-A +A

Miskenning deontologische regel heeft geen burgerechtelijke gevolgen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
don, 10/11/2011

De niet naleving van een deontologische regel heeft geen gevolgen op civielrechtelijk vlak.

Het gebrek van prijsaanduiding in een overeenkomst met een architect heeft niet de nietigheid van het contract met de architect tot gevolg. Het ereloon van een architect is civielrechtelijk een partijbeslissing.

Ereloon overdreven heten zonder bewijs van die stelling mieskent de bewijslast van de opdrachtgever.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
1468
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.G. t/ NV G. De B.

...

2. Voorwerp van de vorderingen

Eiser vordert de veroordeling van verweerster tot betaling van een bedrag van 9.508,58 euro, vermeerderd met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 19 mei 2010, minstens vanaf 11 augustus 2010 en in elk geval vanaf de datum van dagvaarding, tot de dag van algehele betaling, onder aftrek van de reeds door verweerster gedane deelbetaling van 242 euro, aan te rekenen eerst op de verwijlinteresten en pas nadien op de hoofdsommen.

...

3. Samenvatting van de standpunten van partijen

...

3.2. Verweerster gaf aan eiser de opdracht om een eerste schets op te maken in het raam van een nieuwbouwproject te Lebbeke.

Volgens verweerster betrof het hier een louter vrijblijvende idee.

Dit impliceerde volgens verweerster dat zij nog geen al te grote uitgaven wilde doen.

Eiser factureerde zijn werkzaamheden met een factuur nr. 1017/01 van 3 mei 2010 ten bedrage van 9.265,58 euro; deze factuur werd door verweerster geprotesteerd op 17 mei 2010.

Verweerster verklaarde zich slechts bereid om de effectief door eiser geleverde prestaties aan een redelijk uurloon te vergoeden, mits eiser een overzicht zou bezorgen van de effectief geleverde prestaties. Volgens verweerster is er sprake van een totaal overdreven begroting van het ereloon à rato van 76 werkuren (gerekend aan een uurloontarief van 100 euro).

...

Verweerster voelt zich o.a. gegriefd door het feit dat eiser naliet haar naar behoren (vooraf) te informeren over de (hoegrootheid van de) aangerekende erelonen. Voorts argumenteert verweerster dat eiser geen schriftelijke overeenkomst opstelde (in strijd met zijn deontologische verplichtingen), terwijl de deontologische norm waarop eiser zich baseert ook niet meer zou bestaan. Bovendien zou de aangerekende prijs strijdig zijn met de prijzenwetgeving. Verweerster beklaagt zich ten slotte ook nog over de kwaliteit van de schetsen.

4. Beoordeling

4.1. De rechtbank stelt vast dat geen schriftelijke architectenovereenkomst voorligt, niettegenstaande het deontologisch voorschrift dat voor architecten geldt om met hun opdrachtgever een schriftelijke overeenkomst op te stellen, ten laatste op het ogenblik waarop de opdracht van de architect bepaald wordt (art. 20 Reglement van beroepsplichten). In deze schriftelijke overeenkomst moet normaliter o.a. nauwkeurig de berekeningswijze worden opgenomen waarop het ereloon wordt vastgesteld (art. 3.4., eerste lid Aanbeveling van de Nationale Raad van 11 oktober 1985 aangaande de toepassing van art. 20 van het Reglement van beroepsplichten).

Naar hetgeen betoogd werd door de raadsman van eiser (hierin niet tegengesproken door verweerster, c.q. haar raadsman) ter zitting van 12 oktober 2011 zijn partijen geen onbekenden voor elkaar, wat alleszins een mogelijke verklaring is voor het gebrek aan geschreven architectenopdracht.

Feit is bovendien dat de miskenning van de voormelde deontologische overtreding op zich geen rechtstreekse civielrechtelijke rechtsgevolgen met zich meebrengt. Deontologische voorschriften zijn bestemd voor de beroepsbeoefenaren van de desbetreffende sector. Deze rechtbank heeft ook niet de vereiste rechtsmacht om gebeurlijke overtredingen van deontologische voorschriften vast te stellen en te bestraffen, hetzij direct, hetzij op indirecte wijze: de rechtbank zou zich ten andere begeven op het terrein van de Orde van Architecten, mocht zij enige uitspraak in dat verband doen. Het enige wat thans kan worden vastgesteld, is dat verweerster blijkbaar zelf geen initiatieven heeft ontwikkeld bij voornoemde orde om een eventuele miskenning van bepaalde beroepsplichten aan te klagen.

Verweerster kan uit de ontstentenis van een geschrift of van een op schrift gestelde overeenkomst dan ook geen direct relevante argumenten of middelen putten als verweer tegen de vordering van eiser. Een overeenkomst met een architect is een aannemingsovereenkomst (huur van diensten) en een dergelijke overeenkomst komt consensueel tot stand, zonder dat enig vormvereiste geldt; naar civiel recht kan men dus rechtsgeldig contracteren met een architect, ook zonder geschreven overeenkomst.

Het bestaan van de overeenkomst, c.q. van de architectenopdracht wordt als zodanig trouwens niet betwist.

4.2. De overeenkomst met een zelfstandige architect kan worden gekwalificeerd als een aanneming van diensten. De architect verbindt er zich immers toe om op onafhankelijke wijze materiële handelingen van intellectuele aard te stellen waardoor hij zijn medewerking verleent aan – ten minste – het opmaken van de plannen van een bouwwerk en/of de controle op de uitvoering van de werken.

Uit deze kwalificatie vloeit voort dat het architectencontract in essentie een vergeldende overeenkomst is (art. 1710 BW).

Het loutere feit dat een architectenovereenkomst noch het bedrag van het ereloon bevat noch concrete elementen om dit ereloon te berekenen, impliceert geenszins dat deze overeenkomst geen bepaald of bepaalbaar voorwerp heeft, c.q. nietig zou zijn (Cass. 10 oktober 2003, TBO 2004, 85). A contrario wordt uit deze cassatierechtspraak afgeleid dat het ereloon van de architect ook in deze hypothese kan worden bepaald, zonder dat een nieuwe overeenkomst tussen partijen noodzakelijk is.

In afwijking van bijvoorbeeld de koopovereenkomst wordt het in het raam van de aannemingsovereenkomst nagenoeg unaniem aanvaard dat de aannemingsovereenkomst geldig tot stand kan komen zonder dat de prijs op het ogenblik van de wilsovereenstemming vastligt. Het gaat hier niet om een uitzondering op de gemeenrechtelijke verbintenisrechtelijke beginselen, maar om een algemeen gekende toepassing van de partijbeslissing (zie o.a.: A. Fettweis, “L’option préliminaire: commande d’un ouvrage ou achat d’un bien à fabriquer ou à construire”, Droit de la construction, Act.dr. 1991, 877).

Afgezien van het feit dat de door de Nationale Raad van de Orde van Architecten op 12 juli 1967 vastgestelde zgn. deontologische norm nr. 2 nooit werd goedgekeurd bij een in Ministerraad overlegd KB, dient te worden opgemerkt dat deze norm ingetrokken werd op 21 november 2003; de reden hiervoor was dat deze norm werd beschouwd als een besluit van een ondernemingsvereniging waardoor de mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel ervan merkbaar werd verhinderd, beperkt of vervalst (dergelijke besluiten van ondernemingsverenigingen zijn verboden door art. 2, § 1 WBEM en – in zoverre zij de mededinging op de gemeenschappelijke markt verhinderen, beperken of vervalsen – eveneens door art. 81, § 2 WBEM en art. 81, tweede lid EG-Verdrag).

Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat er ook geen enkel bewijs voorligt dat verweerster, voorafgaandelijk aan het sluiten van het architectencontract, kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de deontologische norm nr. 2, laat staan dat zij zou hebben toegestemd dat deze norm zou worden toegepast bij de berekening van het ereloon van eiser. Overigens wordt de deontologische norm nr. 2 als zodanig ook niet beschouwd als een gebruik in de bouwsector

Een deel van de rechtspraak en de rechtsleer is van oordeel dat, bij gebrek aan wettelijke voorschriften en geldende gebruiken, het honorarium van de architect ex aequo et bono moet worden begroot indien partijen geen bedrag of berekeningswijze in de architectenovereenkomst hebben opgenomen.

Deze rechtbank deelt deze visie niet, want dit zou erop neerkomen dat de rechter het ereloon dient te begroten, wat meteen ook betekent dat de rechter de wilsovereenstemming van partijen aanvult, wat strijdig is met het consensualisme, inherent aan het verbintenissenrecht. De rechtbank dient als buitenstaander niet de prijs te bepalen in een contractueel geschil over de verloning van prestaties.

Overigens is een ex aequo et bono-schatting hier niet echt op zijn plaats, want deze forfaitaire berekeningswijze is veeleer een methode die dient tot raming of begroting van schade uit contractuele wanprestatie of buitencontractuele fout, voor zover de rechter geen andere objectieve begrotingscriteria ter beschikking heeft.

Indien in de architectenovereenkomst geen vast bedrag noch een berekeningswijze van het ereloon is opgenomen, kan het ereloon dan ook uitsluitend worden vastgesteld met toepassing van de rechtsfiguur van de partijbeslissing. Inzake overeenkomsten van huur van diensten wordt de mogelijkheid van partijbeslissing trouwens algemeen aanvaard (P. Van Ommeslaghe, “Examen de jurisprudence. Les obligations”, RCJB 1975, nr. 21 en RCJB 1986, nr. 30; L. Simont en J. De Gavre, “Examen de jurisprudence, les contrats spéciaux”, RCJB 1976, nr. 195; E. Dirix en A. van Oevelen, “Kroniek van het verbintenissenrecht (1978-79 en 1979-80)”, RW 1980-81, 2438; P. Poullet en Y. Poullet, “Les contrats informatiques, réflexions sur 10 ans de jurisprudence belge et française”, JT 1982, nr. 260). Dit impliceert dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen om het ereloon op grond van de geleverde prestaties na de uitvoering van de architectenopdracht eenzijdig te laten vaststellen door de architect, onder de (marginale) controle van de rechter. De opdrachtgever verbindt zich er m.a.w. toe om voor de prestaties van de architect een normaal ereloon te betalen dat eenzijdig door de architect wordt vastgesteld. Door het ereloon eenzijdig te begroten, voert de architect de (stilzwijgende) wilsovereenstemming betreffende de bepaling van het ereloon uit (G. Baert, Privaatrechtelijk bouwrecht, IV.3.11; P. Rigaux, Le droit de l’architecte, nr. 187; R. Kruithof, H. Bocken, F. De Ly en B. De Temmerman, “Overzicht van rechtspraak (1981-1992). Verbintenissen”, TPR 1994, 366).

Uit het e-mailbericht van verweerster van 29 april 2010 blijkt dat verweerster, zonder verdere vragen tot verduidelijking inzake de hoegrootheid van het ereloon, aan eiser de gevraagde facturatiegegevens mededeelde; impliciet blijkt hieruit een akkoord van verweerster met het principe van de partijbeslissing.

In zoverre verweerster alludeert op een informatieverzuim van de kant van eiser gaat verweerster zelf allesbehalve vrijuit; als professioneel (handelsvennootschap) getuigt het immers van een grote onzorgvuldigheid om vooraf zelf minstens geen indicatieve raming te vragen van de erelonen verbonden aan de kostprijs van de verstrekte opdracht, althans in de hypothese die verweerster thans verkondigt, nl. dat de kostprijs voor haar een essentieel gegeven was en zij in die fase nog geen al te grote kosten wilde maken. Door geen eisen te stellen inzake het budget en vooraf zelfs geen vragen te stellen over de berekeningswijze van het ereloon kan worden aangenomen dat verweerster akkoord ging met het principe van de partijbeslissing door eiser inzake de hoegrootheid en de berekeningswijze van de erelonen verbonden aan deze opdracht.

Er wordt ook niet aangetoond dat het door eiser aangerekende ereloon buitensporig of onredelijk hoog zou zijn; verweerster legt zelf geen voorstellen tot berekening of andere documenten voor, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de begroting van het ereloon van eiser (dat kennelijk zelfs vrijwillig herleid werd, althans in verhouding tot de deontologische norm nr. 2, dat nog steeds als referentiekader kan gelden volgens bepaalde rechtspraak: zie o.a. Gent 4 januari 1996, RW 1998-99, 153; Brussel 21 april 1998, AJT 1998-99, 238) de toets van de vergelijking met wat andere architecten zouden aanrekenen voor een dergelijke opdracht niet zou doorstaan.

Door het ereloon van eiser te bestempelen als overdreven, zonder enig dienstig stavingsstuk voor te leggen dat minstens als begin van bewijs van de stelling van verweerster zou kunnen worden beschouwd, miskent verweerster haar zgn. processuele stellast: de verweerder moet immers de feitelijke elementen aanvoeren en bewijzen tot staving van zijn verweer en mag niet verwachten dat de rechter zelf op zoek zou gaan naar deze elementen. De partij die onvoldoende feitelijke gegevens aanbrengt, loopt het risico daarvan de nadelige gevolgen te dragen (M. Storme, De bewijslast in het Belgisch privaatrecht, Gent, Story-Scientia, 1962, p. 37, nr. 15; B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 126, nr. 8).

Overigens is het eigen aan het principe van de partijbeslissing dat de bewijslast van de overdreven begroting van de aannemingsprijs op de opdrachtgever rust: deze dient aan te tonen dat het contractueel toegekende recht om eenzijdig het ereloon te begroten werd misbruikt, c.q. niet te goeder trouw werd uitgeoefend.

Architecten begroten hun ereloon vaak op basis van een percentage of een fractie van de totale kostprijs van het project waarvoor zij worden ingeschakeld, waarbij het aantal effectief gepresteerde uren vaak niet eens een doorslaggevende berekeningsbasis is; hierin onderscheidt een architect zich – mede wegens de intellectuele aard van zijn prestaties – van loutere aannemers van bouwwerken, voor wie het aantal gewerkte uren wel determinerend kan zijn ter begroting van de aannemingssom (bv. bij aanneming in regie).

Dat de prestaties die door eiser werden geleverd nutteloos of onbruikbaar zouden zijn, zoals verweerster in haar protest stelde, blijkt nergens uit. Verweerster draagt nochtans de bewijslast, met toepassing van art. 870 Ger.W. Meer nog, uit de voorgelegde stukken (o.a. het schrijven van eiser van 20 april 2010) kan de rechtbank afleiden dat verweerster reeds enige tijd vóór de facturatie kon beschikken over de bewuste schetsen en ontwerpen; verweerster heeft haar eerste protest echter pas geuit nadat zij de litigieuze ereloonnota (“factuur”) ontving.

De rechtbank kan alleen maar vaststellen dat eiser een aantal schetsen en tekeningen voorlegt, die de bevestiging inhouden dat er toch wezenlijke architecturale prestaties zijn geleverd door eiser. Aan deze prestaties ging ook denk- en opzoekingswerk vooraf, zoals een onderzoek naar de vigerende stedenbouwkundige voorschriften en de lectuur en studie van het opmetingsplan dat reeds beschikbaar was. Overigens zijn de schetsen te situeren in de ontwerp- en studiefase, waar de architect vaak reeds de contouren uitdenkt van het project waarvoor hij is gevraagd, waarbij materiële bewijzen inzake de hieraan gespendeerde tijd niet altijd voorhanden zijn. Dat het bezoek van de locatie of de site (waar het project zou worden opgericht) zou gebeurd zijn in het raam van een andere prestatie van eiser (de expertise n.a.v. een schadegeval), doet geen afbreuk aan het feit dat deze prestaties zijn geleverd en in de beoordeling van het geheel van de werkzaamheden van eiser moeten worden betrokken; overigens is de aanwezigheid van verweerster niet vereist voor een dergelijk bezoek, zodat het aannemelijk is dat eiser alleen ter plaatse gegaan is.

In de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank dan ook geen enkele aanleiding om het ereloon te herleiden.

Interesten kunnen worden toegekend vanaf 19 mei 2010: op die datum heeft eiser voldoende duidelijk laten weten dat hij aandrong op betaling van de litigieuze factuur, zodat dit schrijven geldt als in mora-stelling, vanaf welk ogenblik de verwijls- of moratoire interesten beginnen te lopen.
 

Noot: 

Wanneer in 2001 een uurloon van 100 euro algemeen aanvaard werd, geldt voor 2012 een uurloon van 125 euro tot 140 euro euro als meer dan aanvaardbaar zoals dit thans in de provincie voor gewone gemiddelde zaken wordt toegepast.

De advocaat begroot bij partijbeslissing zijn ereloon, behoudens andersluidende voorafgaande afspraken. De rechter kan bij een eventuele betwisting een kennelijk overdreven ereloon verminderen maar ter zake zijn er geen vaste tarieven of een vast tarievenboek aan de hand waarvan u een advocaat kan verplichten om te laten werken. Indien een voorafgaande ereloonovereenkomst werd opgesteld is deze niet onderworpen aan het marginale toetsingsrecht van de rechter.

Inkomende briefwisseling brengt kosten mee die bestaan uit de administratieve verwerking mede, die kan begroot worden op 2,5 tot 4 euro.

Wanneer een brief, fax  of een mailbericht binnen komt op een professioneel kantoor wordt zending  niet alleen geopend, maar wordt onmiddellijk de brief in het computersysteem ingebracht. Voor zover de brief niet voorzien is van een referentie, wordt op het secretariaat de referentie aangebracht aan het dossier. Het dossier wordt dan manueel uit het klassement gehaald. Er wordt nagezien wie de verantwoordelijke is voor het dossier. Hiertoe leest het secretariaat oppervlakkig de briefwisseling. Hierna volgt de lectuur van de brief door de behandelende advocaat waarbij de brief wordt opgeslagen in digitale systemen die eveneens gebackupped worden in een archiefsysteem. Het ICT-park voor de behandeling van een gemiddelde van 7.000 dossiers, waarvan 1.500 actieve dossiers, kost ongeveer alleen al een kleine 10.000 € per jaar. Hetgeen wij in rekening brengen is niets meer en niets minder dan de kostprijs hiervan.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/05/2014 - 18:30
Laatst aangepast op: ma, 12/05/2014 - 10:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.