-A +A

Met verdoken loon wordt rekening gehouden bij bepaling van opzegvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 15/12/2004
A.R.: 
2004-0295

Een forfaitaire onkostenvergoeding moet opgenomen worden in de berekeningsbasis voor de opzeggingsvergoeding indien blijkt dat de werknemer gen professionele verplaatsingskosten noch telefoonkosten heeft en terugbetaling heeft bekomen van werkelijk gemaakte professionele kosten op basis van onkostennota's en bewijsstukken.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Tussenarrest op tegenspraak
(heropening debatten op 20 april 2005, om 11.00 uur)
Tweede kamer
Arbeidsovereenkomst voor bedienden
ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN
Afdeling Antwerpen
ARREST A.R. 2040295
OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER
NV H.
appellante, incidenteel geïntimeerde
tegen :
Y. K.,
geïntimeerde, incidenteel appellant

Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder:

x het eensluidend verklaard afschrift van het op 18 december 2003 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht;

x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 april 2004;

x het incidenteel beroep van geïntimeerde, ingesteld bij conclusie van 19 juli 2004;

x de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 juli 2004 en 21 oktober 2004 voor de heer K. en op 30 september 2004 en 8 november 2004 voor de N.V. H., hierna de N.V. genoemd;

x de beschikking d.d. 7 juni 2004 overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek.

II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Met inleidende dagvaarding, betekend op 3 januari 2003, vorderde de heer K. de veroordeling van de N.V.
tot betaling van:
45.664,50 EUR opzeggingsvergoeding
2.362,50 EUR pro rata eindejaarspremie
8.500,00 EUR provisioneel ten titel van bonus 2002
32.660,25 EUR provisioneel achterstallig overloon periode 1996-2002

te vermeerderen met de vergoedende, de verwijl- en de gerechtelijke intresten vanaf de opeisbaarheid van de verschillende bedragen en met de kosten van het geding.

Bij bestreden vonnis van 18 december 2003 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De N.V. werd veroordeeld tot betaling van:

45.664,50 EUR opzeggingsvergoeding
2.362,50 EUR pro rata eindejaarspremie
3.563,01 EUR overuren

voormelde bedragen, na inhouding van de socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing - in zoverre verschuldigd - te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 13 september 2002 en de gerechtelijke intresten vanaf 3 januari 2003.

Het meer gevorderde werd als niet gegrond afgewezen en de N.V. werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

De vordering in hoger beroep van de N.V. strekt er in hoofdorde toe het bestreden vonnis te horen teniet doen in zoverre bestreden en, opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering van de heer K. integraal ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van het geding.

In ondergeschikte orde vordert de N.V., minstens alvorens verder recht te spreken, haar toe te laten om met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, aan te tonen dat de voor het ontslag van de heer K.
bevoegde persoon/instantie op 12 september 2002 voldoende kennis kreeg van de voor het ontslag om dringende reden ingeroepen feiten.

Bij syntheseconclusie van 21 oktober 2004 vordert de heer K. het hoger beroep ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen m.b.t. de gevorderde opzeggingsvergoeding en eindejaarspremie.

Hij stelt tevens incidenteel beroep in dat ertoe strekt het bestreden vonnis te vernietigen m.b.t. het gevorderde overloon en, opnieuw rechtsprekend, de N.V. te veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag van 32.660,25 EUR voor achterstallig overloon, minstens tot een provisioneel bedrag van 6.133,04 EUR (3.563,00 + 2.570,04), alle bedragen te vermeerderen met de vergoedende, de verwijl- en de gerechtelijke intresten vanaf de opeisbaarheid van de verschillende bedragen en met de kosten van het geding.

Bovendien vordert de heer K. de N.V. te bevelen de volledige afdrukken van de tijdsregistratie voor te brengen, met inbegrip van de reële inkomende en uitgaande tijden evenals de extra gepresteerde tijden buiten de glij-uren.

In ondergeschikte orde en alvorens recht te spreken, vordert de heer K. hem toe te laten te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat hem door de N.V. of één van haar aangestelden, betaling van een bonus van minimaal 8.500,00 EUR in het vooruitzicht was gesteld.

IV. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn.

V. TEN GRONDE

1. De feiten

De heer K. is in dienst getreden van de N.V. op 1 maart 1996 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, als assistent van de financieel directeur.

Met een aangetekende brief van 13 september 2002 werd de heer K. onmiddellijk ontslagen.

De tot staving van dit ontslag ingeroepen dringende reden werd aan de heer K. ter kennis gebracht met een aangetekende brief van 17 september 2002.

In deze brief wordt aan de heer K. verweten dat hij op systematische wijze misbruik maakte van de firmatelefoon voor privé-gesprekken, dat hij op systematische wijze misbruik maakte van de interne mail, inzonderheid mails die hij in zijn functie ontving doorstuurde naar onbevoegden, collega's en overste op systematische wijze bekladde en instructies en gezag ondermijnde.

De brief bevat tevens een meer gedetailleerde weergave van de inhoud van bedoelde mails.

2. De beoordeling

2.1. Onrechtmatig verkregen bewijs

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet behoort het aan de ontslaggevende partij het bewijs te leveren van de correcte naleving van de wettelijk voorgeschreven termijnen en formaliteiten evenals van het bestaan en het zwaarwichtig karakter van de als dringende reden ingeroepen feiten.

Het bewijs van de realiteit en het zwaarwichtig karakter van de ingeroepen feiten mag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 Arbeidsovereenkomstenwet, door alle middelen van recht worden bewezen, getuigen en vermoedens inbegrepen.

Deze bepaling staat er uiteraard niet aan in de weg dat ook in dit kader enkel rechtmatig verkregen bewijsmateriaal mag worden aangewend.

Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer is een grondrecht, gewaarborgd door artikel 22 Grondwet en artikel 8,,§1 E.V.R.M.

Beperkingen van dit recht zijn overeenkomstig artikel 8, ,§2 E.V.R.M. slechts toegestaan voor zover deze bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Bedoeld artikel 8 geldt niet alleen in de relatie tussen de burgers en de overheid maar is evenzeer van toepassing in de relatie tussen de burgers onderling.
(LAGASSE, F."La vie privée et le droit de travail", Soc. Kron. 1997, 418, en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer; CLAEYS T. en DEJONGHE D., "Gebruik van e-mail en internet op de werkplaats en controle door de werkgever", 122)

Ook werknemers hebben bij de uitoefening van hun taak recht op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer.

Of de inmenging door de werkgever in de persoonlijke levenssfeer van zijn werknemer al dan niet geoorloofd is en of het bewijsmateriaal verkregen ingevolge een dergelijke inmenging al dan niet toelaatbaar is dient te worden beoordeeld rekening houdend met finaliteit, relevantie en proportionaliteit van de inmenging.
(vgl. Cass., 27 februari 2001, A.J.T., 2000-01, 949)

Principes van finaliteit, relevantie en proportionaliteit liggen ook aan de oorsprong van de Wet Verwerking Persoonsgegevens, artikel 109terD Telecomwet, artikel 314, bis Strafwetboek en de C.A.O. nr. 81 gesloten in de Nationale Arbeidsraad, die alle beogen bepaalde aspecten van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer te regelen.

De heer K. verzet zich tegen het gebruik van de neergelegde uitprints van een aantal e-mails die hij verzond of ontving via de door de N.V. ter beschikking gestelde computerinfrastructuur.

Volgens de N.V. heeft haar netwerkbeheerder, de heer D. G., onregelmatigheden vastgesteld in het e-mailgebruik van de heer K. en heeft hij de heer S. hiervan op 11 september 2002 op de hoogte gebracht.

Nog steeds volgens de N.V. heeft de heer S. vervolgens op 12 september 2002 de "onderschepte" e-mails gelezen.

Samen met de eerste rechters is het Hof van oordeel dat de handelswijze van de N.V. een ongeoorloofde schending inhoudt van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de heer K., zodat moet worden besloten dat deze stukken onrechtmatig werden verkregen.

Het is niet voor ernstige discussie vatbaar dat de elektronische communicatie, zoals ook andere vormen van communicatie, tussen de heer K. en derden, behoort tot zijn persoonlijke levenssfeer, zoals bedoeld in artikel 8 E.V.R.M.

Dat deze communicatie werd tot stand gebracht in de lokalen van de N.V. met door haar ter beschikking gestelde hulpmiddelen doet daaraan geen afbreuk.
(E.H.R.M. 16 december 1992 (Niemitz t. Duitsland), J.T., 1994, 65; E.H.R.M., 25 juni 1997 (Halford t./ Verenigd Koninkrijk) Rep. Eur. Court H.R., 1997, III,1004)

Het is derhalve onjuist, zoals de N.V. voorhoudt, dat bedoelde berichten geen deel uitmaken van de persoonlijke levenssfeer van de heer K. en geen bijzondere bescherming behoeven, omdat de inhoud en het onderwerp van die berichten een professioneel karakter zouden hebben.

Tevergeefs verwijst de N.V. in dit verband naar de volgende passage in het verslag aan de Koning bij de C.A.O. nr. 81:

"...Tegen deze achtergrond en wanneer het onderwerp en de inhoud van de elektronische on-linecommunicatiegegevens een beroepsmatig karakter hebben dat door de werknemer niet in twijfel wordt getrokken, zal de werkgever zonder enige procedure kennis kunnen nemen van deze gegevens. De goede werking van de onderneming moet gewaarborgd blijven. De zaken liggen anders wanneer het privé karakter van de inhoud van deze gegevens wordt aangevoerd, met name door een vermelding in die zin in het onderwerp, waardoor de omvang van de controle door de werkgever wordt verduidelijkt. In dit geval geldt de individualiseringsprocedure voor de gegevens in kwestie, maar van de inhoud mag geen kennis worden genomen."

Deze overwegingen vinden hun neerslag in artikel 11, derde lid van de C.A.O. nr. 81 waarvan de inhoud luidt als volgt:

"Deze afdeling is niet van toepassing op het onderwerp en de inhoud van elektronische on-linecommunicatiegegevens waarvan het beroepsmatig karakter door de werknemer niet in twijfel wordt getrokken".

Zoals zeer juist werd onderstreept door Paul DE HERDT in zijn bijdrage "C.A.O. nr. 81 en advies nr. 10/2000 over controle van internet en e-mail"(R.W., 2002-2003,1286), is de door de N.V. in dit kader aangehaalde passage uit het verslag bij de C.A.O. nr. 81, zoals artikel 11, derde lid van de C.A.O. nr. 81 onverenigbaar met het bepaalde in artikel 8 E.V.R.M. en de interpretatie die daaraan werd gegeven door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, alsook met artikel 314 Bis Strafwetboek, artikel 109 ter D Telecomwet en de Wet Verwerking Persoonsgegevens, bepalingen die nergens professionele communicatie uitsluiten uit hun toepassingsgebied, integendeel.

De C.A.O. kàn derhalve geen onvoorwaardelijk en onbeperkt recht aan de werkgever verlenen om kennis te nemen van bestaan en inhoud van elektronische communicatie met een beroepsmatig karakter tussen de werknemer en derden.

Communicatie die op de werkplek tot stand komt is bovendien in vele gevallen gemengd van aard, zodat het onderscheid tussen zuiver beroepsmatige en privé-communicatie kunstmatig aandoet en in de realiteit vaak niet kan worden gemaakt.

De C.A.O. bevat bovendien geen duidelijke aanwijzingen hoe en wanneer de werknemer kan/moet aangeven dat hij het beroepsmatig karakter van bepaalde gegevens niet in twijfel trekt.

Artikel 11, derde lid van de C.A.O. nr. 81 kan dan ook niet worden beschouwd als een duidelijke en precieze regel die voldoende toegankelijk is voor de werknemer.

De in casu neergelegde communicatiegegevens bezitten alleszins geen uitsluitend beroepsmatig karakter.

Het is verder duidelijk dat het niet de bedoeling was van de betrokkenen dat anderen hiervan kennis zouden nemen en er is ook niets dat toelaat te besluiten dat het beroepsmatig karakter van deze gegevens door de heer K. en zijn correspondenten niet in twijfel werd getrokken.

Het Hof stelt verder vast dat geen enkel element uit het dossier toelaat te besluiten dat de heer K. en zijn correspondenten toelating hadden verleend aan de N.V. om kennis te nemen van het bestaan en de inhoud van bedoelde e-mailberichten.

Dat een dergelijke toestemming werd verleend kan niet afgeleid worden uit de inhoud van het door de N.V.
neergelegde IT-veiligheidsprotocol, dat door de heer K. werd onderschreven.

Het Hof kan verder slechts vaststellen dat de N.V. bijzonder vaag blijft over de manier waarop en met welke bedoeling zij de controle heeft uitgeoefend of liet uitoefenen, die uiteindelijk geleid heeft tot de kennisname van bestaan en inhoud van bedoelde e-mails.

De vage en algemene omschrijving dat kennis werd genomen van de e-mailberichten in het kader van een "bedrijfsbeleidcontrole" die ertoe strekte na te gaan of het IT-Protocol werd nageleefd is in dit kader weinig verhelderend.

Het blijft dan ook een raadsel hoe en met welk doel plots kennis werd genomen van bestaan en inhoud van e-mailberichten verzonden door of gericht aan de heer K., waarvan de oudste berichten teruggaan tot september 2001.

Zo is er met name geen enkele aanwijzing dat er voorafgaand aan de uitgevoerde controle bepaalde klachten zijn geweest over het e-mailgebruik van de heer K., noch dat er ernstige aanwijzingen waren van onregelmatigheden en het blijkt al evenmin dat er technische problemen waren gerezen.

Er wordt dan ook geen enkele noodzaak ingeroepen, a fortiori bewezen, die een dergelijke overmatige controle zou kunnen verantwoorden.

Vooral de tijdspanne tussen de verschillende berichten laat uitschijnen dat een gericht, geïndividualiseerd onderzoek van het e-mailgebruik door de heer K. is gebeurd, mogelijk zelfs in de hoop daarbij bezwarende informatie te vinden om hem te kunnen ontslaan.

In die omstandigheden moet het Hof besluiten dat de kennisname en het gebruik van de neergelegde communicatiegegevens alleszins strijdig zijn met de artikelen 8 E.V.R.M. en 109terD, 3° en 4° Telecomwet.

Zoals de eerste rechters zal ook het Hof de door de N.V. neergelegde uitprints niet in aanmerking nemen bij de beoordeling van dit geschil.

2.2. Geen dringende reden

Nog afgezien van de vraag of het onmiddellijk ontslag tijdig werd gegeven en de kennisgeving van de dringende reden beantwoordt aan het vereiste van nauwkeurigheid is het Hof van oordeel dat de N.V. manifest faalt in de op haar rustende bewijslast inzake het bestaan en het zwaarwichtig karakter van de als dringende reden ingeroepen feiten.

Het beweerde misbruik van de firmatelefoon blijkt in concreto betrekking te hebben op het in gebruik nemen van een tweede telefoonlijn door de heer K., waarvan de kosten volledig door hemzelf werden gedragen.

Dit verwijt is dan ook uitermate bevreemdend, nu niets in het dossier toelaat te besluiten dat de N.V.
door het verweten in gebruik nemen van een tweede telefoonlijn enig nadeel heeft ondervonden of kon ondervinden.

In dit verband moet worden aangestipt dat de heer K. volgens de eigen beweringen van de N.V. genoot van een onbeperkt en gratis gebruik van de hem ter beschikking gestelde gsm voor privé-doeleinden.

Het blijkt ook niet dat het in gebruik nemen van een tweede telefoonlijn expliciet werd verboden en het Hof aanvaardt dat de heer K. te goeder trouw heeft gemeend dat hiertegen geen bezwaar bestond, precies omdat hij de hieraan verbonden kosten zelf droeg.

Dat de heer K. de bedoeling had om op die manier te vermijden dat de N.V. via de facturatie van de telefoonkosten inzage kreeg in gegevens m.b.t. zijn privé-gesprekken, wordt vooreerst niet bewezen en kan hem hoe dan ook niet worden verweten.

Dit feit kan dan ook niet als een tekortkoming worden gekwalificeerd.

Dat de heer K. de betaling van een productiepremie zou hebben gesaboteerd waardoor het personeel deze premie eind augustus nog niet had ontvangen blijkt uit niets.

Voor het overige hebben de verweten tekortkomingen betrekking op het doorsturen van ontvangen e-mails aan personen voor wie deze e-mails niet bestemd waren en het via e-mail geven van negatieve commentaren op andere personen.

De in dit kader ingeroepen feiten bezitten echter noch afzonderlijk, noch cumulatief het vereiste zwaarwichtig karakter om elke verdere professionele samenwerking tussen partijen onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken.

Het verwijt dat de heer K. de binnen de N.V. bestaande regels m.b.t. de terugbetaling van onkosten zou hebben miskend en zich op die manier op bedrieglijke wijze onkosten liet uitbetalen, is een feit waarvan de N.V. zelf toegeeft dat zij het slechts ontdekte na het gegeven ontslag.

Het betreft dan ook een feit dat niet tot staving van het ontslag werd ingeroepen in de kennisgeving van de dringende reden met brief van 17 september 2002, zodat het niet in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling van het onmiddellijk ontslag.

2.3. Opzeggingsvergoeding

Vermits het onmiddellijk ontslag niet werd gerechtvaardigd door een dringende reden heeft de heer K. recht op betaling van een opzeggingsvergoeding, overeenstemmend met de opzeggingstermijn die de N.V. in acht had moeten nemen.

Het staat kennelijk niet ter discussie dat het jaarsalaris van de heer K. op het ogenblik van zijn ontslag meer bedroeg dan de in artikel 82, ,§2 Arbeidsovereenkomstenwet gestelde jaarloongrens.

Gelet op het ontbreken van een akkoord desbetreffend tussen partijen is het bijgevolg de rechter die de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn moet bepalen.

Daarbij moet rekening worden gehouden met de voor de heer K. op het ogenblik van zijn ontslag bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd (36 jaar), zijn functie en zijn jaarloon, volgens de gegevens eigen aan de zaak.

Wat het in aanmerking te nemen jaarloon betreft bestaat betwisting over de opname in de berekeningsbasis van een maandelijks als forfaitaire onkostenvergoeding betaald bedrag van 247,89 EUR en over het aantal toegekende maaltijdcheques op jaarbasis. (het loonkarakter van het werkgeversaandeel in de toegekende maaltijdcheques staat als zodanig niet ter discussie)

Het Hof stelt vast dat de heer K. kon beschikken over een firmawagen en een gsm.

De heer K. had bijgevolg geen professionele verplaatsingskosten, noch telefoonkosten.

Het is verder niet voor ernstige discussie vatbaar dat de heer K. terugbetaling kon bekomen en ook heeft bekomen van andere, werkelijk gemaakte professionele kosten op basis van door hem ingediende onkostennota's en bewijsstukken.

Weliswaar doet de N.V. gelden dat m.b.t. twee van deze nota's de binnen de N.V. bestaande procedure niet correct werd nageleefd, doch dit doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de andere nota's wel werden goedgekeurd door de financieel directeur.

Deze elementen, gekoppeld aan de vaststelling dat de N.V. zelfs niet aangeeft welke andere professionele kosten de toekenning van een maandelijkse onkostenvergoeding van 247,89 EUR zouden kunnen verantwoorden, laten toe te besluiten dat de als onkostenvergoeding betaalde bedragen een verdoken loon hebben uitgemaakt, zodat hiermee rekening moet worden gehouden voor het bepalen van de in acht te nemen opzeggingstermijn en de overeenstemmende opzeggingsvergoeding.

Wat het aantal op jaarbasis verschuldigde maaltijdcheques betreft kan het Hof slechts vaststellen dat de heer K. niet het bewijs levert dat hij recht had op 305 maaltijdcheques per jaar voor 305 effectief gewerkte dagen, wat zou impliceren dat hij meer dan 5 dagen per week werkte en/of op feestdagen en/of zijn recht op jaarlijkse vakantie niet opnam.

Gelet op het ontbreken van andersluidende gegevens kan enkel het door de N.V. erkende aantal maaltijdcheques in aanmerking worden genomen, hetzij 220 wat overeenstemt met een werkgeversaandeel van 981,20 EUR op jaarbasis.

Rekening houdend met bovenstaande overwegingen en de niet betwiste loonelementen dient voor de vaststelling van de in acht te nemen opzeggingstermijn en de overeenstemmende opzeggingsvergoeding rekening te worden gehouden met een jaarloon van 54.417,20 EUR, als volgt samengesteld:
3.150,00 EUR maandloon x 13,92 = 43.848,00 EUR
2.268,00 EUR werkgeversbijdrage in de groepsverzekering
1.345,32 EUR voordeel privé-gebruik gsm, computer, hospitalisatieverzekering
3.000,00 EUR privé-gebruik firmawagen
981,20 EUR werkgeversbijdrage maaltijdcheques
2.974,68 EUR verdoken loon.

Mits de juiste waarde toe te kennen aan bovenstaande elementen is het Hof van oordeel dat de N.V. een opzeggingstermijn van 9 maanden in acht had moeten nemen zodat de heer K. recht heeft op een overeenstemmende opzeggingsvergoeding van 40.812,89 EUR.

Het hoger beroep is in die mate gegrond.

2.4. Pro rata eindejaarspremie

Tussen partijen bestaat kennelijk geen betwisting over het feit dat de heer K. recht heeft op de toegekende pro rata eindejaarspremie in de door het Hof aanvaarde hypothese dat het onmiddellijk ontslag niet werd gerechtvaardigd door een dringende reden.

Het hoger beroep is wat dit punt betreft niet gegrond.

2.5. Overloon

Conform het bepaalde in artikel 3, ,§3, 1° van de Arbeidswet zijn de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling II van de Arbeidswet, met name de artikelen 19 tot en met 29 van die wet die de arbeidsduur betreffen, niet van toepassing op de werknemers die behoren tot de bij K.B. van 10 februari 1965 aangeduide personen met een leidende functie of bekleed met een vertrouwenspost.

Als assistent van de financieel directeur, belast met de verantwoordelijkheden omschreven in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst ter ondersteuning van de financieel directeur, behoorde de heer K. niet tot de in het K.B. van 10 februari 1965 aangeduide personen met een leidende functie of een vertrouwenspost.

Het is overigens frappant dat de N.V. niet eens aangeeft tot welke groep van aangeduide werknemers de heer K. dan wel zou hebben behoord.

Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering behoort het aan de heer K. om het bewijs te leveren van de door hem ingeroepen meerprestaties.

In graad van beroep legt de N.V. uitprints neer van de gegevens die dag per dag voor de heer K. werden genoteerd via haar tijdsregistratiesysteem en dit voor de jaren 2000, 2001 en 2002. (stuk 27)

De N.V. geeft zelf aan in beroepsconclusies dat in de derde kolom van deze uitprints de extra uren of overuren werden genoteerd die door de heer K. werden gepresteerd.

Dat de arbeidstijd die bekomen wordt door de prestaties geleverd boven de normtijd te verminderen met prestaties geleverd beneden de normtijd, zoals vermeld in bedoelde derde kolom, in de door het Hof aanvaarde hypothese dat de heer K. niet behoort tot de bij K.B. van 10 februari 1965 aangeduide personen met een leidende functie of bekleed met een vertrouwenspost, recht geeft op betaling van een loon a rato van 150% van een normaal uurloon, staat kennelijk niet ter discussie.

Dit stuk laat derhalve toe een becijfering te maken van de nog aan de heer K. verschuldigde (toeslag)lonen.

Zoals de N.V. geeft het Hof de voorkeur aan een becijfering op basis van dit stuk boven de door de heer K. neergelegde spreadsheet (stuk 16), stuk dat door de N.V. wordt gekwalificeerd als een eenzijdig stuk, waarvan de herkomst alleszins onduidelijk blijft en dat slechts uitermate summiere gegevens bevat.

Het Hof vindt in het dossier geen elementen die erop wijzen dat de neergelegde uitprints geen volledige weergave zouden bevatten van alle via het tijdsregistratiesysteem genoteerde en relevante gegevens, zodat niet moet worden ingegaan op het door de heer K. geformuleerde verzoek om andere stukken over te leggen.

Gelet op het voorgaande komt het gepast voor de debatten te heropenen teneinde partijen toe te laten een becijfering te maken van de nog aan de heer K. verschuldigde (toeslag)lonen op basis van de door de N.V.
als stuk 27 neergelegde uitprints.

OP DIE GRONDEN,
HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd.
Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en reeds gedeeltelijk gegrond.
Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk.
Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 18 december 2003 in zoverre het de vordering van de heer K. ontvankelijk verklaarde en uitspraak deed over de vordering in betaling van een eindejaarspremie vermeerderd met intresten.
Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 18 december 2003 in zoverre het de N.V.
veroordeelde tot betaling van een opzeggingsvergoeding van 45.664,50 EUR opzeggingsvergoeding vermeerderd met intresten en hervormend wat dit punt betreft, veroordeelt de N.V. tot betaling van een opzeggingsvergoeding van 40.812,89 EUR (veertigduizend achthonderd en twaalf euro negenentachtig cent), te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, het overeenstemmende netto gedeelte te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 13 september 2002 en de gerechtelijke intresten vanaf 3 januari 2003.
En alvorens verder te beslissen,
Beveelt de heropening van de debatten teneinde partijen toe te laten in conclusies een becijfering te maken van de nog aan de heer K. verschuldigde (toeslag)lonen op basis van de door de N.V. als stuk 27 neergelegde uitprints.
Stelt deze zaak voor verdere behandeling na de heropening der debatten op de openbare terechtzitting van deze kamer van 20 april 2005, om 11.00 uur, in zaal G, gelijkvloers.
Houdt de beslissing over de kosten aan.
Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend en vier

Noot:
Patrick, Humblet, Interne audit en ontslag om dringende reden: quis custodiet ipsos custodes? (publicatie onder deze uitspraak in het RW)

Rechtsleer:

• Buyssens, H., «Bewijs inzake arbeidsovereenkomstenrecht», in Actuele problemen van het arbeidsrecht, IV, Rigaux, M. (ed.), Antwerpen, Maklu, 1993, 229

• Delarue, R., «Bescherming van de privacy in de onderneming en de begrenzing van de patronale prerogatieven», Soc. Kron., 1992, 135;

• Humblet, P., De gezagsuitoefening door de werkgever, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1994, 269-270

• Dorssemont, J., «Arbeidshof tikt interne auditors op de vingers. Terecht of niet terecht?», The Institute of Internal Auditors Benelux, december 1995, 10-13

• Jamoulle, M. en Jadot, F., Licenciement et démission pour motif grave, Luik, Faculté de droit, 1977, 170 e.v.;

• Delooz, P. en Manette, R., «Le congé pour motif grave», in Chroniques de droit à l‘usage du Palais, Brussel, Story-Scientia, 1986, 150;

• Steyaert, J., De Ganck, C. en De Schrijver, L. Arbeidsovereenkomst in A.P.R., Brussel, Story-Scientia, 1990, nr. 831.2;

• Engels, C., «Ontslag wegens dringende reden», in A.T.O., Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, O 102 889).

• SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN 2006(00003,P.146-149)

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 27/12/2017 - 14:48
Laatst aangepast op: wo, 27/12/2017 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.