-A +A

Misbruik van vertrouwen van een stoffelijk overschot

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 28/02/2017
A.R.: 
P.16.1015.N

Het misdrijf misbruik van vertrouwen zoals bepaald in artikel 491 Strafwetboek, bestraft in essentie de aanslag op het eigendomsrecht van ter bede overhandigde zaken die limitatief in dat artikel zijn opgesomd en het betreft roerende zaken die het voorwerp van een handel kunnen uitmaken en waarover men als eigenaar kan beschikken; een stoffelijk overschot is geen dergelijke zaak en kan bijgevolg niet het voorwerp van het bedoelde misdrijf uitmaken.

Misbruik van vertrouwen is immers een vermogensmisdrijf. Een vermogensmisdrijf is een misdrijf tegen andermans ‘eigendom’. Een lijk (stoffelijk overschokt) heeft geen vermogenswaarde. Het is een res sacra. Een res sacra heeft geen vermogenswaarde en is buiten de handel. Zaken die buiten de handel zijn kunnen niet het voorwerp uitmaken van (strafrechtelijk) beslag en ook niet van het misdrijf misbruik van vertrouwen.

Een stoffelijk overzschot, als res sacra staat ook buiten het eigendomsrecht. Een lijk is niet de eigendom van erfgenamen en kan ook niet verhandeldworden.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.1015.N

1. K F,

burgerlijke partij,

2. N A,

burgerlijke partij,

eisers,

tegen

F A A O,

beklaagde,

verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 september 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het stoffelijk overschot van een persoon niet behoort tot de in dat ar-tikel limitatief opgesomde zaken omdat het niet kan worden aanzien als een roe-rend goed waarvan het houderschap kan worden overgedragen noch als enig goed dat in de handel is en waarop een eigendomsrecht kan gelden, zodat de nabestaan-den enkel feitelijk over het stoffelijk overschot kunnen beschikken; een stoffelijk overschot behoort echter wel degelijk tot de goederen bedoeld in artikel 491 Strafwetboek; het is immers een lichamelijk roerend goed dat niet uitdrukkelijk uit het toepassingsgebied van dat artikel is gesloten, het dient geen eigendom van de overdrager te zijn en het kan het voorwerp uitmaken van bezit dat kan worden overgedragen.

2. Het misdrijf misbruik van vertrouwen zoals bepaald in artikel 491 Strafwet-boek, bestraft in essentie de aanslag op het eigendomsrecht van ter bede overhan-digde zaken die limitatief in dat artikel zijn opgesomd. Het betreft roerende zaken die het voorwerp van een handel kunnen uitmaken en waarover men als eigenaar kan beschikken. Een stoffelijk overschot is geen dergelijke zaak en kan bijgevolg niet het voorwerp van het bedoelde misdrijf uitmaken.

Het middel dat uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van 149 Grondwet en artikel 2228 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt, enerzijds, dat de nabestaanden enkel feitelijk en overeenkomstig de wettelijke bepalingen kunnen beschikken over het stoffelijk overschot van een overledene en, anderzijds, dat het stoffelijk overschot geen deel uitmaakt van het vermogen van de nabestaanden; die redenen zijn tegenstrijdig; wanneer namelijk een stoffelijk overschot feitelijk kan worden overgedragen en aldus voldoet aan het begrip bezit in de zin van artikel 2228 Burgerlijk Wetboek, kan het wel degelijk deel uitmaken van een vermogen; bezit geldt immers als titel overeenkomstig artikel 2279 Burgerlijk Wetboek.

4. De omstandigheid dat de nabestaanden van een overledene enkel feitelijk en overeenkomstig de wettelijke bepalingen over zijn stoffelijk overschot kunnen be-schikken, houdt niet in dat dit stoffelijk overschot tot hun vermogen behoort. De bedoelde redenen zijn dan ook niet tegenstrijdig.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oor-deelt dat geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 491 Strafwetboek daar er geen sprake is van verduistering, terwijl de eisers zich in hun conclusie uitslui-tend hebben gesteund op een daad van verspilling; aldus is het arrest gebrekkig gemotiveerd.

Het onderdeel dat opkomt tegen een overtollige reden, is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 87,31 euro waarvan 52,31 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 28 februari 2017 uitgesproken

Noot: 

Noot onder voormeld X. in arrest Tijdschrift voor Strafrecht 2018/1, pagina 28

• C. Idomon, “De bestanddelen van misbruik van vertrouwen en misbruik van vennootschapsgoederen” (noot onder Cass. 9 februari 2005), RW 2006-07, 598-601; S. Lossy, “Misbruik van vennootschapsgoederen” in Comm.Straf., Mechelen, Kluwer, 2014, p. 21-23, nrs. 24-27.

• A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 359, nr. 450; S. Lossy, “Misbruik van vennootschapsgoederen” in Comm.Strafr., Mechelen, Kluwer, losbladig, 2014, p. 11, nr. 15.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/06/2018 - 22:01
Laatst aangepast op: wo, 20/06/2018 - 13:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.