-A +A

Morele schadevergoeding voor seksueel misbruik door een geestelijke

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 21/09/2011

Hoe kan de schade begroot worden die geestelijken, kloosterlingen, priesters hebben aangebracht aan hun slachtoffers? Dit arrest verdient terecht kritiek, gezien wij oordelen dat de vergoedingen te krenterig werden begroot zonder besef hoe deze smeerlapperij van zij die religie, moraal en christelijke waarden prediken het leven van sommigen volledig vernietigen. Bijzonderheden in deze zaak zijn niet alleen de autoriteitsrelatie (biechtvader dan nog) en het statuut van het slachtoffer:kloosterlinge. Na de feiten heeft de betrokkene de geborgenheid van het kloosterleven verlaten. Dat dit een weerslag kan hebben op haar geloofsbeleving, waarop elk mens recht heeft, op de verwezenlijking van haar levensdoel  werd door de rechtbank onvoldoende in de schadebegroting onderstreept. Zelfs een vrijzinnige rechter dient zich kunnen in te leven in normen en waarden  van een kloosterlinge die als elk mens recht heeft op vije keuzes en integriteit.

Het verweer dat zelfs zonder kloosterleven een gelovig leven mogelijk is, is voor het slachtoffer is zelfs beledigend, zeker wanneer dit als matiing voor de schadevergoeding wordt aangewsend. Meer zelfs het behoud van het geloof maakt één en ander voor het slachtoffer juist nog moeilijker te dragen. 

Nog pijnlijker is de de begrotiting van de genoegenschade, de onmogelijkheid tot verder genoegen in seksualiteit die op slechts 2000 euro werd geraamd. In hoeverre heeft het Hof deze vrouw als vrouw erkend met recht op een seksualiteitsbeleving?

Nog pijnlijker is dat het Hof de seksuele schade niet bewezen acht alsof een uitgetreden klosterlinge die door een geperverteerde priester de facto uit het klooster werd gejaagd, geen recht heeft zoals elke vrouw op een volledig leven en niet beseft dat dit soort gruweldaden een gevolg heeft op de seksuele beleving waarop elk mens recht heeft.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2012
Pagina: 
220
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

[ ...]
B.M., [ ... ] appellant, [...]
tegen
V.D.J., [...]
geïntimeerde,
[ ... ]
2. De voorafgaande rechtspleging
[ ... ]

2.2. In het tussenarrest van 28/01/2009 werd het hoger beroep van B.M. toelaatbaar doch reeds gedeeltelijk ongegrond verklaard.
Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout werd bevestigd in zoverre de oorspronkelijke eis van V.D.J. gedeeltelijk gegrond werd verklaard en B.M. werd veroordeeld tot de betaling aan haar van een provisionele schadevergoeding van € 1000,00, vermeerderd met de gerechtelijke interesten vanaf 27/06/2006. Er werd tevens een medisch deskundigenonderzoek van V.D.J. bevolen. Daartoe werd Dr. C. Vandecasteele aangesteld.

2.3. Gerechtsdeskundige Dr. C. Vandecasteele heeft zijn opdracht uitgevoerd en heeft zijn verslag neergelegd ter griffie van dit hof op 21/12/2010.
Zijn eindadvies luidt als volgt:
“(...)

a. de angstsymptomen, gepaard gaande met paniekaanvallen, of andere vormen van psychisch lijden, die V.D.J. beweert geleden te hebben vanaf 1993 en de daaropvolgende jaren zijn toe te schrijven aan een posttraumatisch stresssyndroom met een niet-verlaat begin, chronisch en evolutief van karakter sinds augustus 1993.

b. De symptomen van het posttraumatisch stresssyndroom, met niet-verlaat begin sinds augustus 1993, chronisch en evolutief in voorkomen, zijn uitsluitend veroorzaakt door de seksuele aanranding door B.M. (verkrachting zonder fysiek geweld en aanranding van eerbaarheid), waarvan V.D.J. het slachtoffer is geworden in de periode van maart 1987 tot begin augustus 1993 en bijgevolg zijn de symptomen niet voortgekomen uit frustraties ten gevolge van het kloosterleven waaraan betrokkene deel had.

c. De eventuele tijdelijke of blijvende invaliditeit, die daarvan eventueel het gevolg is, dient als volgt geadviseerd te worden:
- 12% tijdelijke invaliditeit van begin augustus
(29.08.1993) t/m 29.07.1996,
- 10% tijdelijke invaliditeit van 30.07.1996 t/m 28.04.2000
- 7% tijdelijke invaliditeit van 29.04.2000 t/m 07.12.2004
- 5% tijdelijke invaliditeit van 08.12.2004 t/m 25.12.2009
- 3% tijdelijke invaliditeit van 26.12.2009 t/m 20.12.2010.
Met een volledige consolidatie van tijdelijke invaliditeit op 21.12.2010 zonder enige vorm van blijvende invaliditeit en van één of andere vorm van economische invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid, terwijl er geen behandelingen meer noodzakelijk zijn na consolidatie omdat er geen toekomstige complicaties meer te voorzien zijn mits definitief finaliseren van de gerechtelijke zaak.”
2.4. De zaak werd na deskundigenonderzoek behandeld ter terechtzitting van 06/09/2011. De zaak is alsdan hernomen wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel.

[ ... ]

4. Beoordeling

Morele schade in de periode van maart 1987 tot augustus 1993

4.1. In zijn tussenarrest van 28/01/2009 heeft het hof o.m. in volgende bewoordingen geoordeeld:
“... geïntimeerde (noot van het hof: d.i. V.D.J.) heeft derhalve op afdoende wijze aangetoond dat de seksuele handelingen van appellant (noot van het hof: d.i. B.M.), waarvan geïntimeerde het slachtoffer was, die hij op zich niet heeft ontkend en die meermaals gepaard gingen met seksuele penetratie, soms enkel met aanranding van de eerbaarheid, gepleegd werden zonder de toestemming van geïntimeerde, meer bepaald onder morele dwang met misbruik van gezag.

Deze feiten stemmen overeen met de misdrijven omschreven in art. 375 en 373 Strafwetboek, en vormen een fout in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek... ”.
Volgens V.D.J. werden deze feiten meermaals gepleegd te [ ... ] in de periode van maart 1987 tot begin augustus 1993, met een onderbreking van ongeveer twee jaar binnen deze periode. Zij voert aan dat zij in die periode van het herhaald seksueel misbruik als slachtoffer moreel geleden heeft, ook door de dreiging van een mogelijk nieuwe aanranding en door de verstoring van haar leven als kloosterlinge.

Volgens B.M. is er in die periode nog geen zekere schade aangetoond.

4.2. De rechtsvordering tot schadevergoeding wegens morele schade heeft tot doel de pijn, de smart of enig ander moreel leed te lenigen en in die mate de schade te herstellen. De seksuele handelingen die B.M. pleegde ten aanzien van V.D.J. waren onmiskenbaar een aanslag op haar fysieke integriteit. Deze aanslag werd niet alleen gepleegd zonder de instemming van het slachtoffer maar in de bijzondere omstandigheid dat B.M. als begeleider en biechtvader in een machtsverhouding stond tegenover de kloosterlinge V.D.J. in voormeld tussenarrest heeft het hof reeds geoordeeld dat de feiten gepaard gingen met morele dwang. Daar komt nog bij dat de feiten zich over een lange periode bij her-haling hebben voltrokken. Ze brachten het slachtoffer bovendien in een conflict met haar kloostergelofte en met de christelijke moraal.

Het psychisch ziektebeeld van V.D.J. dat vanaf 1993 zonder uitstel na de beëindiging van de feiten is opgetreden, zoals door de gerechtsdeskundige vastgesteld en door B.M. niet weerlegd, toont de traumatische impact aan die de feiten in kwestie hebben gehad op de geestelijke gezondheid van betrokkene.

De aard en de ernst van feiten maken het, met inachtneming van de voormelde omstandigheden, zeker en vaststaand dat V.D.J. in de periode dat de feiten zich voltrokken, moreel geleden heeft ingevolge deze feiten.
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat de gerechtsdeskundige de psychische weerslag van het gebeurde op de persoon van het slachtoffer in deze periode niet heeft beschreven en in dat verband ook geen tijdelijke invaliditeit heeft geraamd. De desbetreffende vraag van V.D.J. werd door hem niet beantwoord.

De vaststelling van de gerechtsdeskundige dat V.D.J. in de periode vanaf medio 1993 tot einde 2010 geleden heeft aan een voorbijgaande ziekte onder de vorm van een psychiatrische aandoening, met name een posttraumatisch stresssyndroom, staat het morele leed van betrokkene in de periode van de gepleegde feiten niet in de weg. Evenmin levert het feit dat V.D.J. pas vanaf 1993 medische hulp zocht, het tegenbewijs van de aanwezigheid van moreel leed tijdens de daaraan voorafgaande periode.

4.3. Bij de raming van de schade, die door het onrechtmatig handelen van B.M. bij V.D.J. werd veroorzaakt in de periode van 1987 tot 1993, houdt het hof rekening met de aard en de ernst van de feiten, de herhaling, de lange duur en de onderbreking van 2 jaar, alsook met de voormelde bijzondere omstandigheden waarin de feiten zich hebben voorgedaan.

De schadeloosstelling, die het herstel van de veroorzaakte schade beoogt, kan in onderhavig geval enkel geschieden bij wijze van equivalent, zoals trouwens gevorderd wordt.

Daarbij zijn de veroorzaakte schade en de herstelvergoeding van een andere orde zodat die vergoeding niet bij machte is de toestand te herstellen waarin het slachtoffer zich zou hebben bevonden zonder de schadeveroorzakende fouten van de aansprakelijke. De geldelijke vergoeding moet in onderhavig geval naar redelijkheid en billijkheid worden vastgesteld op een globaal be-drag. Het hof begroot dit bedrag op € 5000,00, hoofdsom, te vermeerderen met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van 01/06/1990 en met de gerechtelijke interesten.

Morele schade in de periode van einde augustus 1993 tot 20/10/2010

4.4. In zijn eindadvies is de gerechtsdeskundige tot het besluit gekomen dat de angstsymptomen, gepaard gaande met paniekaanvallen of andere vormen van psychisch lijden, waaraan V.D.J. beweert geleden te hebben vanaf augustus 1993, toe te schrijven waren aan een posttraumatisch stresssyndroom met een niet-verlaat begin, chronisch en evolutief van karakter. De oorzaak daarvan lag, volgens de gerechtsdeskundige, wel degelijk en uitsluitend in de seksuele aanranding door B.M. waarvan V.D.J. het slachtoffer was van maart 1987 tot augustus 1993, en dus niet in frustraties ingevolge het kloosterleven waaraan betrokkene in die periode deel had.

De gerechtsdeskundige heeft de uit deze psychische ziektetoestand voortkomende tijdelijk invaliditeit gesitueerd in de periode van 29/08/1993 tot 20/12/2010, degressief zoals voormeld sub 2.2. De consolidatie werd vastgesteld op 21/12/2010.

4.5. Dit eindadvies is door B.M. niet meer aangevochten, laat staan weerlegd. V.D.J. sluit zich eveneens aan bij dit onderdeel van het eindadvies van de gerechtsdeskundige.

V.D.J. begroot de schade ingevolge haar tijdelijke invaliditeit in de periode van 29/08/1993 tot 20/12/2010 naar rato van € 25,00 per dag bij 100% invaliditeit.

Rekening houdend met de graad van invaliditeit, afnemend in de tijd van 12 % tot 3 %, berekent zij haar eis ten belope van een vergoeding van € 12142,50, hoofdsom, te vermeerderen met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van 24/04/2002 en de gerechtelijke interesten. B.M. betwist de aldus ingediende eis niet meer.

De blijvende invaliditeit

4.6. De gerechtsdeskundige adviseerde dat de volledige consolidatie werd bereikt op 21/12/2010 zonder enige vorm van blijvende invaliditeit noch van één of andere vorm van economische invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid. Hij besloot tot deze consolidatie zonder nog bijkomende behandelingen omdat er geen toekomstige complicaties te voorzien zijn mits het definitief beeindigen van de gerechtelijke procedure. B.M. sluit zich bij dit advies aan.

V.D.J. laat daarentegen gelden dat zij wel blijvende restletsels heeft. Zij houdt voor dat haar psychische aandoening (postraumatisch stresssyndroom met angst, paniek, herhaling, ontwijking) van chronische aard is en de schade blijvend is voor de rest van haar leven. Met verwijzing naar de Europe-se schaal ter bepaling van de graad van lichamelijk en geestelijke invaliditeit, voert zij aan dat zij een blijvende invaliditeit overhoudt van 12 %. Zij begroot daarvoor een vergoeding van € 7422,00, hoofdsom te vermeerderen, met vergoedende interesten en gerechtelijke interesten.

B.M. betwist het standpunt van V.D.J.

4.7. Het postraumatisch stresssyndroom, waaraan V.D.J. geleden heeft, was ontegensprekelijk van chronische aard. De gerechtsdeskundige heeft gemeend de invaliderende weerslag van de aandoening te kunnen vaststellen in een periode van 17 jaar. Deze vaststelling is door geen van de partijen betwist.

De gerechtsdeskundige heeft echter ook vastgesteld dat de aandoening evolutief is en wel zodanig dat in de laatste periode van de tijdelijke invaliditeit deze nog slechts 3% bedroeg. Hij beschrijft de aandoening als: “... een voorbijgaande ziekte onder de vorm van een psychiatrische aandoening c.q. een posttraumatische stoornis .... ” (deskundigenverslag, p.25, punt 3). In zijn antwoord op de opmerking van V.D.J. heeft de gerechtsdeskundige geantwoord: “... dat er mits herstel der posttraumatische stressstoornis geïntegreerd in de rijpe persoonlijkheid van het slachtoffer V.D.J. ( ... ) geen enkele reden is om nog een blijvende invaliditeit te voorzien na 20/12/2010 op grond van zogenaamde angsten en/of traumatische neurose, religieus, geestelijk en/of seksueel probleem.” (deskundigenverslag, p.25-26, punt 3 in fine). Volgens de gerechtsdeskundige zijn er in de toekomst geen complicaties te voorzien en zijn er geen behandelingen meer nodig.

Rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten, maar ook met het advies van de gerechtsdeskundige dat niet werd weerlegd, met de consolidatie 17 jaar na het laatste feit, met het evolutief karakter van de aandoening, en met het verloop van de rechtspleging waarin betrokkene als slachtoffer is erkend met recht op schadeloosstelling, acht het hof aannemelijk dat zich in zo’n lange periode een verwerkingsproces heeft voltrokken dat tot gehele heling heeft geleid.

V.D.J. levert dan ook geen bewijs van de beweerde blijvende invaliditeit. Zij heeft deze schadepost ook onvoldoende waarschijnlijk gemaakt om te doen aannemen dat een bijkomend deskundigenonderzoek thans nog nuttig en nodig zou zijn voor de oplossing van dit geschilpunt

Genoegenschade

4.8. V.D.J. vordert een schadevergoeding van € 2500,00, hoofdsom te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 24/04/2002 en met de gerechtelijke interesten, wegens genoegenschade die volgende componenten bevat:
- verlies van het spiritueel leven in een kloostergemeenschap,
- seksuele schade.
B.M. betwist deze aanspraak. Hij houdt voor dat het kloosteruittrede van V.D.J. geen noodzakelijk gevolg was van de feiten in kwestie en dat betrokkene nog steeds in staat is om de spirituele beleving van haar geloof te beoefenen.
4.9. Uit het deskundigenverslag blijkt dat V.D.J. een muzikaal getalenteerd persoon was. Ze volgde een muzikale opleiding [ ... ] en verwierf een plaats in [...]. Ze werkte er gedurende 8 jaar. In die periode ontstond blijkbaar de behoefte naar een fundamentele verandering in haar leven.

Ze trad in het slotklooster in 1983, aanvankelijk met tegenzin van haar ouders. Ze was toen 30 jaar. Niettegenstaande betrokkene in de schriftelijke uiteenzetting die zij aan de gerechtsdeskundige overmaakte, heeft toegegeven dat het kloosterleven soms moeilijk was, is ze, ondanks de feiten waaraan B.M. zich schuldig maakte, slechts uitgetreden in 1996. Dit uittreden is ongetwijfeld, minstens, mede veroorzaakt door het foutief handelen van B.M.

V.D.J. toont door haar levensloop op afdoende wijze aan dat zij haar roeping is gevolgd en de verwezenlijking ervan met doorzetting heeft nagestreefd maar dat ze haar doel minstens mede door de voormelde fouten van B.M. niet heeft kunnen halen. Een kans om een weloverwogen levensdoel te verwezenlijken ging verloren. Deze mislukking vormt op zich een morele schade die los staat van het morele leed waarvoor sub 4.1 tot 4.5 een vergoeding is toegekend.

Het is ongetwijfeld juist, zoals B.M. voorhoudt, dat ook na het kloosterleven een geloofsbeleving mogelijk is. Deze vaststelling heeft een weerslag op de omvang van deze morele schade doch neemt ze niet weg.

De terminologische omschrijving van deze schadepost door V.D.J. als “genoegenschade” doet niet af aan de realiteit van de werkelijk geleden schade zoals voormeld.

Deze schadepost laat geen mathematische begroting toe. Het hof moet noodzakelijkerwijze besluiten tot een raming naar redelijkheid en billijkheid. Het hof begroot deze morele schade op € 2000,00, hoofdsom, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 29/07/1996 en met de gerechtelijke interesten.

4.10. V.D.J. blijft in gebreke de beweerde seksuele schade te bewijzen.
Het is niet betwist dat betrokkene na de feiten in kwestie omwille van het vertrouwensaspect geconfronteerd werd met een hogere drempel om tot seksuele beleving te kunnen komen. Volgens de gerechtsdeskundige is er echter na de consolidatie geen enkele reden meer om nog een seksueel probleem in aanmerking te nemen. Vóór consolidatie maakt de seksuele schade deel uit van de morele schade die voor vergoeding reeds in aanmerking werd genomen.

Proceskosten

4.11. V.D.J. verzoekt B.M. te veroordelen tot de proceskosten van beide aanleggen. B.M. vraagt de proceskosten om te slaan in de mate van ieders ongelijk. Hij besluit dat hij hoogstens tot 44,8% van die kosten kan worden veroordeeld.

4.12. B.M. heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zijn aansprakelijkheid be-twist. Dit blijkt ten onrechte te zijn geweest. Deze houding, en niet de omvang van de gevorderde vergoeding, die aanvankelijk slechts provisioneel werd begroot, heeft het procesrisico doen ontstaan. In die omstandigheden is B.M. hoofdzakelijk de in het ongelijk gestelde partij, acht het hof het niet raadzaan de kosten om te slaan en moet B.M. in de proceskosten worden verwezen.

5. Beslissing [ ... ]

Het hof spreekt recht na zijn tussenvonnis van 28/01/2009.
Het hof verklaart het hoger beroep van B. M. verder geheel ongegrond.
Verder oordelend over de eis van V.D.J., verklaart het hof deze eis in de hierna bepaalde mate gegrond.
Het Hof veroordeelt B.M. tot de betaling aan V.D.J. van de volgende sommen:
- de som van € 5000,00, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van 01/06/1990 tot op de dag van de onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten tot op de dag van de gehele betaling,
- de som van € 12142,50, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van 24/04/2002 tot op de dag van de onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten tot op de dag van de gehele betaling,
- de som van € 2000,00, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 29/07/1996 tot op de dag van de onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten tot op de dag van de gehele betaling, mits aftrek van de som van € 1000,00, vermeerderd met de negatieve interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 16/06/2009 tot op de dag van de betaling van voormelde sommen.
Het hof wijst het meer gevorderde af. [ ... ]

Noot gepubliceerd onder dit arrest in het NJW 2012, 220 Schadevergoeding voor slachtoffer van seksueel misbruik door een geestelijke
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 31/03/2012 - 15:32
Laatst aangepast op: za, 31/03/2012 - 15:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.