-A +A

Mondelinge conclusies van het openbaar geen recht op kopie van schriftelijke voorbereiding voor verdediging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
zat, 22/08/2015
A.R.: 
P.14.0990.N

Het openbaar ministerie bij het Hof is niet verplicht een schriftelijke conclusie te nemen en geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel verleent aan partijen het recht op een kopie van de schriftelijke voorbereiding van het openbaar ministerie dat mondeling concludeert; geen miskenning van het recht van verdediging met in begrip van het recht op tegenspraak kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat het openbaar ministerie bij het Hof bij het mondeling concluderen een geschreven tekst bevattende juridische argumenten gebald en snel zou hebben voorgelezen aangezien deze omstandigheid, zo zij zich zou hebben voorgedaan, immers voor alle partijen en ook voor het Hof geldt en de partijen bovendien niet belet kennis te nemen van het standpunt van het openbaar ministerie en daarover opmerkingen te formuleren (1). (1) Zie EHRM 9 december 2004, Stevens t/ België, no.56936/00.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.14.0990.N
I
ALGEMENE MUTUALITEIT VOOR MEDISCHE ASSURANTIES (AM-MA), met zetel te 1000 Brussel, Renaissancelaan 12 bus 1,
vrijwillig tussengekomen partij,
eiseres,
II
J F M C K,
beklaagde,
eiser,
beide cassatieberoepen tegen
1. R D,
burgerlijke partij,
2. H D,
burgerlijke partij,
3. W D,
burgerlijke partij,
4. G F,
burgerlijke partij,
5. A F,
burgerlijke partij,
6. J V,
burgerlijke partij,
7. J V,
burgerlijke partij,
8. R F,
burgerlijke partij,
9. C F,
burgerlijke partij,
10. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579 bus 40,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 mei 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Aangevoerde schending van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van ver-dediging

1. De eiser II voert aan dat zijn rechten zijn miskend door de weigering van het openbaar ministerie bij het Hof hem een kopie te willen bezorgen van de geschre-ven tekst van zijn conclusie teneinde de exacte inhoud van zijn argumenten te kennen en daarop een passende repliek te kunnen formuleren. Het is volgens de eiser II onmogelijk om de precieze inhoud en formulering te kennen van de ge-balde en snel voorgelezen juridische argumentatie van de advocaat-generaal in een complexe zaak als de voorliggende, deze te doorgronden en er ze op adequate wijze te weerleggen.

2. Het openbaar ministerie bij het Hof is niet verplicht een schriftelijke conclu-sie te nemen. Geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel verleent aan partijen het recht op een kopie van de schriftelijke voorbereiding van het openbaar ministerie dat mondeling concludeert.

3. Geen miskenning van het recht van verdediging met in begrip van het recht op tegenspraak kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat het openbaar minis-terie bij het Hof bij het mondeling concluderen een geschreven tekst bevattende juridische argumenten gebald en snel zou hebben voorgelezen. Deze omstandig-heid, zo zij zich zou hebben voorgedaan, geldt immers voor alle partijen en ook voor het Hof en belet de partijen bovendien niet kennis te nemen van het stand-punt van het openbaar ministerie en daarover opmerkingen te formuleren.

Middel van de eiseres I

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrech-ters beantwoorden niet het in de appelconclusie met verwijzing naar de deskundi-ge opinies van de professoren Van De Velde, Wouters en Vercauteren aangevoer-de verweer dat, zelfs als het overlijden het gevolg is van een slokdarmletsel door de door de eiser II uitgevoerde intubatie, zulks niet noodzakelijkerwijze wijst op het uitoefenen van kracht of een zekere druk en dus niet noodzakelijk een foutieve gedraging van de betrokken anesthesist impliceert; een slokdarmletsel na een voorzichtige intubatie is niet foutief; met het oordeel dat de slokdarmperforatie zonder enige twijfel werd veroorzaakt door de geforceerde intubatie wordt dit verweer niet beantwoord.

5. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkle-den, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangewend, zonder zelf een afzonderlijk middel te vormen.

 

Het arrest oordeelt dat:
- niemand melding maakt van het feit dat R F op enige wijze een trauma op of van de borstkas opliep en geen element in het dossier daarop wijst;
- de eiser II aan het college van deskundigen verklaarde dat hij de intubatie uit-voerde met een intracheale tube, dat door een grote overhangende epiglottis de tube bij een eerste poging in de slokdarm terecht kwam, dat bij een tweede po-ging gebruik werd gemaakt van de "moeilijke intubatiekar", dat er gebruik werd gemaakt van een tube met beweeglijke tip en voorzien van een geleider en een zachte maindrain en dat de intubatie maar lukte nadat de verpleegster uitwendige druk uitoefende op de larynx waarbij de tube ten slotte vlot kon worden ingebracht;
- de eiser II bij de ingreep in het dossier zelf schreef dat het een moeilijke intu-batie betrof;
- de eiser II aan de onderzoeksrechter verklaarde dat een endotracheale tube werd ingebracht in de luchtpijp, maar dit moeilijk verliep aangezien de patiënte een niet-gangbare anatomie in de keel vertoonde, meer in het bijzonder had zij een kleine mondopening, een fijn diepe keelholte en een grote overhangende epiglottis, dat bij de eerste intubatiepoging de tube in de slokdarm was terecht-gekomen, dat hij onmiddellijk zag dat de tube verkeerd zat en deze verwijderde en dat hij vervolgens opdracht gaf aan een verpleegkundige om hem gespecialiseerd verkeer toe te reiken, dat de anesthesie uiteindelijk vlot is verlopen en dat hij de vermelding in het anesthesiedossier heeft aangebracht opdat, indien deze patiënte in de toekomst nog zou moeten worden geïntubeerd, de collega's verwittigd waren voor een niet-evidente intubatie;
- het college er op basis van diverse bevindingen vanuit ging dat het primaire probleem een slokdarmruptuur was, veroorzaakt door de intubatie uitgevoerd door de eiser II bij de eerste ingreep;
- het college de mening is toegedaan dat gezien de kracht die nodig is om de slokdarm te doorboren, de zeldzaamheid van deze complicatie, de beschrijving van de moeilijkheden die werden ondervonden ter gelegenheid van deze intu-batie en de medegedeelde handelingen (uitwendige druk op strottenhoofd in sniffing positie) er sprake is van een geforceerde intubatie;
- uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat de eiser II R F heeft geïntubeerd, waarbij vaststaat dat hij haar aanvankelijk in de slokdarm intubeerde, waar dit de luchtpijp moest zijn en een moeilijke intubatie voorspelbaar was;
- de vaststellingen en bevindingen van de artsen-deskundigen Van Parys, Van De Voorde en Vandermeersch tijdens het gerechtelijk onderzoek en de bevin-dingen van dr. Van Besien in de therapeutische fase bij R F met zekerheid het bestaan van een slokdarmscheur aantonen op een hoogte die bij de intubatie kon worden bereikt;
- er geen redelijke twijfel mogelijk is over het feit dat de slokdarmscheur of slokdarmperforatie werd veroorzaakt door wat de artsen-deskundigen om-schreven als een geforceerde intubatie door de eiser II, waarbij een zekere druk werd uitgeoefend.
Met die redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer van de eiseres I, zonder dat zij daarbij nader dienden in te gaan op de in de appelconclu-sie aangevoerde argumenten die slechts tot staving van dit verweer werden inge-roepen, zonder evenwel een afzonderlijk middel te vormen.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwet-boek en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest stelt niet uit-drukkelijk vast dat met zekerheid kan worden aangenomen dat een aangepaste in-tubatie met de nodige hulpmiddelen geen slokdarmletsel zou hebben veroorzaakt, zodat zij niet naar recht een oorzakelijk verband vaststellen tussen de door de eiser II begane fout en het overlijden van de patiënte en hun beslissing dan ook niet naar recht is verantwoord.

7. Het arrest oordeelt dat:
- de eiser II, gezien de anatomische eigenschappen van de keelholte van R F en een moeilijke intubatie dus voorspelbaar was, onmiddellijk de nodige gangbare maatregelen had moeten nemen om een aangepaste intubatie met de nodige hulpmiddelen toe te passen, in plaats van het uitvoeren van een gewone intuba-tie;
- dit een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg uitmaakt;
- zonder dit gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg het overlijden van R F zoals het zich in concreto heeft voorgedaan niet had plaats gevonden.

Aldus stelt het arrest met zekerheid een oorzakelijk verband vast tussen het aan-genomen gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg en het overlijden van R F en is de beslissing naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters die met verwijzing naar het verslag van de deskundigen oordelen dat er geen redelijke twijfel mogelijk is over het feit dat de slokdarmperforatie het gevolg is van een geforceerde intubatie, geven van dit ver-slag een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is en misken-nen dan ook de bewijskracht ervan; de deskundigen hadden in het verslag immers te kennen gegeven dat een slokdarmperforatie als gevolg van een geforceerde in-tubatie hoogst uitzonderlijk en derhalve zeker niet evident is.

9. Het arrest verwijst als volgt naar de bevindingen van het college van des-kundigen: "Het college ging er op basis van de diverse bevindingen vanuit dat het primaire probleem een slokdarmruptuur is, veroorzaakt door de intubatie bij ge-legenheid van de algemene anesthesie uitgevoerd door [de eiser II] bij de eerste ingreep (...) op 2 februari 2006. Deze maakte zelf melding van een "moeilijke in-tubatie". Zij vervolgen: gezien de kracht die nodig is om de slokdarm te doorboren, de zeldzaamheid van deze complicatie, de beschrijving van de moeilijkheden die werden ondervonden ter gelegenheid van deze intubatie en de medegedeelde handelingen (uitwendige druk op strottenhoofd in sniffing positie) is het college de mening toegedaan dat hier sprake is van een geforceerde intubatie (...)." Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geeft het arrest dan ook van het verslag van het college van deskundigen een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Eerste middel van de eiser II

Eerste onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt immers enerzijds dat het verweer in ver-band met de duistere vordering geen antwoord behoeft in zoverre het slaat op wat is vermeld in het verstekarrest van 13 september 2013, en, anderzijds, dat de door het hof van beroep verbeterde omschrijving door het verstekarrest van 13 septem-ber 2013 ter kennis van partijen werd gebracht, die daarover tegenspraak hebben kunnen voeren.

11. Het Hof ontwaart de tegenstrijdigheid niet.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vervolging wegens onopzettelijke doding is gesteund op het strafdossier en dat de eiser II zich dient te verdedigen op het geheel van fouten zoals ze blijken uit de gegevens van het strafdossier en het debat op de rechtszittingen en dat de appelrechters ook niet in de verwijzingsbeschikking vermelde elementen als mogelijke invulling van het misdrijfbestanddeel gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid mogen in aan-merking nemen; aldus wordt eisers recht van verdediging verschalkt; de eiser II kan niet worden geacht, zeker niet gelet op de omvang en de complexiteit van het strafdossier, zich te verdedigen met betrekking tot eender welk gegeven in het strafdossier dat door het openbaar ministerie niet naar voor werd gebracht; uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt immers dat de akte van aanhangigmaking op gedetailleerde, volledige en begrijpelijke wijze, niet enkel de juridische grondslag, zijnde de aard van de vervolging, maar ook de materiële feiten, zijnde de reden van de vervolging, dient te vermelden en te con-cretiseren naar datum, plaats, handeling en kennis of opzet.

13. Artikel 6.3.a EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging.

Deze bepaling bedoelt met "de redenen" de ten laste gelegde strafbare feiten en met "de aard" de juridische kwalificatie van die feiten.

Geen enkele bepaling schrijft voor dat de inlichtingen over het hem ten laste ge-legde feit, die de redenen van de beschuldiging uitmaken, alleen kunnen blijken uit de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding. Ze kunnen ook worden gegeven door de stukken van het strafdossier waarop de beschuldiging steunt, waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedi-gen.

14. Het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg van het door de artikelen 418 en 419 Strafwetboek bedoelde misdrijf van onopzettelijke doding houdt alle fouten in, hoe licht ook, die tot de onopzettelijke doding van het slachtoffer hebben kun-nen leiden.

De rechter kan alle fouten in aanmerking nemen die dat gebrek kunnen opleveren en de beklaagde dient zich te verdedigen op het geheel van die fouten zoals ze blijken uit het strafdossier en het debat op de rechtszittingen.

Niet is vereist dat in de omschrijving van de telastlegging in de verwijzingsbe-schikking of in de dagvaarding melding wordt gemaakt van die elementen die het aan de beklaagde verweten gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg kunnen ople-veren of dat het openbaar ministerie of de rechter die elementen aanwijst.

15. Dit houdt geen schending in van de artikel 6.1 en 6.3.a EVRM of een mis-kenning van het recht op eerlijk proces en het recht van verdediging.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en de ar-tikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de al-gemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van ver-dediging: het arrest heeft bij de heromschrijving van de feiten bijkomende feiten opgenomen die niet met de verwijzingsbeschikking aanhangig werden gemaakt; met de verwijzingsbeschikking werd aan de eiser II enkel het feit van een geforceerde intubatie met slokdarmperforatie ten laste gelegd, terwijl het heromschre-ven feit bestaat uit een niet nader omschreven feit dat volgens het arrest bestaat uit een geheel van fouten zoals ze blijken uit de gegevens van het strafdossier en het debat op de rechtszittingen; bovendien werd aan de eiser II niet de gelegenheid gegeven zich daaromtrent te verdedigen; uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 13 juni 2013 blijkt alleen dat aan partijen kennis werd gegeven van de eventuele aanpassing van de kwalificatie door het weglaten van het woord "klaarblijkelijk" en van de woorden vanaf "voor de zeer" tot en met "van de intubatiemoeilijkheden"; het verstekarrest dat ingevolge het ontvankelijke verzet van de eiser II is vervallen, kan aan het gebrek niet verhelpen.

17. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de met het tweede onderdeel ver-geefs aangevoerde wetsschending, is het niet ontvankelijk.

18. Uit het antwoord op het tweede onderdeel volgt dat de rechter die de om-schrijving van de telastlegging van onopzettelijke doding aanpast door de wegla-ting van de aanvankelijk vermelde elementen die het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg concretiseerden, zich niet gelast met een ander feit dan dat welk met de verwijzingsbeschikking aanhangig werd gemaakt.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

19. De beklaagde die verzet aantekent tegen een verstekbeslissing, waarbij de rechter de omschrijving van een telastlegging heeft aangepast, kan aldus kennis nemen van die aanpassing en zich erover verdedigen en dit ongeacht of de ver-stekbeslissing ingevolge het ontvankelijk verklaren van zijn verzet komt te vervallen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

20. Het onderdeel voert miskenning aan van het rechtsbegrip "feitelijk vermoe-den" en de regels betreffende de bewijslast in strafzaken: het arrest kon de ge-volgtrekking dat de eiser II op een voor zijn verdediging relevant moment in de procedure wist en kon weten dat de advocaten De Smet waren opgetreden voor de artsen Parys en Casaer, niet afleiden uit het gegeven dat hij voor de eerste rechter werd gehoord in zijn verdediging voorgedragen door meester Rudi Vermeiren en meester Marie Peereboom die verschenen loco meester Philippe De Smet en evenmin uit de vaststelling dat de eiser II op 8 oktober 2009 op grond van een door zijn raadsman ingediend verzoekschrift ex artikel 61ter Wetboek van Strafvordering inzage in het dossier werd verleend.

21. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel miskennen de appelrech-ters noch het rechtsbegrip "feitelijk vermoeden" noch de regels betreffende de bewijslast in strafzaken.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte en op een met arti-kel 6.1 en 6.3.c EVRM strijdige wijze dat het niet aan de onderzoeksrechter, de procureur des Konings of de procureur-generaal stond om het mandaat van de toenmalige raadsman van de eiser II in vraag te stellen of na te gaan of diens aan-stelling met deontologie van de advocaat strookte en dat zij niet konden of be-hoorden te weten dat de advocaten mogelijks een manifest belangenconflict had-den; artikel 6.3.c EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist immers dat de gerechtelijke overheden tussenkomen wanneer de optredende advocaat manifest in gebreke blijft de vereiste bijstand te verlenen en dit ongeacht of de advocaat werd aangesteld door de overheid dan wel privaat werd gefinancierd.

23. Uit artikel 6.3.a EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de handelingen en de beslissingen van een advo-caat in beginsel de aansprakelijkheid van de overheid niet in het gedrang kunnen brengen en dat de wijze van verdediging een zaak is van de beklaagde en zijn raadsman en dit ongeacht of de advocaat door de beklaagde zelf dan wel door de overheid wordt betaald.

De overheid heeft wel de verplichting tussen te komen ingeval van manifeste te-kortkomingen door de ambtshalve aangestelde advocaat of in uitzonderlijke ge-vallen door de zelf gekozen en betaalde advocaat.

Ingeval van dergelijke manifeste tekortkoming moet worden onderzocht of die de eerlijkheid van het proces van de betrokkene in zijn geheel en onherstelbaar heeft aangetast.

24. Het arrest oordeelt dat:
- de eiser II zich in deze zaak nooit in een kwetsbare positie bevond;
- niet is aangetoond dat de eiser II en dr. Parys of de andere artsen vermeld in het dossier noodzakelijk tegenstrijdige belangen hadden;
- de eiser II zich aanvankelijk liet bijstaan door mr. Tom Balthazar, die nadat hij de balie had verlaten, werd opgevolgd door mr. Jean-Marie De Smet;
- uit niets blijkt dat mr. De Smet tegen de zin van de eiser II werd aangesteld door zijn verzekeraar of dat zijn mandaat op enige wijze hierdoor beperkt was;
- tijdens zijn verhoor door de onderzoeksrechter als inverdenkinggestelde de ei-ser II verklaarde dat mr. Jean-Marie De Smet de door hem gekozen raadsman was;
- uit het gegeven dat een advocaat in het gerechtelijk onderzoek inzake onopzet-telijke doding als raadsman optreedt voor verschillende artsen niet noodzakelijk volgt dat deze advocaat niet onafhankelijk is, ook niet wanneer die artsen op een of andere manier het slachtoffer hebben behandeld;
- de eiser II, indien hij meende dat zijn raadsman niet onafhankelijk optrad, tij-dens het gerechtelijk onderzoek zich door een andere raadsman kon laten bij-staan, wat hij niet deed en wat hij ook niet aanvoerde voor de eerste rechter;
- er niet geloofwaardig wordt gemaakt dat de eiser II, indien hij door een andere raadsman was bijgestaan, andere verklaringen zou hebben afgelegd dan de ver-klaringen die hij in het vooronderzoek heeft afgelegd;
- artikel 6.1 EVRM niet is geschonden en het recht van verdediging niet is mis-kend daar de eiser II werd bijgestaan door een raadsman die hij bewust en met kennis van zaken heeft gekozen, zoals dit ook voor het hof van beroep het ge-val is.

Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing dat de gerechtelijke over-heid niet diende tussen te komen in de wijze waarop de eiser II zijn verdediging heeft gevoerd en dat zijn recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging niet zijn miskend.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Eerste onderdeel

25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet het door de eiser II in zijn appelconclusies aangevoerde verweer dat is ont-leend aan het verslag van professor Claude Cuvelier, waaruit blijkt dat er geen slokdarmscheur kon worden vastgesteld op een hoogte die bij de intubatie kan worden bereikt aangezien de preparaten waarop het onderzoek was gebaseerd afkomstig waren van de onderste twee derden van de slokdarm, dit wil zeggen op een plaats die te laag is om te bereiken via intubatie.

26. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkle-den, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangewend, zonder zelf een afzonderlijk middel te vormen.

27. Het arrest oordeelt dat:
- de bewering van de eiser II dat de arts-deskundige bewust "moest zoeken naar een darmperforatie" omdat hij kennis nam van de verklaring van de eerste burgerlijke partij, op geen enkel gegeven van het dossier steunt en dat geen en-kel gegeven van het dossier doet twijfelen aan de objectiviteit, betrouwbaar-heid, deskundigheid en geloofwaardigheid van dr. Van Parys;
- de eiser II de beschikking kreeg over de preparaten en het op basis daarvan is dat dr. Bolt zijn verslag voor de eiser II opstelde;
- de bevindingen van dr. Bolt de samenhangende bevindingen van dr. Van Be-sien en van de artsen-deskundigen, getoetst aan het verslag van de inwendige lijkschouwing, de klinische vaststellingen bij R F en de vermeldingen van de bij de ingreep van 5 februari 2006 betrokken en bijgeroepen artsen-specialisten, niet weerleggen;
- anders dan door de eiser II wordt voorgehouden door de loutere vermelding in het verslag van dr. Bolt, die ook kennis had van de stelling van de eiser II in verband met de lokalisatie van de slokdarmperforatie, niet is aangetoond dat de prelevementen genomen door Van Parys geen prelevementen uit de slokdarm op het niveau van de stembanden zijn, maar uit de onderste (caudaal) twee der-de van de slokdarm en dat anders beslissen de bewijskracht van het stuk 6 uit het bundel van de eiser II miskent;
- anders dan door de eiser II wordt voorgehouden er geen feitelijke tegenstrij-digheid is tussen de vaststellingen van dr. Van Besien en wat arts-deskundige dr. Van Parys vermeldt in zijn verslag van inwendige lijkschouwing: de lokali-satie van de slokdarmperforatie door zowel dr. Van Besien als door arts-deskundige dr. Van Parys stemt overeen en steunt op onderzoek van de slok-darm zelf;
- de artsen-deskundigen, in college, concreet de argumenten inzake de lokalisatie van het slokdarmletsel hebben ontmoet en beantwoord in het verslag dat op 13 augustus 2010 werd neergelegd (punt 2.6, verslag);
- de artsen-deskundigen hierin nogmaals verwijzen naar het endoscopieverslag van dr. Van Besien dat vermeldt: "Bij het terugtrekken rechts ventraal over-langs helende scheur net voorbij de slokdarmsfincter, één cm lang. BSS bevindt zich op 13 cm, de scheur op 14,5 cm ongeveer" en ook naar de CT van de hals waar de ondergrens van het emfyseem wordt aangegeven als ter hoogte van de aortaboog, waardoor volgens hen de eiser II "verkeerdelijk (concludeert) dat de slokdarmperforatie zeer diep (m.a.w. laag) gelokaliseerd zou zijn" en "in-tegendeel, er wel degelijk sprake (is) van een hoge slokdarmperforatie", zodat "de slokdarmperforatie (dus zeker ligt) op een plaats ruim binnen het bereik van de tube";
- de appelrechters in die omstandigheden de bevindingen van het college van deskundigen bijtreden;
- uit geen enkel element van het dossier blijkt dat dr. Van Besien enig belang had om bewust een voor de eiser II nadelig protocol op te stellen, dat hij niet betrokken was bij de ingreep van 2 februari 2006 en evenmin bij de ingreep van 5 februari 2006, dat hij op vraag van de voor de dienst intensieve zorgen verantwoordelijke arts-specialist enkel endoscopisch onderzoek van het strot-tenhoofd en de slokdarm heeft uitgevoerd na de ingreep op 5 februari 2006 en dat uit niets blijkt dat dr. Van Besien toen hij zijn protocol opstelde al wist dat het de eiser II was die de patiënte in het kader van een algemene anesthesie in-tubeerde, laat staan hij wist dat er sprake was van een moeilijke intubatie, of nog meer dat het de eiser II was die in de slokdarm had geïntubeerd;
- de stelling van de eiser II die uitgaat van een complot van alle andere betrok-ken artsen-specialisten van het ziekenhuis tegen hem, iedere geloofwaardigheid mist en in geen enkel element van het dossier steunt vindt;
- de vaststellingen en bevindingen van de artsen-deskundigen Van Parys, Van De Voorde en Van Der Meersch tijdens het gerechtelijk onderzoek en de be-vindingen van dr. Van Besien in de therapeutische fase met zekerheid bij R F het bestaan van een slokdarmscheur aantonen op een hoogte die bij de intubatie kon worden bereikt.

Met die redenen beantwoorden de appelrechters het bedoelde verweer zonder dat zij daarbij nader dienden in te gaan op de in de appelconclusie aangevoerde argu-menten die slechts tot staving van dit verweer werden ingeroepen, zonder een af-zonderlijk middel te vormen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

28. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat het college van deskundigen concreet de argumenten inzake de lokalisatie van het slokdarmstelsel hebben ontmoet en be-antwoord in hun verslag van 13 augustus 2010 (punt 2.6) miskent het arrest de bewijskracht van dit verslag; het deskundigenverslag beantwoordt geenszins deze argumenten die zijn gebaseerd op het verslag van dr. Bolt van 6 november 2013 en het verslag van dr. Cuvelier van 22 oktober 2013; dat deze verslagen de argu-menten betreffen van de eiser II blijkt uit eisers conclusies en het arrest zelf; het deskundigenverslag van het college kan onmogelijk de argumenten hebben ont-moet en beantwoord uit verslagen die dateren van drie jaar later.

29. De miskenning van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van de bewoordingen ervan. Ze betreft niet de juridische of de feitelijke gevolgtrek-king die de rechter uit die akte maakt.

30. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geeft het arrest geen uit-legging van het verslag van het college van deskundigen en het kan er dan ook de bewijskracht niet van miskennen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

31. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser II zijn stelling dat er geen sprake van een slokdarmscheur, steunt op een loutere vermelding in het verslag van dr. Bolt en door niet te verwijzen naar het verslag van professor Cuvelier, waarnaar de eiser II in zijn appelconclusies uitgebreid heeft verwezen, miskent het arrest de bewijskracht van eisers appelconclusies van 13 december 2013 en 21 maart 2014.

32. Het arrest oordeelt niet dat het verweer van de eiser II enkel is gesteund op het verslag van dr. Bolt.
Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

33. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 418 en 419 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, als-mede miskenning van het wettelijk begrip "oorzakelijk verband": het arrest oor- deelt dat de eventuele vaststelling dat de artsen betrokken bij de tweede operatie door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg verantwoordelijk zouden zijn voor het overlijden van de R F niet noodzakelijk de strafrechtelijke verantwoorde-lijkheid van de eiser II uitsluit; aldus oordeelt het arrest dat dit wel degelijk moge-lijk is en laat het na het verweer van de eiser II met betrekking tot de strafrechte-lijke verantwoordelijkheid van de andere artsen te beantwoorden.

34. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geeft het arrest te kennen dat een eventuele fout van andere artsen dan de eiser II zonder enige relevantie is voor de beoordeling van zijn foutief gedrag bij de eerste operatie en het oorzake-lijk verband met het overlijden van de patiënte.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

35. Gelet op dit oordeel diende het arrest het verweer van de eiser II met be-trekking tot de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de andere artsen niet te beantwoorden.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Vijfde onderdeel

36. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwet-boek en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het wettelijk begrip "oorzakelijk verband": de appelrechters stellen niet uitdruk-kelijk vast dat met zekerheid kan worden aangenomen dat een aangepaste intuba-tie met de nodige hulpmiddelen geen slokdarmletsel zou hebben veroorzaakt, zo-dat zij niet naar recht een oorzakelijk verband vaststellen tussen de door de eiser II begane fout en het overlijden van de patiënte en hun beslissing is dan ook niet naar recht verantwoord.

37. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het enig middel van de eiseres I. Het kan om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.

Zesde onderdeel

38. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters die met verwijzing naar het verslag van de deskundigen oordelen dat er geen redelijke twijfel mogelijk is over het feit dat de slokdarmperforatie het gevolg is van een geforceerde intubatie, geven van dit ver-slag een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is en misken-nen dan ook de bewijskracht ervan; de deskundigen hadden in het verslag immers te kennen gegeven dat een slokdarmperforatie als gevolg van een geforceerde in-tubatie hoogst uitzonderlijk en derhalve zeker niet evident is.

39. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het derde onderdeel van het enig middel van de eiseres I. Het mist om de daar vermelde redenen feitelijke grondslag.

Zevende en achtste onderdeel

40. Het zevende onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden niet het in de appelconclusies van de eiser II met verwijzing naar onder meer twee onafhankelijke en onpartijdige getuigen gevoerde verweer dat er sprake zou zijn van enige uitoefening van overmatige kracht.

Het achtste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen beginsel van het vermoeden van onschuld en de bewijsregels in strafzaken: de appelrechters beantwoorden niet het in de appel-conclusie van de eiseres I met verwijzing naar de deskundige opinies van de professoren Van De Velde, Wouters en Vercauteren aangevoerde verweer dat, zelfs als het overlijden het gevolg is van een slokdarmletsel door de door de eiser II uitgevoerde intubatie, zulks niet noodzakelijk wijst op het uitoefenen van kracht of een zekere druk en dus niet noodzakelijk een foutieve gedraging van de betrokken anesthesist impliceert; een slokdarmletsel na een voorzichtige intubatie is niet foutief; met het oordeel dat de slokdarmperforatie zonder enige twijfel werd veroorzaakt door de geforceerde intubatie wordt dit verweer niet beantwoord.

41. De onderdelen hebben dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het enig middel van de eiseres I. Ze kunnen om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

42. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand aan de eiseres I zoals voormeld.
Verleent akte van de afstand van de eiser II in zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 218,41 euro, waarvan de eiseres I 109,20 euro verschuldigd is en de eiser II 109,21 euro verschuldigd is.
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 10/02/2017 - 14:02
Laatst aangepast op: vr, 10/02/2017 - 14:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.