting

Zie naar analogie o.m. Cass. 5 juni 2012, NC 2013, 132 en Cass. 2 okto-ber 2012, RABG 2013, 14, met noot F. VAN VOLSEM, "De strafrechter moet ook bij afwezigheid van een conclusie een schuldigverklaring of vrijspraak motiveren: een concrete motivering is vereist, maar ze mag be-knopt zijn".

Zie tevens J. CASTIAUX en J. ALARDIN, Le droit disciplinaire dans la ju-risprudence. Une analyse des arrêts de la Cour de Strasbourg, de la Cour constitutionnelle et de la Cour de cassation, Brussel, Larcier, 2014, 220.

 

 

OM DEZE REDENEN

Besluit ondertekenende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U behage, hooggeachte Dames en Heren, de aangevochten beslissing te vernietigen, te bevelen dat van de vernietiging melding gemaakt wordt in de kant van de aangevochten beslissing, de zaak te verwijzen naar de Kamer van Beroep anders samengesteld, en over de kosten uitspraak te doen als naar recht.

Brussel, 26 januari 2015

 

Voor eiseres,
haar raadsman

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 13/06/2017 - 18:47
Laatst aangepast op: di, 13/06/2017 - 18:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.