-A +A

Melkveebedrijf en daden van koophandel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 31/03/2004

Onder daden van koophandel verstaat de wet volgens art. 2, vierde lid W.Kh. alle verrichtingen van industriële ondernemingen, zelfs wanneer de ondernemer slechts de voortbrengselen van zijn eigen grond verwerkt en voor zover het geen verwerking betreft die normaal bij landbouwbedrijven behoort. Met de normaal bij de landbouwbedrijven behorende verwerking die niet als daad van koophandel kan worden aangemerkt, bedoelt art. 2, vierde lid W.Kh. de primaire verwerking door de exploitant zelf, van voortbrengselen van zijn eigen landbouwbedrijf.

Wie zich beperkt tot landbouwactiviteiten in de enge zin van het bewerken van de grond om de voortbrengselen ervan te verkopen, zonder verdere bewerking, is geen handelaar.

Wanneer daarentegen niet is vastgesteld dat het te fokken melkvee gevoederd wordt met voortbrengselen van het eigen landbouwbedrijf, is dan een daad van koophandel het hier op zich niet betwist voederen en verzorgen in het bedrijf van dat melkvee met het oog op de opbrengst van de melkproductie en de verkoop van dat gefokt melkvee zelf na de normale productieperiode.

Het is bij ontstentenis van andere concrete gegevens redelijkerwijze onaannemelijk dat het te fokken melkvee uitsluitend gevoederd zou worden met de gemelde voortbrengselen van het eigen landbouwbedrijf, nl. teelt van granen (met uitzondering van rijst), peulgewassen en oliehoudende zaden. Alleen al het geheel van deze specifieke omschrijvingen op zich bevestigt, bij ontstentenis van enig ander gegeven desbetreffende, dat terdege veevoeder dient te worden aangekocht buiten het bedrijf van P.D., dit met het oogmerk om het te fokken melkvee te voederen en vervolgens te verkopen.

Het aldus voederen, verzorgen en kweken van melkvee met het oog op de productie van dit vee maakt een economische activiteit uit die verder reikt dan een primaire verwerking van de producten van het landbouwbedrijf van de exploitant zelf.

Aangezien de gemengde inschrijving in de kruispuntbank van ondernemingen niet alleen «niet handelsonderneming naar privaatrecht» maar ook «handelsonderneming onderworpen aan btw» vermeldt, dient in de voormelde omstandigheden aldus te worden besloten dat de in 2012 in het bedrijf van P.D. opgerichte loods («melkveestal») terdege deel uitmaakt van diens handelsverbintenissen waarop dan ook de bewijsmiddelen van art. 25, tweede lid W.Kh. (factuurprotestplicht) van toepassing zijn.

Het beweerde gegeven dat in het landbouwmilieu weinig of niets schriftelijk gebeurt, voor zover aannemelijk en juist, kan evident geen afbreuk doen aan het bewijs van handelsverbintenissen. In die zin dient P.D. het afdoende bewijs te leveren van het beweerd tijdig protesteren van de kwestieuze factuur nr. 47/2014 000.175 van 24 oktober 2014 ten bedrage van 21.400,64 euro (BTWmc) voor «leveren en plaatsen melkveestal volgens afrekening 20120145 in bijlage».

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
743
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

P.D. t/ BVBA M.-C.

...

2. M.b.t. de bewering van P.D. dat hij als landbouwer geen factuurprotestplicht zou hebben in de zin van art. 25, tweede lid W.Kh.

De via de internet-site KBO Public Search publiekelijk consulteerbare ondernemingsgegevens vermelden voor P.D. met ondernemingsnummer (...) een dubbele / gemengde hoedanigheid, nl.:

– onderneming onderworpen aan btw sinds 1 oktober 1996;

– niet-handelsonderneming naar privaatrecht sinds 1 oktober 1996.

Tevens worden er de volgende btw-activiteiten NACEBEL-code versie 2008 vermeld:

– Btw 2008 01.11001.110 – teelt van granen (met uitzondering van rijst), peulgewassen en oliehoudende zaden sinds 1 januari 2008;

– Btw 2008 01/410 – fokken van melkvee sinds 1 januari 2008.

Dit alles wordt op zich niet ontkend of op enige wijze concreet betwist door P.D., noch het tegendeel wordt gestaafd.

Onder daden van koophandel verstaat de wet volgens art. 2, vierde lid W.Kh. alle verrichtingen van industriële ondernemingen, zelfs wanneer de ondernemer slechts de voortbrengselen van zijn eigen grond verwerkt en voor zover het geen verwerking betreft die normaal bij landbouwbedrijven behoort. Met de normaal bij de landbouwbedrijven behorende verwerking die niet als daad van koophandel kan worden aangemerkt, bedoelt art. 2, vierde lid W.Kh. de primaire verwerking door de exploitant zelf, van voortbrengselen van zijn eigen landbouwbedrijf.

Wie zich beperkt tot landbouwactiviteiten in de enge zin van het bewerken van de grond om de voortbrengselen ervan te verkopen, zonder verdere bewerking, is geen handelaar.

Wanneer daarentegen niet is vastgesteld dat het te fokken melkvee gevoederd wordt met voortbrengselen van het eigen landbouwbedrijf, is dan een daad van koophandel het hier op zich niet betwist voederen en verzorgen in het bedrijf van dat melkvee met het oog op de opbrengst van de melkproductie en de verkoop van dat gefokt melkvee zelf na de normale productieperiode.

Het is bij ontstentenis van andere concrete gegevens redelijkerwijze onaannemelijk dat het te fokken melkvee uitsluitend gevoederd zou worden met de gemelde voortbrengselen van het eigen landbouwbedrijf, nl. teelt van granen (met uitzondering van rijst), peulgewassen en oliehoudende zaden. Alleen al het geheel van deze specifieke omschrijvingen op zich bevestigt, bij ontstentenis van enig ander gegeven desbetreffende, dat terdege veevoeder dient te worden aangekocht buiten het bedrijf van P.D., dit met het oogmerk om het te fokken melkvee te voederen en vervolgens te verkopen.

Het aldus voederen, verzorgen en kweken van melkvee met het oog op de productie van dit vee maakt een economische activiteit uit die verder reikt dan een primaire verwerking van de producten van het landbouwbedrijf van de exploitant zelf.

Aangezien de gemengde inschrijving in de kruispuntbank van ondernemingen niet alleen «niet handelsonderneming naar privaatrecht» maar ook «handelsonderneming onderworpen aan btw» vermeldt, dient in de voormelde omstandigheden aldus te worden besloten dat de in 2012 in het bedrijf van P.D. opgerichte loods («melkveestal») terdege deel uitmaakt van diens handelsverbintenissen waarop dan ook de bewijsmiddelen van art. 25, tweede lid W.Kh. (factuurprotestplicht) van toepassing zijn.

Het beweerde gegeven dat in het landbouwmilieu weinig of niets schriftelijk gebeurt, voor zover aannemelijk en juist, kan evident geen afbreuk doen aan het bewijs van handelsverbintenissen. In die zin dient P.D. het afdoende bewijs te leveren van het beweerd tijdig protesteren van de kwestieuze factuur nr. 47/2014 000.175 van 24 oktober 2014 ten bedrage van 21.400,64 euro (BTWmc) voor «leveren en plaatsen melkveestal volgens afrekening 20120145 in bijlage».

P.D. bewijst niet de factuur tijdig te hebben geprotesteerd. De kopie van diens e-mail van 28 september 2015 aan de advocaat van BVBA M.-C. waarin hij heeft medegedeeld: «i.v.m. de zaak-M. kan ik die betaling nog niet uitvoeren omdat de opmerkingen nog niet zijn opgelost» levert niet dit bewijs. Het blijkt immers niet wanneer die opmerkingen zijn gemaakt.

Volgens het uit hetzelfde stuk blijkende antwoord van de advocaat van BVBA M.-C. op dezelfde dag, zouden aan diens kantoor telefonisch opmerkingen zijn medegedeeld na ontvangst van de aangetekende ingebrekestelling.

P.D. toont nergens aan eerder opmerkingen te hebben medegedeeld, laat staan de factuur te hebben geprotesteerd.

Een dergelijke mededeling op 28 september 2015 kan hoe dan ook niet als geldig protest worden beschouwd en is manifest laattijdig, omdat zij pas is gedaan elf maanden na de factuur van 24 oktober 2014 alsook na de herhaalde onbeantwoorde rappels van 23 maart 2015, 12 mei 2015 en 14 juli 2015 en aangetekende ingebrekestellingen van 21 augustus 2015 en 24 september 2015.

Daar de melkveestal voorbehoudloos in gebruik werd genomen in 2012 en onafgebroken protestloos werd gebruikt, terwijl niet werd gereageerd op aanmaningen en blijkbaar tevens diverse voorschotfacturen voorbehoudloos werden betaald, is er (zelfs als niet-handelaar) onmiskenbaar sprake van een aanvaarde factuur.

Dit alles klemt des te meer daar P.D. voor het bouwen van de melkveestal gebonden is door de conventioneel geldende «algemene voorwaarden BVBA M.-C.», zoals door hem aanvaard met de door hem getekende offerte van 24 april 2012, waarop deze voorwaarden staan vermeld en die door (protestloze) uitvoering en (voorbehoudloze) betaling geacht worden de overeenkomst tussen partijen uit te maken. Art. 24 bepaalt o.m. dat enkel geldig kan worden geklaagd bij aangetekende brief binnen acht kalenderdagen vanaf de factuurverzending.

Ook aan dit laatste kan P.D. niet zomaar ontkomen door te beweren dat het een betwisting in het landbouwmilieu betreft waar weinig of niets schriftelijk gebeurt, voor zover op zich aannemelijk en juist.

Het beroepen vonnis dient aldus te worden bevestigd in zoverre daarin wordt geoordeeld dat de factuur als aanvaard dient te worden beschouwd op basis van art. 25, tweede lid W.Kh. en waarin verder wordt bepaald dat de vordering in betaling van de factuursom, vermeerderd met de op handelsverbintenissen toepasselijke verwijlrente conform de wet van 2 augustus 2002 «betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties», kan worden ingewilligd.

3. M.b.t. de door P.D. betreffende het door hem niet betalen van de kwestieuze factuur nr. 47/2014 000.175 van 24 oktober 2014 ten bedrage van 21.400,64 euro (btw) bij e-mail van 28 september 2015 ingeroepen exceptie van niet-uitvoering:

Volgens de eigen uiteenzetting van P.D. werden door hem de aangeklaagde gebreken (afschilferen betonvloer) meteen na het polieren (december 2012) vastgesteld.

De veestal werd voorbehoudloos in gebruik genomen en vier facturen werden eveneens voorbehoudloos betaald.

Pas drie jaar later, na talrijke rappels en ingebrekestellingen wegens wanbetaling, heeft P.D. bij e-mail van 28 september 2015 het opschortingsrecht ingeroepen. Dit is manifest laattijdig en in strijd met de zelf eerder gestelde handelingen van ingebruikneming en betaling.

P.D. kan niet zonder enig eigen geldig en tijdig protesteren of enige eigen ingebrekestelling wegens wanprestaties, zich pas op het moment dat hij zelf wegens wanbetaling wordt aangesproken, beroepen op de exceptie van niet-uitvoering om zijn betalingsverbintenis op te schorten: door dergelijke onverzoekbare gedragingen heeft P.D. zijn recht op de exceptie verwerkt.

Dit klemt overigens des te meer daar in art. 16 van de door P.D. aanvaarde en aldus conventioneel geldende «algemene voorwaarden BVBA M.-C.» zelfs uitdrukkelijk wordt afgezien van het recht op opschorting van de betalingsverbintenis om reden van werken of leveringen die onvolledig, gebrekkig of laattijdig zouden zijn.

Ook dit onderdeel faalt aldus.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 01/01/2018 - 16:40
Laatst aangepast op: ma, 01/01/2018 - 16:40

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.