-A +A

Meineed of valse eed vereist gewoon opzet dit is dat de beklaagde wetens en willens bepaalde gegevens heeft verzwegen die hadden moeten worden gemeld. Geen bijzonder oogmerk wordt voor strafbaarheid vereist.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 24/09/2008
A.R.: 
206 P 2008

1. Het misdrijf van valse eed bij een boedelbeschrijving is een aflopend misdrijf dat zich voltrekt op het ogenblik en de plaats waar de eed wordt afgelegd. De omstandigheid dat de verrichtingen van de boedelbeschrijving op verschillende data en plaatsen plaatsgrijpen en derhalve ook de betwiste verklaringen op verschillende data en plaatsen werden afgelegd belet niet dat het misdrijf ontstaat op de plaats en de datum van de eedaflegging.

2. De bij een boedelbeschrijving afgelegde eed zal slechts vals zijn indien de boedelbeschrijving verkeerde gegevens bevat of bepaalde vermeldingen niet bevat of met andere woorden indien de boedelbeschrijving niet correct is.

3. Elke inhoudelijke onjuistheid in de boedelbeschrijving die een invloed heeft of kan hebben op de weergave van de boedel kan leiden tot het door artikel 226, tweede lid van het Strafwetboek bedoelde misdrijf. De boedelbeschrijving heeft tot doel de omvang van de boedel vast te stellen. Van de partijen wordt verwacht dat zij op actieve wijze meewerken aan de getrouwheid van de boedelbeschrijving. Zij moeten alle relevante gegevens vermelden ook als de notaris daaromtrent geen of slechts beperkte vragen stelt. Ook omtrent goederen waarvan het eigendomsstatuut betwist is (al dan niet gemeenschappelijk vermogen) moeten verklaringen worden afgelegd.

4. Er kan meineed zijn doordat een partij nalaat aan te geven waar zich op het tijdstip van de verrichtingen bepaalde goederen of gelden bevinden en of nalaat te verduidelijken door welke (rechts)handeling ze de boedel verlieten en zo de betrouwbaarheid van de boedelbeschrijving wordt aangetast.

5. Het misdrijf van valse eed bij een boedelbeschrijving vereist slechts een gewoon opzet. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de beklaagde wetens en willens bepaalde gegevens heeft verzwegen die hadden moeten worden gemeld. Geen bijzonder oogmerk wordt voor strafbaarheid vereist.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Het Hof van Beroep te Antwerpen - 9de kamer - heeft het volgende arrest uitgesproken:

(...)

BEKLAAGD VAN :

Te H. op 12 september 2006,

A/

Geen openbaar officier of ambtenaar zijnde, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, valsheid in authentieke of openbare geschriften te hebben gepleegd,hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk te hebben opgemaakt of door ze achteraf in de akten in te voegen, hertzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen en vast te stellen, namelijk door in een notarile akte boedelbeschrijving verleden voor notaris van S. te H. dd.12 september 2006, te hebben verklaard in de boedelbeschrijving datgene te hebben doen opnemen dat bij haar weten kan afhangen van de huwgemeenschap en niets te hebben verduisterd en van zulkdanige verduistering geen kennis te dragen, terwijl blijkens navolgend pv. 003.063/07

de juwelen (een gouden polshorloge voor dame met parelmoeren wijzerplaat, een gouden halsketting, een gouden armband

en een gouden armband onderbroken door drie gouden kettinkjes) alsmede uittreksels uit de sub A voormelde effecten-en pensioenspaarrekening teruggevonden werden in de woning van beklaagde en het beeld "royal duc" vernield was, teneinde deze goederen te onttrekken aan de vereffeningverdeling.

Overwegende dat in hoofde van verdachte inzake de tenlastelegging A verzachtende omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen, namelijk de afwezigheid van vroegere criminele veroordelingen, reden waarom mijn ambt van oordeel is dat er geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf.

B/

Bij een verzegeling of een boedelbeschrijving opgemaakt op 12 september 2006 door notaris F. G.A. van S. te H., een valse eed te hebben afgelegd, namelijk door te verzwijgen in het bezit te zijn (geweest) c.q. titularis te zijn van:

een beeld "royal duc" met als titel "retour de chasse".
een gouden polshorloge voor dame met parelmoeren wijzerplaat.
een gouden halsketting.
een gouden armband.
een gouden armband onderbroken door drie gouden kettinkjes.
een KBC-effectenrekening met nummer ...-.......-...
een pensioenspaarrekening Pricos met nummer ...-.......-...

(...)

5. De gegrondheid van de strafvordering

5.1. M.b t. de tenlastelegging B

i) Het misdrijf van valse eed bij een boedelbeschrijving is een aflopend misdrijf dat zich voltrekt op het ogenblik en de plaats waar de eed wordt afgelegd. De omstandigheid dat de verrichtingen van de boedelbeschrijving op verschillende data en plaatsen plaatsgrijpen en derhalve ook de betwiste verklaringen op verschillende data en plaatsen werden afgelegd belet niet dat het misdrijf ontstaat op de plaats en de datum van de eedaflegging, namelijk te H. op 12 september 2006, zoals voorzien in de dagvaarding.

ii) Aan de beklaagde wordt verweten dat zij een valse eed heeft afgelegd in de zin van artikel 226, tweede lid van het Strafwetboek door te hebben verzwegen in het bezit geweest (te zijn) of titularis van 1) een beeld "royal duc" met als titel "retour de chasse" ; 2) een gouden polshorloge voor dame met parelmoeren wijzerplaat, een gouden halsketting, een gouden armband en een gouden armband onderbroken door drie gouden kettinkjes, 3) een KBC-effectenrekening met nummer ... en een pensioenspaarrekening PRICOS met nummer ....

iii) De bij een boedelbeschrijving afgelegde eed zal slechts vals zijn indien de boedelbeschrijving verkeerde gegevens bevat of bepaalde vermeldingen niet bevat of met andere woorden indien de boedelbeschrijving niet correct is. Elke inhoudelijke onjuistheid in de boedelbeschrijving die een invloed heeft of kan hebben op de weergave van de boedel kan leiden tot het door artikel 226, tweede lid van het Strafwetboek bedoelde misdrijf. De boedelbeschrijving heeft tot doel de omvang van de boedel (hier ingevolge een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout d.d. 15 december 2005 de gemeenschapsgoederen van de partijen en of de goederen welke partijen in onverdeeldheid hebben) vast te stellen. Van de partijen wordt verwacht dat zij op actieve wijze meewerken aan de getrouwheid van de boedelbeschrijving. Zij moeten alle relevante gegevens vermelden ook als de notaris daaromtrent geen of slechts beperkte vragen stelt. Ook omtrent goederen waarvan het eigendomsstatuut betwist is (al dan niet gemeenschappelijk vermogen) moeten verklaringen worden afgelegd. Er kan verder ook meineed zijn doordat een partij nalaat aan te geven waar zich op het tijdstip van de verrichtingen bepaalde goederen of gelden bevinden en of nalaat te verduidelijken door welke (rechts)handeling ze de boedel verlieten en zo de betrouwbaarheid van de boedelbeschrijving wordt aangetast.

iv) Het misdrijf van valse eed bij een boedelbeschrijving vereist slechts een gewoon opzet. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de beklaagde wetens en willens bepaalde gegevens heeft verzwegen die hadden moeten worden gemeld. Geen bijzonder oogmerk wordt voor strafbaarheid vereist.

v) Anders dan de eerste rechter en spijts de argumentatie van de beklaagde is het Hof van oordeel dat de beklaagde zich wel schuldig heeft gemaakt aan de feiten der tenlastelegging B.

vi/1) De burgerlijke partij verklaarde bij de inventarisverrichtingen d.d. 12 september 2006 m.b.t. het beeld "royal duc" met als titel "retour de chasse" dat dit beeld niet kon worden teruggevonden tijdens de inventarisatie in de woning te ... (st. 10). De beklaagde heeft blijkens de door de notarissen opgestelde akten daaromtrent niets verklaard. De stelling van de beklaagde dat zij tijdens de inventariswerkzaamheden zou hebben herhaald dat het beeld stuk was (p. 4 beroepsbesluiten, punt 2.3.1.) is strijdig met de inhoud van de niet van valsheid betichte notariële akten van boedelbeschrijving.

vi/2) De burgerlijke partij hield in het klachtschrijven aan de procureur des Konings d.d. 28 december 2006 voor dat dit beeld een aanzienlijke waarde had (st. 22). Aan de politie verklaarde de burgerlijke partij dat hij uit de gemeenschappelijke woning enkel dit beeld wilde en dat de beklaagde bij notaris M. had verklaard dat zij liever het beeld stuk gooide dan dat hij het zou verkrijgen (st. 30).

vi/3) Aan de politie verklaarde de beklaagde op 19 april 2007 (st. 28) dat zij het beeld in oktober 2005 bij het afkuisen per ongeluk had laten vallen (st. 28).

vi/4) Er kan naar het oordeel van dit Hof geen betwisting over bestaan dat de beklaagde op 12 september 2006 omtrent dit beeld - dat behoorde tot de huwgemeenschap - wel degelijk een verklaring kon afleggen. Zij verkoos er echter voor - niettegenstaande de burgerlijke partij uitdrukkelijk het ontbreken van dit beeld had aangekaart - het stilzwijgen te bewaren. Een dergelijke verzwijging omtrent een beeld waarvan wordt voorgehouden dat het een aanzienlijke waarde heeft, kan in die omstandigheden enkel opzettelijk zijn gebeurd. De schuld van de beklaagde staat dan ook wat betreft dit onderdeel van de tenlastelegging vast.

vii/1) De burgerlijke partij verklaarde bij de inventarisverrichtingen d.d. 12 september 2006 m.b.t. "de vrouwelijke juwelen bestaande uit een gouden polshorloge, een gouden halsketting en twee gouden armbanden voor een totale aanschafwaarde van ongeveer zesduizend tweehonderd euro" dat deze goederen niet konden worden teruggevonden tijdens de inventarisatie in de woning te ... (st. 10). De beklaagde heeft blijkens de door de notarissen opgestelde akten daaromtrent niets verklaard.

vii/2) De beklaagde vertoonde op 19 april 2007 aan de politie ter gelegenheid van een verhoor en een huiszoeking met toestemming onmiddellijk deze juwelen (st. 28). Op 19 juni 2007 verklaarde de beklaagde aan de politie dat deze juwelen bij de inventarisverrichtingen in haar woning wel degelijk aanwezig waren, maar dat er niet naar werd gevraagd door de notaris, de burgerlijke partij of de raadslieden en dat zij er ook niet aan had gedacht door de gehele heisa. Zij zou bij de verrichtingen op 12 september 2006 aan de notaris wel melding hebben gemaakt van deze juwelen maar zij wist niet hoe het kwam dat haar verklaringen toen niet werden geacteerd (st. 37-38).

vii/3) Het is niet geloofwaardig dat de beklaagde op 12 september 2006 tegenover de notaris zou hebben verklaard dat de juwelen waarvan de burgerlijke partij het ontbreken had opgemerkt - inderdaad in haar bezit waren en dat die verklaring niet zou zijn geacteerd. Een dergelijk verweer (beroepsbesluiten, p. 3) strijdt niet alleen met de bewijswaarde van de notariële akte d.d. 12 september 2006 als authentieke akte die geldt tot inschrijving wegens valsheid maar ook met de vaststelling dat de verklaring van de burgerlijke partij omtrent het ontbreken van de juwelen uitdrukkelijk in die akte werd opgenomen en de beklaagde de akte na voorlezing en toelichting en na eedaflegging (st. 9) heeft ondertekend zonder ter zake enige opmerking te maken. Het is ondenkbaar dat de beklaagde, indien haar versie met de waarheid zou overeenstemmen, de akte d.d. 12 september 2006 zou hebben ondertekend zonder de notaris erop te wijzen dat haar verklaring i.v.m. de juwelen niet was opgenomen, te meer zij ter gelegenheid van die verrichtingen werd bijgestaan door een raadsman.

vii/4) De in besluiten ontwikkelde uitleg van de beklaagde dat zij die juwelen niet diende aan te geven omdat het bij toepassing van artikel 1401, 1° van het Burgerlijk Wetboek zou gaan om voorwerpen voor persoonlijk gebruik, kan het Hof niet overtuigen. Vooreerst vergist de beklaagde zich als in beroepsbesluiten (p. 2, punt 2.1.1.) wordt voorgehouden dat artikel 1401, 1° van het Burgerlijk Wetboek expliciet zou stellen dat kledij en juwelen eigen goederen zijn. Artikel 1401, 1° heeft het immers enkel over kledij en voorwerpen voor persoonlijk gebruik zonder uitdrukkelijk melding te maken van juwelen. De voormelde uitleg is verder ook niet te verenigen met de (overigens niet geloofwaardige) politionele verklaringen van de beklaagde waarin werd aangegeven dat zij op 12 september 2006 wel melding had gemaakt van deze goederen aan de notaris. Bovendien kan de argumentatie ook inhoudelijk niet worden bijgetreden: indien er omtrent het statuut van de goederen - gemeenschappelijk of eigen betwisting bestaat moeten deze - teneinde tot een getrouwe inventaris te komen - wel degelijk worden vermeld bij de inventarisverrichtingen.

Uit het gegeven dat de burgerlijke partij bij de inventarisverrichtingen uitdrukkelijk melding heeft gemaakt van het ontbreken van deze juwelen blijkt duidelijk dat deze goederen in zijn opvatting gemeenschappelijk waren en bijgevolg wist de beklaagde dat het door haar voorgehouden gemeenschappelijk statuut werd betwist. Ten slotte moet het Hof vaststellen dat de beklaagde op 12 september 2006 tegenover de notaris zelf verklaarde dat de burgerlijke partij twee gouden halskettingen had meegenomen (st. 9), wat de conclusie wettigt dat zij van oordeel was dat deze halskettingen - juwelen zijnde - als gemeenschappelijke goederen dienden te worden vermeld bij de inventarisverrichtingen.

vii/5) Het staat bijgevolg voor het Hof vast dat de beklaagde bewust met kennis van zaken - geen melding heeft gemaakt van de juwelen vermeld onder de tenlastelegging B. Niet relevant is dat de beklaagde de juwelen nooit zou hebben verstopt, verzwegen of ontkend dat ze er waren of dat de burgerlijke partij handig gebruik zou hebben gemaakt van het feit dat een inventaris altijd onvolledigheden vertoont (beroepsbesluiten beklaagde, p. 3) : relevant en bepalend is wel dat de beklaagde bij de boedelbeschrijving op de opmerking van de burgerlijke partij dat de juwelen ontbraken bewust het stilzwijgen heeft bewaard. Gelet op dit oordeel gaat het Hof niet in op de door partijen ontwikkelde argumentatie omtrent het beweerd karakter van de juwelen als belegging en dus als een gemeenschappelijk goed.

viii/1) De beklaagde verklaarde bij de inventarisverrichtingen d.d. 12 september 2006 dat er een zichtrekening nummer ... op haar naam bestond evenals een effecten rekening nummer ... op haar naam maar eigendom zijnde van de gemeenschappelijke kinderen. Zij maakte geen melding van een andere effecten rekening of van een pensioenspaarrekening.

viii/2) Door de burgerlijke partij werd in het klachtschrijven aan de procureur des Konings d.d. 28 december 2006 voorgehouden dat door de beklaagde geen opgave werd gedaan van de KBC-effecten rekening ... en evenmin van de pensioenspaarrekening PRICOS (st. 21).

viii/3) Aan de politie toonde de beklaagde op 19 april 2007 uittreksels van de PRICOS-pensioenrekening met nummer ... en de KBC-effectenrekening met nummer ... (st. 28). Uit uittreksels (st. 23) blijkt dat de pensioenrekening was geopend op naam van de beklaagde en de effecten rekening op naam van "M. M.".

viii/4) Uit een door de burgerlijke partij voorgebrachte verklaring van de KBC Bank (st. 2 beroepsbundel burgerlijke partij) blijkt dat de effectenrekening ... op naam van partijen op 8 november 2005 werd vereffend nadat de inhoud ervan op 14 april 2005 was overgeschreven naar de effectenrekening ... op naam van de beklaagde.

viii/5) De uitleg van de beklaagde - zoals verstrekt in haar politionele verklaring d.d. 19 juni 2007 (st. 38) en herhaald in besluiten (beroepsbesluiten, p. 4) - dat zij van deze rekeningen geen melding had gemaakt bij de verrichtingen d.d. 12 september 2006 omdat de bankbediende met wie zij op die datum contact had gehad haar slechts twee rekeningen zou hebben opgegeven, kan het Hof niet overtuigen. Het is niet geloofwaardig dat een partij die weet dat zij bij de inventarisverrichtingen moet melding maken van alle gemeenschappelijke activa niet zou weten welke rekeningen zij bij een financiële instelling aanhield of had aangehouden. Het Hof acht het dan ook volstrekt niet aannemelijk dat de beklaagde bij de boedelbeschrijving niet zou geweten hebben dat zij (mede)titularis was of geweest was van vier rekeningen (een zichtrekening, twee effectenrekeningen en een pensioenrekening) en niet van slechts twee zoals verklaard bij de inventarisatie. De door de beklaagde voorgebrachte schriftelijke verklaring van de bankbediende kan het Hof niet tot een ander oordeel brengen. Uit de politionele verklaring van de beklaagde ("Het klopt dat M. M. tijdens de aanvullende boedelbeschrijving, helemaal op het einde, nog opgemerkt heeft dat ik nog over een effectenrekening op mijn naam beschikte die nog niet was opgegeven. Ik heb daar toen niet meer op gereageerd. M. was mij aan het uitlachen geweest omdat ik naar de bank had moeten bellen en ik was hierdoor gepiqueerd. Volgens mij heeft de notaris daar ook niets meer over gevraagd') blijkt overigens dat zij bij het verlijden van de akte d.d. 12 september 2006 wel degelijk wist dat zij houder was (geweest) van een (tweede) effectenrekening maar bewust geen melding heeft gemaakt van die rekening. De (vermeende) omstandigheid dat de notaris daar niets over zou hebben gevraagd ontsloeg de beklaagde niet van de verplichting om van die rekening en haar bestemming melding te maken.

viii/6) Wat specifiek de pensioenspaarrekening betreft moet het Hof opmerken dat de stelling van de beklaagde dat het niet om een gemeenschappelijk goed ging (beroepsbesluiten, p. 3) haar niet ontsloeg van de verplichting om er melding van te maken. De burgerlijke partij ging er immers vanuit dat het een gemeenschappelijk goed betrof want hij maakte zelf melding van de op zijn naam geopende pensioenspaarrekening ... (st. 10) zodat de beklaagde wist dat haar stelling i.v.m. het beweerd eigen karakter van deze rekening werd betwist.

ix) De bewering van de beklaagde dat de klacht van de burgerlijke partij er kwam nadat hij was veroordeeld tot de betaling van onderhoudsgeld en nadat zij (de beklaagde) zich had gewend tot de beslagrechter (beroepsbesluiten, p. 2) kan niets afdoen aan de vaststelling door het Hof dat de beklaagde de feiten zoals omschreven onder de tenlastelegging B heeft gepleegd.

(...)
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 29/06/2016 - 14:34
Laatst aangepast op: wo, 29/06/2016 - 14:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.