-A +A

Modder op de weg laten veroorzaakt aansprakelijkheid (maar soms ook niet)

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
vri, 19/12/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
294
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V t. D.

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van eiser strekt ertoe verweerder te veroordelen tot betaling van een bedrag van 3.448,25 euro in hoofdsom, als schadevergoeding voor een verkeersongeval te Ardooie op 7 oktober 2006.

De vordering is gebaseerd op een fout van verweerder in de zin van art. 1382-1383 B.W., bestaande in een overtreding van art. 7.1. van het Wegverkeersreglement.

Verweerder betwist zijn aansprakelijkheid voor het ongeval en de eruit voortvloeiende schade.

Een afschrift van het geseponeerde strafdossier, gekend onder notitienummer (...) van het parket van de procureur des Konings te Brugge, afdeling politiezaken, wordt voorgelegd.

B. Beoordeling

1. Op 7 oktober 2006 omstreeks 3 u 15 deed zich een verkeersongeval voor te Ardooie in de Processiestraat waarbij het voertuig Opel Astra, eigendom van eiser en bestuurd door zijn zoon (A.V.), in de gracht terechtkwam. Er waren geen andere voertuigen bij het ongeval betrokken. De Processiestraat is een landelijke weg gelegen buiten de bebouwde kom.

Op het tijdstip van het ongeval was het donker en was er regenval. De verbalisanten, die meteen na het ongeval ter plaatse waren gekomen, stelden vast dat het wegdek «sterk bevuild was door maïsresten en modder». Er werden glijsporen van de Opel Astra in de modder en de maïsresten aangetroffen.

Onder de rubriek «beknopte uiteenzetting van het ongeval» relateerde de politie: «V. komt met zijn auto in de gracht terecht door het bevuilde wegdek, afkomstig van maïsresten en modder».

Na het ongeval kwam de brandweer ter plaatse om het wegdek van de Processiestraat te reinigen.

Het voertuig Opel Astra, dat in de gracht was terechtgekomen, liep schade op aan de volledige rechterzijde.

A.V. werd niet gewond door het ongeval. De verbalisanten stelden vast dat hij geen tekenen van alcoholgebruik vertoonde.

Er waren geen getuigen van het ongeval.

A.V. verklaarde aan de politie op 7 oktober 2006 om 3 u 30 in essentie dat hij het voertuig Opel Astra omstreeks 3 u in de Processiestraat te Ardooie bestuurde en dat hij de bedoeling had om ter hoogte van het kruispunt met de Legestraat links af te slaan. Hij had gezien dat de rijbaan vol maïs lag van in het begin van de Processiestraat en schakelde in tweede versnelling, waarna hij voorzichtig linksaf draaide. Toch kon hij de wagen niet op de rijbaan houden en kwam hij in de gracht terecht.

Verweerder werd op 21 oktober 2006 door de verbalisanten verhoord en legde de volgende verklaring af aan de politie: «Ik neem kennis van uw onderzoek inzake het verkeersongeval van 6 oktober in de Processiestraat te Ardooie. Ik ben de eigenaar van de percelen maïs ter hoogte van het kruispunt van de Processiestraat met de Legestraat te Ardooie. De maïs werd geoogst op 5 oktober 2006 door de gebroeders S. uit Oekene. Ik ben verzekerd bij K. onder polisnummer (...). Ik nam reeds contact op met de D.M., de makelaar, teneinde de zaak te regelen. Ik neem er tevens kennis van dat de brandweer het wegdek heeft gereinigd. Verder heb ik niets meer te verklaren».

Tijdens zijn verhoor op 14 november 2006 bevestigde de loonwerker, R.S., dat zijn bedrijf op 5 oktober 2006 loonwerken in de Processiestraat te Ardooie had uitgevoerd. Hij betwistte de aansprakelijkheid voor het ongeval, omdat de rijbaan volgens hem door verweerder en een buurman (van wie hij de naam niet kende) werd gereinigd. Daarnaast voerde hij aan dat «mogelijk iemand anders voorbij was gekomen in die twee dagen met vuile banden».

2. Eiser is van oordeel dat verweerder de zorgvuldigheidsnorm van art. 1382-1383 B.W., geconcretiseerd door de voorschriften van art. 7.1. van het Wegverkeersreglement, niet heeft nageleefd.

Eiser bedoelt klaarblijkelijk art. 7.3. in plaats van art. 7.1. van het Wegverkeersreglement. Sinds de wijzigingsbepaling van art. 6 van het K.B. van 4 april 2003 (inwerkingtreding op 1 januari 2004) luidt art. 7.3. van het Wegverkeersreglement als volgt: «Het is verboden het verkeer te hinderen of onveilig te maken door voorwerpen, zwerfvuil of stoffen op de openbare weg te werpen, te plaatsen, achter te laten of te laten vallen, hetzij door er rook of stoom te verspreiden, hetzij door er enige belemmering aan te brengen».

In de rechtsleer en de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat slijk en modder die afkomstig zijn van de wielen van een landbouwvoertuig en die op de rijbaan achterblijven, vallen onder het toepassingsgebied van art. 7.3. van het Wegverkeersreglement (het vroegere art. 7.1. van het Wegverkeersreglement; zie o.m. Gent 2 december 1986, TVBR 1986, 117; Gent 5 januari 2000, RGAR 2001, nr. 13400). Modder op de rijbaan hindert het verkeer en maakt het onveilig. Het feit van het verkeer op die manier te hinderen of gevaarlijk te maken door op de openbare weg voorwerpen of stoffen achter te laten, maakt een overtreding en derhalve een onvoorzichtigheid uit in de zin van art. 1382 B.W., zelfs als dit feit het gevolg is van een nalatigheid (Cass. 28 november 1960, Pas. 1961, I, 332).

Om een overtreding van art. 7.3. van het Wegverkeersreglement in aanmerking te laten nemen, is het geenszins vereist dat de aansprakelijke persoon zelf persoonlijk de in art. 7.3. van het Wegverkeersreglement bedoelde voorwerpen of stoffen heeft laten vallen. Het is voldoende dat hij hetzij gezag uitoefende hetzij de onmiddellijke leiding had over de werken hetzij zelf de taak op zich had genomen de openbare weg te reinigen (zie in dit verband de rechtspraak in verband met art. 7.1. van het Wegverkeersreglement: Cass. 9 oktober 1980, Arr.Cass. 1980, 137; Gent 5 januari 2000, RGAR 2001, nr. 13400; Rb. Brugge 19 september 1998, nr. 80.96.78/98, niet gepubliceerd).

3. Na het ongeval werd de politie meteen verwittigd. De verbalisanten hebben vastgesteld dat het wegdek sterk bevuild was door maïsresten en modder. Zij stelden ook glijsporen van het voertuig Opel Astra in de modder en de maïsresten vast.

De dossiergegevens tonen aan dat de toestand van de rijbaan op het ogenblik van het ongeval onveilig was. De verklaringen van de verbalisanten zijn immers zeer expliciet («sterk bevuild door maïsresten en modder»). Indien de verbalisanten, van wie toch verwacht mag worden dat zij over de nodige ervaring inzake de vaststellingen van verkeersongevallen beschikken, van oordeel zouden zijn geweest dat de modder- en maïsresten niet gevaarlijk waren en/of onmogelijk het ongeval konden veroorzaken, dan zouden zij hiervan redelijkerwijze melding hebben gemaakt.

Bovendien heeft de politie de brandweer gevorderd om het wegdek te reinigen. Als de politie van oordeel zou zijn geweest dat de modder- en maïsresten geen onveilige situatie voor het verkeer vormden, dan zou zij logischerwijze de brandweer niet hebben gecontacteerd om de rijbaan te reinigen.

De rechtbank aanvaardt dat de verplichting van landbouwers en loonwerkers om de landelijke wegen tijdens het oogstseizoen proper te houden in redelijkheid moet worden begrepen en toegepast, maar dit betekent niet dat kan worden aanvaard dat er sterk bevuilende modderresten op de openbare weg blijven liggen. De rijbaan moet nog steeds proper gemaakt worden op een zodanige wijze die de veiligheid van de weggebruikers garandeert, ook na een regenbui.

Op basis van de gegevens van het proces-verbaal staat het dan ook vast dat de openbare weg in de Processiestraat op ontoelaatbare wijze was bevuild en een gevaar opleverde voor de weggebruikers.

4. Na het ongeval hebben de verbalisanten een onderzoek verricht teneinde na te gaan wie het wegdek had bevuild. Hun onderzoek leidt tot het verhoor van verweerder, die de eigenaar is van de percelen maïs ter hoogte van het kruispunt van de Processiestraat met de Legestraat (= plaats waar het ongeval gebeurde) en die op 5 oktober 2006 zijn maïs had geoogst.

Tijdens zijn verhoor bevestigt verweerder dat zijn maïs op 5 oktober 2006 werd geoogst. Betrokkene meldt niet dat hij de openbare weg na de werken had gereinigd. Indien hij dit effectief grondig zou hebben gedaan, dan zou redelijkerwijze verwacht mogen worden dat hij dit zou hebben gemeld. Evenmin wordt er gewag gemaakt van oogstactiviteiten door andere naburige landbouwers. Betrokkene verklaart enkel dat hij reeds contact had genomen (vóór de komst van de politie) met zijn verzekeraar om de zaak te regelen. Ook omtrent de factuur van de brandweer heeft verweerder geen opmerkingen.

Het onderzoek door de politie (indien zij vermoedde dat andere landbouwers voor de feiten in aanmerking kwamen, dan zou zij deze personen ongetwijfeld verhoord hebben), de plaats van het ongeval in de onmiddellijke nabijheid van de percelen van verweerder, het tijdstip van de feiten (minder dan twee dagen na de oogst) en de attitude van verweerder na het ongeval vormen naar het oordeel van de rechtbank voldoende doorslaggevende bewijselementen ten laste van verweerder. De latere verklaring van loonwerker S. doet daar geen afbreuk aan; zijn bewering dat er «mogelijk iemand anders voorbijgekomen was» is louter speculatief en zonder enig objectief aanknopingspunt in het dossier. Uit de door de loonwerker verstrekte gegevens kan enkel worden afgeleid dat verweerder klaarblijkelijk de verantwoordelijkheid voor het reinigen en de veiligheid van de weg op zich had genomen.

Zodoende is de rechtbank van oordeel dat verweerder wel degelijk nalatig is geweest door na de oogstwerken de openbare weg niet of niet op afdoende wijze te reinigen. Een overtreding van art. 7.3. van het Wegverkeersreglement komt bewezen voor. Deze overtreding staat ontegensprekelijk in causaal verband met het ongeval en de eruit voortgevloeide schade. De vaststellingen van de verbalisanten zijn duidelijk: er waren glijsporen van de auto in de modder- en maïsresten, en de verbalisanten relateerden onder rubriek 11 van het proces- verbaal: «V. komt met zijn auto in de gracht door het bevuilde wegdek, afkomstig van maïsresten en modder».

...
 

Noot: 

Zie ook: Burgerlijke Rechtbank te Turnhout, 4e Kamer – 4 december 2009, RW 2011-2012; 577

samenvatting:

Het feit dat op een agrarische weg modder ligt is niet abnormaal en behelst geen gebrek in de zin van artikel 1384 Gerechtelijk wetboek

tekst voonis:

De V. t/ Stad Hoogstraten

...

4. Ten gronde

4.1. De feiten

Op 27 december 2003 omstreeks 18 uur ‘s avonds gebeurde te Wortel “Kolonie” op een landweg een verkeersongeval waarbij appellant met zijn motorfiets BMW ten val is gekomen.

Appellant werd gewond, liep verschillende breuken op en werd overgebracht naar het ziekenhuis.

Aan de openbare weg waar het ongeval gebeurde ligt een stuk landbouwgrond met daarop een voedersilo. Deze grond werd gebruikt door de heer K.P.

Daags na het ongeval ging de echtgenote van de heer De V. aangifte doen van de feiten bij de politie. Er werd een strafdossier opgesteld, dat later werd geseponeerd.

Onder de rubriek “kort relaas” schreven de verbalisanten:

“De V. was samen met enkele kennissen bezig met een motortocht om de kerststallen in de buurt te bezichtigen. (...) Daar hebben zij de Langenberg overgestoken en het weggetje aldaar ingereden. De straat heeft geen officiële naam, maar wordt gerekend tot Wortel Kolonie. Voor de bocht aldaar lag slijk op de rijbaan, afkomstig van een landbouwvoertuig. De V. is geslipt op het slijk en is ten val gekomen (...)”.

Voorts is de rubriek “vaststellingen” relevant: “Wij kunnen twee dagen na de feiten nog vaststellen dat er slijk op de rijbaan ligt. Het slijk is duidelijk afkomstig van een landbouwvoertuig dat uit de weide aldaar komt. In de weide is een voedersilo gelegen (...)”.

Bij “technische vaststellingen” werd genoteerd: “Weersomstandigheden: onbekend. Staat van de weg: vuil (zand, grind, bladeren, ...). (...) Weg-/verkeersomstandigheden: bevuilde rijbaan”.

De heer E. was mee op kerststallentocht en verklaarde als getuige dat ter plaatse voor een bocht enorm veel slijk op de rijbaan lag en dat hij vermoedde dat dit afkomstig was van een landbouwvoertuig. Hij verklaarde tevens dat daar een silo van een boer gelegen was, dat hij ook over het slijk was geslipt, maar dat hij zijn voertuig nog onder controle had kunnen houden en dat men aan een snelheid van 35 km per uur reed.

De heer V., die ook tot het gezelschap behoorde, verklaarde dat er slijk op de rijbaan lag en dat de baan vochtig was. Hij zei ook dat er aan 35 km per uur werd gereden en dat appellant slipte op het slijk. Ten slotte verklaarde hij dat het slijk duidelijk afkomstig was van een tractor die van het erf aldaar kwam en dat de rijbaan verderop proper was.

K.P., de landbouwer, werd ook gehoord door de politie en legde volgende verklaring af: “(...) Ik neem er kennis van dat er een verkeersongeval gebeurd is op de weg achter mijn boerderij. (...). Ik heb aldaar een silo liggen. Ik neem er kennis van dat het verkeersongeval is gebeurd doordat de rijbaan vervuild was. Ik zorg er echter voor dat de rijbaan proper blijft. Ik wens wel te vermelden dat er zeer dikwijls zwaar verkeer doorkomt dat de rijbaan ook vervuilt (...)”.

Op 4 februari 2004 verhoorde de politie de heer De V. Hij verklaarde: “(...). We hadden juist de Langenberg overgestoken en reden aan een trage snelheid van 40 km per uur. Op een gegeven ogenblik voor een bocht naar links, lag er slijk op de rijbaan. Ik ben dan gevallen door dit slijk op de rijbaan. (...). Ik ben met mijn motorfiets gevallen ingevolge slijk, gedeelte van silo(gras) dat op de rijbaan lag (...)”.

Appellant voert aan dat geïntimeerde de bewaarder is van de weg op de plaats van het ongeval en dat zij aan een veiligheidsverplichting te voldoen heeft in het raam van de Nieuwe Gemeentewet.

4.2. Het bestreden vonnis

In eerste aanleg vorderde de heer De V. in primaire orde van NV K.V. (verzekeraar van de genoemde heer K.P. en thans niet meer in zake) een vergoeding van 2.000 euro provisioneel, vermeerderd met de interesten en de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

Subsidiair, voor het geval de in primaire orde ingestelde eis zou worden afgewezen, vorderde hij van de stad Hoogstraten een schadevergoeding van 10.000 euro provisioneel, vermeerderd met de interesten en de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

De eerste rechter verklaarde de vorderingen van appellant ontvankelijk. Hij verklaarde de vordering tegen NV K.V. deels gegrond en veroordeelde NV K.V. om aan appellant 1 euro provisioneel te betalen. Tevens stelde hij een geneesheer-deskundige aan om de heer De V. te onderzoeken.

De vordering van appellant tegen de stad Hoogstraten werd zonder voorwerp verklaard.

...

4.4. Beoordeling

1. Appellant voert aan dat geïntimeerde als bewaarder van de weg aansprakelijk is op basis van art. 1384, eerste lid, BW voor een gebrek in de rijbaan.

Hij betoogt dat uit de gegevens die hij bijbrengt blijkt dat de plaats van het ongeval behoort tot het openbaar domein van de stad Hoogstraten. Hij vraagt dat, indien de rechtbank zou twijfelen wie de bewaarder van de weg is op de ongevalsplaats, een landmeter-deskundige zou worden aangesteld om hierover uitsluitsel te bieden.

Appellant geeft aan dat de rijbaan behept was met een gebrek, namelijk modder en slijk op de rijbaan, en dat dit gebrek tevens als abnormaal kan worden bestempeld, zodat daardoor aan derden schade berokkend kon worden.

Vervolgens meent de heer De V. dat de stad Hoogstraten alleszins gefaald heeft haar veiligheidsverplichting na te leven. Volgens appellant bestond er een abnormaal gevaar op het grondgebied van de stad en heeft deze laatste nagelaten om dit te verhelpen.

Voorts betoogt appellant dat uit niets blijkt dat hij overdreven snel reed. Hij geeft aan dat de aanwezige modder niet kan worden beschouwd als een voorzienbare hindernis; hij argumenteert dat een weggebruiker zich niet hoefde te verwachten aan een rijbaan die op dermate erge wijze vervuild was. Hij zegt dat uit niets blijkt dat hij niet de vereiste stuurbekwaamheid had of onoplettend zou zijn geweest en wijst op het feit dat ook zijn medebestuurders problemen hadden om overeind te blijven.

2. Geïntimeerde argumenteert dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet kan worden afgeleid waar het ongeval zich precies heeft voorgedaan en meent dat zij niet zomaar als bewaarder van de weg op de plaats van het ongeval kan worden beschouwd. Ze meent dat deze plaats niet tot de openbare weg behoort, maar tot het privaat domein van de instelling van Wortel-Kolonie.

Subsidiair is zij van oordeel dat de aanwezigheid van slijk op een landweg bezwaarlijk als abnormaal kan worden beschouwd, zodat zij alleszins niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het gebeurde ongeval op basis van art. 1384, eerste lid, BW.

Ze wijst erop dat de veiligheidverplichting voor de gemeente een inspannings- en geen resultaatsverbintenis is en dat zij op 19 november 2003 ter plaatse nog grachten heeft geruimd en zich ter plaatse van de toestand heeft vergewist.

De stad Hoogstraten is van oordeel dat het ongeval enkel en alleen heeft kunnen plaatsvinden door de fouten en de onvoorzichtigheid van de heer De V. zelf.

Ze meent dat de aanwezigheid van slijk op een landweg niet onvoorzienbaar was en dat de heer De V. art. 10.1.3o, van het Wegverkeersreglement heeft geschonden.

3. De eerste rechter heeft geoordeeld dat de vordering van appellant tegen geïntimeerde alsdan zonder voorwerp was geworden wegens het feit dat de verzekerde van NV K.V. door hem aansprakelijk werd geacht voor het gebeurde ongeval, zodat hij zich niet verder diende uit te spreken over de eventuele aansprakelijkheid van de stad Hoogstraten.

Momenteel dient te worden vastgesteld dat de vordering die appellant in eerste aanleg in subsidiaire orde stelde, op dit ogenblik niet langer zonder voorwerp is. Deze rechtbank dient juist de eventuele aansprakelijkheid van geïntimeerde voor het gebeurde ongeval te onderzoeken.

De vaststelling van de eerste rechter dat er geen aanwijzing voorhanden is dat de heer De V. te snel zou hebben gereden, kan worden bijgevallen. Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat er zich heel wat modder op de rijbaan bevond.

Op een agrarische weg als de kwestieuze baan dient een voorbijganger zich echter wel te verwachten aan de aanwezigheid van modder. Het is niet abnormaal dat er zich slijk bevindt op een landweg. Als hij in het donker een dergelijke weg betreedt, moet een normale en voorzichtige motorrijder zich eraan verwachten dat een landweg in een agrarisch gebied glad kan zijn door aanzienlijk wat modder en vuil.

Het feit dat er zich modder en zelfs veel modder op een dergelijke weg bevindt, is in het geheel niet abnormaal.

Er is bijgevolg geen sprake van een gebrek in de zaak, zodat geïntimeerde – als ze al bewaarder van de kwestieuze weg zou zijn, maar wat dus niet verder dient te worden onderzocht – niet aansprakelijk kan worden gesteld op basis van art. 1384, eerste lid, BW.

Voorts staat vast dat de veiligheidsverplichting van de gemeente wel degelijk een inspanningsverbintenis is. Van geïntimeerde kan niet worden verwacht dat zij bij wijze van spreken elke dag of week op alle landwegen gaat kijken of ze nog wel berijdbaar zijn ingevolge de aanwezigheid van slijk. Van een normale en zorgvuldige gemeente moet worden verwacht dat zij haar wegen onderhoudt en probeert problemen te verhelpen van zodra deze worden gemeld. Uit niets blijkt dat de stad Hoogstraten zich niet in voldoende mate heeft ingespannen om de kwestieuze weg veilig en berijdbaar te houden. Appellant toont niet aan dat geïntimeerde zich niet aan haar verplichting om de wegen veilig te houden, heeft gehouden.

Uit niets blijkt dat geïntimeerde de Nieuwe Gemeentewet niet heeft nageleefd.

Samenvattend kan worden gezegd dat niets kan worden verweten aan geïntimeerde.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 16/10/2010 - 20:24
Laatst aangepast op: do, 07/09/2017 - 13:11

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.