-A +A

Mondeling factuur protest en rechtsverwerking door jarenlang talmen alvorens te davaarden in betaling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Oudenaarde
Datum van de uitspraak: 
din, 01/09/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
29
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Samenvatting:

De aanvaarde facturen leveren een bewijskrachtig maar weerlegbaar vermoeden van de gegrondheid van het op de facturen vermelde bedrag. Uit bepaalde omstandigheden, eigen aan de zaak, kan blijken dat het stilzwijgen niet als een aanvaarding kon worden beschouwd (Antwerpen 26 januari 1998, A.J.T. 1998-99, 241, noot D. Blommaert; Gent 4 december 2006, R.A.B.G. 2008, 940).

Wanneer twee handelspartners een rechtstreekse communicatielijn hebben waarin het persoonlijk contact centraal staat, is het niet ongewoon dat een eventueel protest van facturen via hetzelfde informele kanaal wordt ter kennis gebracht. Het is bijgevolg aannemelijk dat verweerster zich beperkte tot een mondeling protest, uit vrees dat een formele brief als agressief zou worden ervaren.

Door jarenlang niet tot invordering over te gaan, wordt aan een debiteur van een vordering de indruk gewekt dat de schuldeiser zich met diens protest  verzoend heeft. De schuldeiser neemt aldus een houding aan die niet verzoenbaar is met de vordering. Het aannemen van een houding die tegenstrijdig is met het uitgeoefende recht kan op zichzelf evenwel geen reden zijn om een wederpartij te ontslaan van de verplichting haar verbintenis uit te voeren. In art. 1134, derde lid, B.W. is het beginsel neergelegd van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomsten; een partij schendt noch dat artikel noch dat beginsel wanneer zij gebruik maakt van het recht dat zij uit de wettig aangegane overeenkomst afleidt, en niet is bewezen dat zij er misbruik van heeft gemaakt. Het Burgerlijk Wetboek erkent immers impliciet dat een partij de mogelijkheid heeft om het haar door de overeenkomst verleende recht niet onmiddellijk uit te oefenen door de vaststelling van de regels van de bevrijdende verjaring (Cass. 5 juni 1992, Arr. Cass. 1992, 941, Pas. 1992, I, 876, R. Cass. 1992 (weergave), 215, noot M.E. Storme; Cass. 20 februari 1992, Arr. Cass. 1991-92, 583, J.L.M.B. 1992, 530, J.T. 1992, 454, noot, Pas. 1992, I, 549).

Niettemin kan deze handelwijze in het licht van de begeleidende omstandigheden als een vorm van rechtsmisbruik worden bestraft.

De rechtbank meent dat een vennootschap die gedurende drie jaar niet reageert op het protest van haar vaste handelspartner, om dan plots toch te dagvaarden, wetende dat de tegenpartij mogelijk met bewijsmoeilijkheden zal kampen wegens het tijdsverloop en het ontbreken van een schriftelijk protest, kennelijk tekortschiet aan haar loyaliteitsverplichting en misbruik maakt van het vertrouwen van de tegenpartij (cf. Antwerpen 11 februari 1998, A.J.T. 1998-99, 132, T.B.B.R. 1999 (verkort), 202; Kh. Brussel 19 mei 2008, R.W. 2008-09, 1486, noot; Luik 14 november 1995, R.R.D. 1996, 596).

In geval van rechtsmisbruik dient de uitoefening van het recht te worden gereduceerd binnen de grenzen van een behoorlijke rechtsuitoefening.

Tekst van het vonnis:

1. De vordering strekt ertoe verweerster te horen veroordelen tot betaling van de som van 2.243,05 euro, vermeerderd met de conventionele rente aan 10% op de som van 2.039,14 euro vanaf de respectieve vervaldag van de facturen tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke interesten aan dezelfde conventionele rentevoet vanaf de datum van de dagvaarding tot de datum van volledige betaling.

Deze vordering is gebaseerd op een niet-betaalde factuur nr. 501051 van 31 oktober 2005 en de factuur nr. 600378 van 31 maart 2006 voor levering van drukwerk.

2. Aan de hand van de door de partijen overgelegde stukken en hun uitleg verstrekt in conclusies en ter pleitzitting, kunnen de meest relevante feiten die aan de grondslag liggen van deze zaak als volgt worden samengevat.

Op 31 oktober 2005 schreef eiseres haar factuur nr. 501051 ten bedrage van 334,70 euro uit voor een door verweerster geplaatste bestelling van 3.000 lange omslagen. De factuur nr. 600378 ten bedrage van 1.704,44 euro volgde op 31 maart 2006; deze factuur betrof 50.000 strooifolders in het Nederlands.

Aangezien betaling uitbleef, schakelde eiseres een raadsman in die verweerster bij brief van 16 april 2009 in gebreke stelde om beide facturen alsnog binnen zeven dagen te voldoen.

Omdat ook deze aanmaning zonder reactie bleef, ging eiseres bij exploot van 30 april 2009 over tot invordering in rechte van de facturen, inmiddels verhoogd met interesten en een schadebeding voor een totaalbedrag van 2.243,05 euro.

3. Eiseres voert aan, en de rechtbank resumeert, dat verweerster niet betwist dat zij beide facturen behoorlijk heeft ontvangen. Omdat zij niet werden geprotesteerd, moet verweerster geacht worden deze facturen te hebben aanvaard.

Eiseres zegt geen weet te hebben van enige instructie van verweerster om de factuur van 31 oktober 2005 op een ander adres te factureren.

Tevens betwist eiseres dat de uitvoering van de tweede bestelling, voorwerp van de factuur van 31 maart 2006, niet naar behoren was. Eiseres wijst er in dit verband op dat verweerster de goederen niet heeft terugbezorgd en ze dus heeft aanvaard.

...

Eiseres erkent voorts dat er enige tijd voorbijging alvorens zij tot dagvaarding is overgegaan. Van rechtsverwerking of verjaring zou evenwel geen sprake zijn.

Eiseres heeft naar eigen zeggen weinig tijd om onbetaalde facturen achterna te lopen en heeft recentelijk haar volledige boekhouding in orde gebracht. Volgens eiseres kan het haar niet ten kwade worden geduid dat verweerster haar betalingsverplichtingen heeft verzuimd.

4. Verweerster voert aan, en de rechtbank resumeert, dat zij de thans ingevorderde facturen ontvangen heeft, maar de betaling weigerde omdat de facturatie in strijd was met de afspraken tussen partijen.

Verweerster legt uit dat zij een vaste klant van eiseres was en alle communicatie tussen hen beiden verliep via de heer F.D., commercieel bediende in dienst van eiseres. Gelet op de vertrouwensband tussen partijen, was het niet de gewoonte om facturen schriftelijk te protesteren, aldus verweerster.

Wat in het bijzonder de factuur nr. 501051 betreft, betoogt verweerster dat deze factuur in werkelijkheid bestemd was voor de BVBA A.H.L. Verweerster legt een schriftelijke verklaring voor van de heer D. waarin dit uitdrukkelijk bevestigd wordt.

In verband met de factuur nr. 600378 benadrukt verweerster dat een driehonderdtal van de geleverde strooifolders een kleurverschil vertoonden. Eiseres zou een tegemoetkoming hebben aangekondigd, maar verweerster mocht nadien naar eigen zeggen niets meer van eiseres vernemen.

...

Verweerster is voorts van oordeel dat het uitsturen van een ingebrekestelling ruim drie en een half jaar na datum van de eerste factuur, een vorm van rechtsmisbruik uitmaakt. Nog vóór verweerster goed en wel op deze ingebrekestelling kon reageren, werd zij prompt gedagvaard. Verweerster beweert voordien geen enkele herinnering of aanmaning te hebben ontvangen.

Verweerster voegt hier nog aan toe dat het misbruik van recht in dit geval onbetwistbaar is, aangezien de gefactureerde goederen gebreken vertoonden. Na haar mondeling protest, was verweerster naar eigen zeggen gerechtigd om het initiatief van eiseres af te wachten.

Verweerster verzoekt de rechtbank om op grond van de figuur van de rechtsverwerking de vordering van eiseres te matigen. Aan eiseres zou aldus het voordeel van haar vordering moeten worden ontzegd. Subsidiair voert verweerster aan dat zij hoogstens kan worden veroordeeld tot betaling van de conventionele interesten vanaf de datum van ingebrekestelling, respectievelijk de gerechtelijke interesten vanaf de datum van dagvaarding.

...

Bespreking

Verweerster erkent uitdrukkelijk dat de facturen met nrs. 501051 en 600378 vóór het inleiden van de procedure niet schriftelijk werden geprotesteerd. Pas in het raam van haar conclusies heeft verweerster voor het eerst haar grieven op papier gezet.

De draagwijdte van een te laat geuit protest is evenwel beperkt tot de omkering van de bewijslast. De aanvaarde facturen leveren een bewijskrachtig maar weerlegbaar vermoeden van de gegrondheid van het op de facturen vermelde bedrag. Uit bepaalde omstandigheden, eigen aan de zaak, kan blijken dat het stilzwijgen niet als een aanvaarding kon worden beschouwd (Antwerpen 26 januari 1998, A.J.T. 1998-99, 241, noot D. Blommaert; Gent 4 december 2006, R.A.B.G. 2008, 940).

Uit het stuk nr. 2 van verweerster blijkt dat zij op geregelde basis relatief grote orders plaatste bij eiseres. Partijen waren bijgevolg als gebruikelijke handelspartners met elkaar vertrouwd, met een deformalisering van de onderlinge communicatie als gevolg. Dit blijkt in het bijzonder uit het e-mailverkeer, door eiseres overgelegd als haar stuk nr. 7, waarin de rechtbank leest dat partijen elkaar gewoon met de voornaam aanspraken.

Wanneer twee handelspartners een rechtstreekse communicatielijn hebben waarin het persoonlijk contact centraal staat, is het niet ongewoon dat een eventueel protest van facturen via hetzelfde informele kanaal wordt ter kennis gebracht. Het is bijgevolg aannemelijk dat verweerster zich beperkte tot een mondeling protest, uit vrees dat een formele brief als agressief zou worden ervaren.

Het feit dat ook eiseres aanvankelijk geen enkele aanmaning of herinnering verzond, is een bijkomende aanwijzing dat verweerster haar grieven wel degelijk, zij het dan mondeling, kenbaar heeft gemaakt. Indien verweerster in het geheel niets van zich had laten horen, zou eiseres ongetwijfeld in haar hoedanigheid van schuldeiser de eerste stap hebben gezet om haar contractpartner aan te schrijven. Dat zij pas meer dan drie jaar na de datum van haar facturen tot ingebrekestelling overging, bevestigt dan ook dat de facturen het voorwerp van discussie hebben uitgemaakt.

De rechtbank neemt derhalve aan dat verweerster de facturen van eiseres heeft geprotesteerd, zij het dan mondeling.

Verweerster stipt terecht aan dat zij na het uitbrengen van haar bezwaren de reactie van eiseres mocht afwachten. Niet verweerster maar wel eiseres was toen aan zet.

Eiseres betwist niet dat zij ruim drie jaar liet verstrijken alvorens zij tot ingebrekestelling en vervolgens tot dagvaarding overging.

De verklaring van eiseres dat zij weinig tijd heeft om onbetaalde facturen «achterna te lopen» en pas in 2008 haar boekhouding in orde kon brengen, overtuigt niet. Diligentie in het opvolgen van de eigen administratie is een van de pijlers van een vlot handelsverkeer en zorgt voor rechtszekerheid bij alle betrokken partijen. Eiseres is bovendien aan de boekhoudwetgeving onderworpen, zodat zij minstens bij het opmaken van de jaarrekening geacht wordt haar openstaande vorderingen grondig door te lichten. Indien eiseres het niet eens was met het protest, dan diende zij snel en alert te reageren, hetzij met een schriftelijke weerlegging van de visie van verweerster, hetzij met een aanmaning.

Door maar liefst drie opeenvolgende jaren geen enkel initiatief te nemen heeft eiseres de indruk gewekt dat zij zich met het protest van verweerster verzoend had. Zij heeft aldus een houding aangenomen die niet verzoenbaar is met de huidige vordering. Het aannemen van een houding die tegenstrijdig is met het uitgeoefende recht kan op zichzelf evenwel geen reden zijn om een wederpartij te ontslaan van de verplichting haar verbintenis uit te voeren. In art. 1134, derde lid, B.W. is het beginsel neergelegd van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomsten; een partij schendt noch dat artikel noch dat beginsel wanneer zij gebruik maakt van het recht dat zij uit de wettig aangegane overeenkomst afleidt, en niet is bewezen dat zij er misbruik van heeft gemaakt. Het Burgerlijk Wetboek erkent immers impliciet dat een partij de mogelijkheid heeft om het haar door de overeenkomst verleende recht niet onmiddellijk uit te oefenen door de vaststelling van de regels van de bevrijdende verjaring (Cass. 5 juni 1992, Arr. Cass. 1992, 941, Pas. 1992, I, 876, R. Cass. 1992 (weergave), 215, noot M.E. Storme; Cass. 20 februari 1992, Arr. Cass. 1991-92, 583, J.L.M.B. 1992, 530, J.T. 1992, 454, noot, Pas. 1992, I, 549).

Niettemin kan deze handelwijze in het licht van de begeleidende omstandigheden als een vorm van rechtsmisbruik worden bestraft.

De rechtbank meent dat een vennootschap die gedurende drie jaar niet reageert op het protest van haar vaste handelspartner, om dan plots toch te dagvaarden, wetende dat de tegenpartij mogelijk met bewijsmoeilijkheden zal kampen wegens het tijdsverloop en het ontbreken van een schriftelijk protest, kennelijk tekortschiet aan haar loyaliteitsverplichting en misbruik maakt van het vertrouwen van de tegenpartij (cf. Antwerpen 11 februari 1998, A.J.T. 1998-99, 132, T.B.B.R. 1999 (verkort), 202; Kh. Brussel 19 mei 2008, R.W. 2008-09, 1486, noot; Luik 14 november 1995, R.R.D. 1996, 596).

In geval van rechtsmisbruik dient de uitoefening van het recht te worden gereduceerd binnen de grenzen van een behoorlijke rechtsuitoefening. De rechtbank houdt daarbij in het bijzonder rekening met het feit dat verweerster de geleverde goederen niet heeft terugbezorgd en dus geacht moet worden hiervan gebruik te hebben gemaakt. Zo betrof de factuur nr. 600378 liefst 50.000 strooifolders, waarvan er «slechts» een driehonderd bepaalde gebreken vertoonde. Geen van de folders werd evenwel terugbezorgd. Wat de factuur nr. 501051 betreft, ging het weliswaar om goederen die voor een ander filiaal bestemd waren, maar verweerster heeft er blijkbaar voor geopteerd de omslagen niettemin zelf te gebruiken. De geleverde papierwaren hebben dus onmiskenbaar een zeker nut gehad voor verweerster, zodat het onbillijk voorkomt aan eiseres elke betaling te ontzeggen. Ook verweerster is immers gebonden aan de goede trouw, welke in dit geval meebracht dat zij, consequent met het eigen protest, de levering zou weigeren, minstens de goederen terugzenden.

Op grond van bovenstaande overwegingen besluit de rechtbank de vordering van eiseres in te willigen, met dien verstande dat voor de driehonderd folders met een kleurverschil de som van 10,00 euro (1.704,44 euro / 50.000 x 300) in mindering wordt gebracht en de interesten op de hoofdsom worden beperkt tot gerechtelijke interesten, met ingang van de datum van huidig vonnis. Tevens worden de gerechtskosten ten laste van verweerster beperkt tot de kosten van dagvaarding.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 06/09/2010 - 15:16
Laatst aangepast op: ma, 06/09/2010 - 15:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.