-A +A

Moratoriuminteresten successierechten na vergissing administratie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 12/01/2016
A.R.: 
2014/AR/465

Artikel 3.9.2.0.1 VCF bepaalt dat er bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten moratoriuminterest wordt toegekend tegen een rentevoet van 7% op jaarbasis, berekend per kalendermaand. Het derde lid bepaalt evenwel dat geen moratoriuminterest wordt toegekend:

als de moratoriuminterest minder bedraagt dan 5 EUR per maand;
als de terugbetaling voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een administratieve geldboete of een belastingverhoging die toegekend is als genademaatregel;
“in geval van terugbetaling van erfbelasting, tenzij de terugbetaling plaatsvindt ingevolge een vergissing vanwege de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.”;
in geval van terugbetaling van registratiebelasting, tenzij de terugbetaling plaatsvindt ingevolge een vergissing vanwege de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Bij terugbetaling van erfbelasting zal de belastingplichtige dus enkel recht hebben op moratoriuminterest indien deze terugbetaling het gevolg is van een “vergissing” vanwege de Vlaamse belastingdienst (bv. wanneer de belastingplichtige na betaling gelijk krijgt in de bezwaarfase of voor de rechter).

In de memorie van toelichting wordt deze uitzondering verantwoord door de stelling dat het niet billijk zou zijn dat de schatkist de gevolgen zou moeten dragen voor feiten die een gevolg zijn van de fout of de nalatigheid van de belastingplichtige of van de wijziging van de belastbare toestand, met andere woorden omstandigheden waarop de belastingadministratie zelf geen vat heeft.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/9
Pagina: 
771
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Het Vlaamse Gewest / M.A., A.V., C.V., S.V. - Rolnr.: 2014/AR/465)

1. De feiten en de voorafgaande procedure
1.1. Het hof verwijst voor wat de feiten en de voorafgaande procedure betreft naar de uiteenzetting in het tussenarrest van 16 juni 2015, die voor zoveel als nodig wordt herhaald en als hernomen dient beschouwd te worden.

Bij tussenarrest van 16 juni 2015 heeft het hof het hoger beroep van het Vlaamse Gewest toelaatbaar doch ongegrond verklaard, het incidenteel beroep van verweersters in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond verklaard en het bestreden vonnis bevestigd met dien verstande dat het Vlaamse Gewest veroordeeld wordt tot terugbetaling aan verweersters in hoger beroep van het bedrag van 46.133,06 EUR, vermeerderd met de moratoire interesten overeenkomstig artikel 1422 W.Succ. aan de wettelijke interestvoet vanaf 11 oktober 2012 tot en met 31 december 2014.

Het hof heeft de heropening der debatten bevolen teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de verschuldigdheid door het Vlaamse Gewest van moratoire interesten vanaf 1 januari 2015 en heeft de beslissing over de kosten aangehouden.

Het hof heeft geoordeeld dat de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat het verrekenbeding zoals geformuleerd in de akte houdende wijziging van het huwelijkscontract van de echtgenoten V.-A. van 13 november 2008 volkomen rechtsgeldig en toepasbaar is; dat de verrekenvordering van eerste verweerster in hoger beroep mevrouw M.A. ten bedrage van 949.307,87 EUR terecht in aftrek is gebracht van het actief van de nalatenschap van wijlen de heer V. en dat ingevolge deze terechte aftrek geen successierechten verschuldigd zijn op deze nalatenschap.

Verder heeft het hof geoordeeld dat de eerste rechter terecht eiser in hoger beroep veroordeeld heeft tot de betaling van de moratoire interesten op de betaalde bedragen overeenkomstig artikel 1422 W.Succ. aan de wettelijke interestvoet vanaf 11 oktober 2012, zijnde de datum van de neerlegging van het inleidende verzoekschrift, met dien verstande dat eiser in hoger beroep ook veroordeeld wordt tot terugbetaling van het betaalde bedrag van 46.133,06 EUR en dat de interesten alleszins verschuldigd zijn tot en met 31 december 2014.

Ingevolge het decreet van 19 december 2014 (BS 29 januari 2015) is - met uitzondering van enkele bepalingen - het (Vl.) W.Succ. vanaf 1 januari 2015 opgeheven en ingelijfd in de Vlaamse Codex Fiscaliteit (“VCF”).

Krachtens artikel 3.9.2.0.1, derde lid VCF moeten bij de terugbetaling van de erfbelasting (voorheen successierechten) geen moratoriuminteresten betaald worden tenzij de terugbetaling het gevolg is van een vergissing van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

Bij gebrek aan specifieke overgangsbepaling is het gemeen recht inzake de toepassing van de (fiscale) wet in de tijd van toepassing. Dit zou betekenen dat verweersters in hoger beroep bij toepassing van artikel 1422 W.Succ. tot 31 december 2014 aanspraak kunnen maken op moratoire interesten, doch dat zij bij toepassing van artikel 3.9.2.0.1, derde lid VCF vanaf 1 januari 2015 slechts aanspraak zouden kunnen maken op moratoire interesten indien zij aantonen dat de terugbetaling van de successierechten/erfbelasting het gevolg is van een vergissing van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

Vermits partijen hierover nog geen standpunt hadden ingenomen heeft het hof de heropening der debatten bevolen teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag of er al dan niet sprake is van een vergissing van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en of verweersters in hoger beroep recht hebben op moratoire interesten vanaf 1 januari 2015.

2. De vorderingen en standpunten van partijen
2.1. Het Vlaamse Gewest vordert de vordering tot moratoire interesten vanaf 1 januari 2015 af te wijzen.

Het Vlaamse Gewest stelt dat het de opdracht van de administratie is om de fiscale wetgeving die van openbare orde is toe te passen. Het kan de administratie niet als vergissing worden aangerekend om een constructie, die de antimisbruikbepaling in de wet voorafgaat en die nog niet getoetst is aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie en prima facie indruist tegen de wet, zonder meer te aanvaarden.

Moratoriuminteresten kunnen slechts toegekend worden voor een periode die begint vanaf de ingebrekestelling van de Belgische Staat tot en met 31 december 2014. Eventuele terugbetalingen van provisies zullen gebeuren zonder toekenning van moratoire interesten; het voorzien van een provisie is immers een vrijwillige handeling.

2.2. Verweersters in hoger beroep hernemen hun oorspronkelijke vordering en vorderen dat het Vlaamse Gewest eveneens wordt veroordeeld tot de betaling van interesten aan de wettelijke interestvoet op het bedrag van 46.133,06 EUR en dit te rekenen vanaf de datum van neerlegging van het verzoekschrift en tot aan de effectieve terugbetaling van de hoofdsom en vorderen de veroordeling van de Belgische Staat (moet zijn het Vlaamse Gewest) tot alle kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 2.750 EUR, en de gerechtskosten overeenkomstig artikel 1022 Ger.W.

Verweersters in hoger beroep stellen dat het Vlaamse Gewest voor de periode tussen 1 januari 2015 en de dag van de uiteindelijke terugbetaling moratoriuminteresten verschuldigd is op grond van artikel 3.9.2.0.1 VCF. Er zijn moratoriuminteresten verschuldigd in alle gevallen waarin “de belastingadministratie zelf een impact heeft op de vergissing”. Dit is zeker het geval wanneer de belastingplichtige onder voorbehoud heeft betaald, bezwaar indient en de fiscale administratie de belastingplichtige gelijk geeft of door de rechter in het ongelijk wordt gesteld in een discussie over het al dan niet belastbaar zijn van een bepaalde rechtshandeling.

3. Beoordeling
Artikel 3.9.2.0.1 VCF bepaalt dat er bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten moratoriuminterest wordt toegekend tegen een rentevoet van 7% op jaarbasis, berekend per kalendermaand. Het derde lid bepaalt evenwel dat geen moratoriuminterest wordt toegekend:

als de moratoriuminterest minder bedraagt dan 5 EUR per maand;
als de terugbetaling voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een administratieve geldboete of een belastingverhoging die toegekend is als genademaatregel;
“in geval van terugbetaling van erfbelasting, tenzij de terugbetaling plaatsvindt ingevolge een vergissing vanwege de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.”;
in geval van terugbetaling van registratiebelasting, tenzij de terugbetaling plaatsvindt ingevolge een vergissing vanwege de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Bij terugbetaling van erfbelasting zal de belastingplichtige dus enkel recht hebben op moratoriuminterest indien deze terugbetaling het gevolg is van een “vergissing” vanwege de Vlaamse belastingdienst (bv. wanneer de belastingplichtige na betaling gelijk krijgt in de bezwaarfase of voor de rechter).

In de memorie van toelichting wordt deze uitzondering verantwoord door de stelling dat het niet billijk zou zijn dat de schatkist de gevolgen zou moeten dragen voor feiten die een gevolg zijn van de fout of de nalatigheid van de belastingplichtige of van de wijziging van de belastbare toestand, met andere woorden omstandigheden waarop de belastingadministratie zelf geen vat heeft.

De vraag is of deze uitzondering kan worden verantwoord in de situatie waarin de terugbetaling ofwel het gevolg is van een niet-opzettelijke fout of vergissing vanwege een te goeder trouw zijnde belastingplichtige, ofwel het gevolg is van een situatie waarbij noch de administratie noch de belastingplichtige een fout hebben begaan.

Het hof overweegt een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van artikel 3.9.2.0.1, derde lid, 3° VCF met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

HethHof acht het dan ook noodzakelijk om de debatten te heropenen teneinde partijen standpunt te laten innemen over de noodzaak tot het stellen van een dergelijke vraag.

(…)

Noot: 

Wat zijn moratoriuminteresten?

Moratoriumintresten zijn intresten die de fiscus aan de belmastingsplichtige dient te betalen op het ‘teveel’ aan betaalde belastingen na vergissing of na een beslissing op bezwaarschrift.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 23/07/2017 - 07:56
Laatst aangepast op: zo, 23/07/2017 - 07:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.