-A +A

Meerwaarde bij verkoop onroerend goed soms integraal belastbaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 21/11/2013

Diverse inkomsten zijn, onverminderd het bepaalde in 8°, 9° en 10°, winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privé­vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen.”

Wanneer zowel de aankoop als de verkoop van een onroerend goed geen normale verrichtingen van beheer van een privévermogen zijn, is de bij de verkoop gerealiseerde meerwaarde het resultaat van die abnormale verrichtingen en integraal belastbaar op grond van artikel 90, 1° WIB 1992, verminderd met de kosten bedoeld in artikel 97 WIB 1992.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/10
Pagina: 
656
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Belgische Staat / P. en M.)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 november 2011.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1. De verweerders voeren aan dat het cassatieberoep onontvankelijk is, vermits het niet de naam vermeldt van degene die het cassatieberoep heeft ondertekend.

2. Het cassatieberoep vermeldt de functie van de bevoegde ambtenaar, de gewestelijk directeur der directe belastingen te Hasselt, en het feit dat hij optreedt namens de Belgische Staat en bevat de aanduiding dat deze ambtenaar het cassatieberoep effectief heeft ondertekend.

3. De handtekening op het verzoekschrift wordt tot bewijs van het tegendeel geacht die te zijn van de daarop vermelde handelende ambtenaar.


Conclusie openbaar ministerie:

Conclusie van advocaat-generaal Dirk Thijs

1. In voorliggende zaak dient Uw Hof zich uit te spreken over de vraag of de meerwaarde (149.334,19 EUR) die verweerders in het jaar 2004 hadden gerealiseerd ten gevolge van de verkoop van een gebouwencomplex dat zij in het jaar 1999 hadden aangekocht, volledig belastbaar is krachtens artikel 90, 1° WIB 1992.

(…)

4. In het enig middel tot cassatie voert de eiser de schending aan van artikel 90, 1° WIB 1992, zoals toepasselijk voor het aanslagjaar 2005.

Het bestreden arrest zou volgens de eiser voormeld artikel hebben geschonden in de mate dat het heeft geoordeeld dat niet de meerwaarde die wordt gerealiseerd in het kader van een verkoop die buiten de limieten valt van het beheer van een privé­vermogen belastbaar is, maar enkel de winst of baten die dergelijke verrichting met zich mee brengt, hoewel het arrest oordeelde dat de aankoop van het goed evenmin kon worden beschouwd als het normale beheer van een privévermogen.

Wanneer zowel de aankoop als de verkoop van het kwestieuze onroerend goed niet binnen het normale beheer van een privévermogen valt, is de gehele verhoging van de intrinsieke waarde volgens de eiser toe te schrijven aan die verrichting en mitsdien belastbaar als winst of baat van die verrichting krachtens artikel 90, 1° WIB 1992.

De volledige netto winst of baat, zijnde het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs, rekening houdend met de daaraan verbonden kosten beoogd in artikel 97 WIB 1992, is volgens de eiser dan als divers inkomen belastbaar krachtens artikel 90, 1° WIB 1992. Immers, wanneer zowel de aankoop als de verkoop buiten het normale beheer van het privévermogen vallen, is er volgens de eiser geen sprake meer van enerzijds een meerwaarde die deels intrinsiek zou zijn aan het goed en buiten de verrichtingen van de belastingplichtige is tot stand gekomen en anderzijds een meerwaarde die wel zou toe te schrijven zijn aan de verrichtingen van de belastingplichtige.

De eiser verwijst naar de rechtspraak van Uw Hof met betrekking tot de meerwaarde die tot stand komt bij een verkoop die buiten de grenzen van het beheer van het privévermogen valt. In een arrest van 30 november 2006 oordeelde Uw Hof dat artikel 90, 1° WIB 1992 niet de meerwaarde, die bij zulke verkoop tot stand komt, belast, maar enkel de winst of baten uit dergelijke verrichting (Cass. 30 november 2006, AR F.05.0066.F, Arr.Cass.2006, nr. 614).

In een arrest van 6 november 2009 werd in dezelfde zin beslist (Cass. 6 november 2009, AR F.08.0059.F, arrest niet gepubliceerd).

De eiser voert aan dat deze rechtspraak tot gevolg heeft dat het niet volstaat om het verschil tussen de aankoop- of beleggingswaarde en de verkoopwaarde van de betrokken goederen te belasten. De waardestijging van de goederen kan evengoed voortkomen uit het normale beheer van het privévermogen. De som die voor de goederen ook zonder abnormale verrichting kon worden bekomen, is niet belastbaar krachtens artikel 90, 1° WIB 1992, waardoor bij de vaststelling van de belastbare grondslag de verkregen prijs moet worden verminderd met die som.

De eiser wijst erop dat dit ertoe leidt dat de administratie een oorzakelijk verband dient aan te tonen tussen de gerealiseerde winst of baat en de verrichting die het normale beheer van het vermogen te buiten gaat, opdat deze winst of baat belastbaar zou zijn krachtens artikel 90, 1° WIB 1992.

De eiser benadrukt dat beide arresten betrekking hebben op het bedrag van de belastbare winst in geval van een verkoop van aandelen buiten het normale beheer van privévermogen, en dat een onderscheid moet worden gemaakt met de hypothese van de speculatieve aankoop met het oog op latere verkoop. De eiser verwijst naar het arrest van 6 mei 2011 van Uw Hof, waarin Uw Hof besliste dat wanneer aandelen worden verworven met speculatief inzicht, de volledige opbrengst van die aandelen het resultaat van die speculatie is en als dusdanig integraal belastbaar is op grond van artikel 90, 1° WIB 1992, verminderd met de kosten bedoeld in artikel 97 WIB 1992 (Cass. 6 mei 2011, AR F.10.0050.N, Arr.Cass.2011, nr. 307).

5. In hun memorie van antwoord merken de verweerders op dat zij het kwestieuze onroerend goed hebben aangekocht in 1999 en hebben verkocht in 2004, en dat de intrinsieke waarde van het goed tussen beide data zeker zal gestegen zijn.

Zij menen dat deze situatie verschilt met de feiten die aan de grondslag liggen van de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van Uw Hof van 6 mei 2011 (de aankoop van aandelen louter met speculatief inzicht).

Volgens de verweerders is de volledige winst toe te wijzen aan de verrichting van verkoop indien aan- en verkoop met elkaar verweven zijn in één opgezette constructie. Dit is volgens hen het geval wanneer men aankoopt met het oog op de verkoop.

Volgens de verweerders was op het moment van de aankoop geen speculatief inzicht aanwezig, en ook het hof van beroep heeft zulk inzicht niet vastgesteld, maar enkel geoordeeld dat het geheel van aan- en verkoop niet kan worden beschouwd als het normale beheer van privévermogen.

Vermits geen speculatief inzicht op het moment van de aankoop aanwezig was, dient de rechtsvraag volgens de verweerders te worden beantwoord in het licht van de hoger geciteerde arresten van Uw Hof van 30 november 2006 en 6 november 2009, zodat enkel het deel van de meerwaarde dat voortvloeit uit de verrichting zelf en niet het deel dat het gevolg is van de stijging van de intrinsieke waarde belastbaar is onder artikel 90, 1° WIB 1992. Het hof van beroep besliste volgens de verweerders dan ook terecht dat er geen winst voorlag die uit de verrichting zelf voortvloeide aangezien de administratie op geen enkel ogenblik heeft aangevoerd of aangetoond dat het onroerend goed werd verkocht aan een prijs die niet marktconform is en niet overeenstemt met de werkelijke waarde ervan.

6. Artikel 90, 1° WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2005, luidt als volgt:

“Diverse inkomsten zijn:

1° onverminderd het bepaalde in 8°, 9° en 10°, winsten of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daarin niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen (…).”

Vóór 1962 konden meerwaarden op goederen slechts worden belast voor zover zij werden aangewend voor een beroepsbezigheid. Meerwaarden die werden gerealiseerd door het loutere beheer van het privévermogen ontsnapten aan iedere belastingheffing. Opdat een meerwaarde kon worden belast, diende te worden aangetoond dat zij het resultaat was van een geheel van handelingen die genoegzaam veelvuldig en onderling verbonden zijn om een voortdurende en gewone beroepsbezigheid uit te maken (Cass. 15 januari 1963, Pas.1963, 568; Cass. 23 maart 1965, Pas.1965, 779; Cass. 23 april 1968, Pas.1968, 1005 en JDF 1961, 5; Cass. 24 september 1968, Pas.1969, 100; Cass. 6 mei 1969, Pas.1969, 803). De afdoende frequentie van de verrichtingen was - en is - een conditio sine qua non om de opbrengsten die eruit voortvloeien als beroepsinkomsten te kunnen belasten (L. Kell, “De belastbaarheid van meerwaarden op aandelen in de personenbelasting”, TFR 2005, p. 630, nr. 4).

Met de wet van 20 november 1962 trad de wetgever op en voerde hij de bepaling in die men in artikel 90, 1° WIB 1992 terugvindt. Hij achtte het immers onlogisch dat bijzonder lucratieve operaties aan de belasting ontsnapten om de enkele reden dat zij zich slechts één keer voordeden. Inkomsten uit operaties die een bezigheid vormden zouden belastbaar blijven als beroepsinkomsten uit een winstgevende bezigheid, terwijl inkomsten uit operaties die geen bezigheid uitmaakten voortaan zouden worden belast op basis van de nieuwe bepaling (Parl.St. Kamer 1961-62, verslag Parisis en Detiège, 264/42, 103-105).

7. Artikel 90, 1° WIB 1992 heeft een zeer ruime strekking en treft alle inkomsten die buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid worden verkregen en voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden. Enkel de inkomsten die voortkomen uit de normale verrichtingen van beheer van een privévermogen, bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen, worden uitdrukkelijk uit het toepassingsgebied van artikel 90, 1° WIB 1992 gesloten.

Artikel 90, 1° WIB 1992 is van toepassing op meerwaarden die voortvloeien uit speculatieve verrichtingen. In een arrest van 6 mei 1988 oordeelde Uw Hof dat speculatie onder meer bestaat in het kopen van goederen met het risico van verlies, maar met de verwachting om winst te maken bij de stijging van de marktprijs (Cass. 6 mei 1988, AR F.1525.N, Arr.Cass.1987-88, nr. 557, Pas.1988, nr. 557; zie ook Cass. 18 mei 1977, Pas.1977, I, 957, Bull.Bel., afl. 572, 607 en A. Tiberghien, Handboek voor Fiscaal Recht 2012-2013, Mechelen, Kluwer, 2012, 277). Het speculatief karakter van een verrichting moet worden afgeleid uit een geheel van elementen en niet uit het eenvoudige feit van gerealiseerde winsten (Cass. 17 januari 1975, Pas.1975, 508, Arr.Cass.1975, 549).

Niettemin is het toepassingsgebied van artikel 90, 1° WIB 1992 niet beperkt tot de meerwaarden die uit speculatieve verrichtingen voortvloeien. Het gebrek aan speculatieve intenties belet niet dat er belastbaarheid is als diverse inkomsten, vermits er sprake kan zijn van een niet-speculatieve verrichting die valt buiten het normale beheer van een privévermogen (zie bv. Brussel 31 januari 2007, FJF 2007, 599; E. Smets, “Recente ontwikkelingen inzake de problematiek van de interne privémeerwaarden”, Fiscaal praktijkboek 2008-2009. Directe belastingen, Mechelen, Kluwer, 2008, 294).

Verrichtingen kunnen slechts kaderen in het normale beheer van een in artikel 90, 1° WIB 1992 bedoeld privévermogen wanneer aan twee voorwaarden is voldaan: (i) de verrichtingen hebben betrekking op onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen, d.w.z. op de in de wet bepaalde goederen die normaal van een privévermogen deel uitmaken en (ii) de verrichtingen zijn handelingen die een goede huisvader gewoonlijk stelt om dit vermogen te doen aangroeien of te behouden (Com.IB 1992, nr. 90/5.2; L. Kell, “Artikel 90, 1° WIB 1992: verkoop tegen marktconforme prijs” (noot onder Antwerpen 22 november 2011), TFR 2012, p. 389, nr. 2).

8. Over de interpretatie van artikel 90, 1° WIB 1992, en meer bepaald over de draagwijdte van de begrippen “winst of baten” die “voortkomen” uit enige prestatie, verrichting of speculatie, sprak Uw Hof zich uit in een arrest van 30 november 2006.

Hoewel dit arrest betrekking heeft op een verkoop van aandelen, geldt het standpunt van Uw Hof ook voor het bepalen van de belastbare meerwaarde bij de verkoop van onroerende goederen die de grenzen van het normale beheer van een privévermogen overschrijdt.

In dat arrest oordeelde Uw Hof dat artikel 90, 1° WIB 1992 niet de volledige meerwaarde belast die tot stand komt bij de verkoop buiten de grenzen van het beheer van het privévermogen, maar enkel de winsten of baten voortvloeiend uit een in die bepaling bedoelde verrichting (Cass. 30 november 2006, AR F.05.0066.F, Pas.2006, nr. 614, Arr.Cass.2006, nr. 614, Fisc.Act.2006, 43/5, FJF 2007, 342, JDF 2007, 162, RGCF 2007, 40, TFR 2007, 189, noot L. Kell).

De abnormale prestatie, verrichting of speculatie is het belastbare feit, zodat de meerwaarde slechts belastbaar is in de mate dat zij met de abnormale prestatie, verrichting of speculatie een oorzakelijk verband vertoont. In zoverre de meerwaarde daarentegen het gevolg is van een normaal beheer van het privé-vermogen, is deze op grond van artikel 90, 1° WIB 1992 niet belastbaar (zie o.m. T. Afschrift, “Le mode de calcul du bénéfice imposable à titre de revenus divers en cas de cession d'actif comportant une plus-value” (noot onder Cass. 30 november 2006), RGCF 2007, p. 46, nr. 7).

Aangezien artikel 90, 1° WIB 1992 uitsluitend de winst of de baten viseert die voortkomen uit een abnormale verrichting, kunnen waardestijgingen die reeds bestonden vóór die verrichtingen niet worden belast (L. Kell, “Een letterlijke toepassing van artikel 90, 1° WIB 1992”, TFR 2007, p. 194, nr. 3).

Advocaat-generaal Henkes stelde in zijn conclusie bij dat arrest het volgende omtrent de draagwijdte van artikel 90, 1° WIB 1992 (Pas.2006, p. 2519 et seq.):

“(…) Au vu des articles 90, 1° et 97 CIR 1992 en cause, des travaux préparatoires y relatifs, et l'économie du régime fiscal relatif à cette imposition particulière d'un revenu qui n'est ni professionnel ni le résultat d'opérations de gestion normale d'un patrimoine privé constitué de biens immobiliers, valeurs de portefeuille et objets mobiliers (ce résultat n'étant, de par la loi, pas non plus un 'revenu divers'), ce qui est visé, en qualité de revenus divers', c'est les bénéfices' ou profits' qui résultent', soit donc qui sont le résultat positif, de l'opération hors gestion normale du patrimoine privé.”

Vrije vertaling:

“(…) Overeenkomstig de artikelen 90, 1° en 97 WIB 1992, de voorbereidende werken die daarop betrekking hebben, en de doelstelling van het fiscale regime van deze bijzondere belasting van een inkomen dat noch beroepsmatig is, noch het resultaat is van een normaal beheer van privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende goederen (hetgeen overeenkomstig de wet geen 'divers inkomen' uitmaakt), worden als 'divers' inkomen aangemerkt, de winsten' of baten' die voortkomen', die bijgevolg het positieve resultaat zijn, van de operatie buiten het normale beheer van privé-vermogen.”

9. De oplossing van het arrest van Uw Hof van 30 november 2006 werd voordien reeds in de doctrine verdedigd (M. Baltus, “La base imposable des cotisations établies sur le résultat d'opérations non spéculatives mais sortant du cadre de la gestion normale du patrimoine privé”, JDF 2004, (198) 201-203).

Het arrest van Uw Hof van 30 november 2006 kreeg navolging in de rechtspraak (Brussel 31 januari 2007, FJF, No. 2007/188; Brussel 13 september 2007, Fisc.Act.2007, afl. 38, 5, RABG 2008, 543; Brussel 26 juni 2008, FJF, No. 2009/8; Bergen 19 september 2008, Fiscoloog 2008, afl. 1131, 7-10; Brussel 2 oktober 2008, FJF, No. 2009/168; Antwerpen 25 november 2008, FJF, No. 2009/169; Brussel 27 november 2008, TFR 2009, 524; Brussel 9 januari 2009, RGCF 2009, 231; Antwerpen 18 januari 2011, FJF 2012, 44; zie ook A. Tiberghien, Handboek voor Fiscaal Recht 2012-2013, Mechelen, Kluwer, 2012, 315).

Uw Hof hernam dit standpunt in latere arresten (Cass. 30 april 2009, AR F.07.0116.F, Pas.2009, 1066, FJF, No. 2010/221, 893, JLMB 2010, 157; Cass. 6 november 2009, AR F.08.0059.F, arrest niet gepubliceerd; Cass. 15 april 2010, AR F.09.0049.N, arrest niet gepubliceerd; zie hierover B. Ameye, “Cassatie bevestigt: belastbare grondslag bij verkoop aandelen is niet hele meerwaarde”, Fisc.Act.2010, afl. 17, 6-9).

10. Het weze opgemerkt dat de wetgever in 2008, voor wat meerwaarden op aandelen betreft, de regel wijzigde. Op grond van artikel 90, 9° WIB 1992, dat geldt vanaf aanslagjaar 2010, zijn meerwaarden op aandelen immers belastbaar wanneer ze zijn verwezenlijkt naar aanleiding van de overdracht onder bewarende titel van die aandelen buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privévermogen.

11. De precieze draagwijdte van het arrest van Uw Hof van 30 november 2006 moet goed voor ogen worden gehouden.

De regel die het arrest verwoordt is immers niet toepasselijk in geval van een speculatieve aankoop met het oog op latere verkoop. In dat geval moet worden aangenomen dat als winst uit speculatie het positieve verschil dient te worden belast tussen wat bij de aankoop werd “ingezet” en wat bij de verkoop werd bekomen, onder aftrek van de in artikel 97 WIB 1992 beoogde kosten. De verhoging van de intrinsieke waarde die het goed zou hebben verkregen na de aankoop, komt in dat geval immers voort van de speculatie zodat deze verhoging niet in mindering mag worden gebracht bij de berekening van de winst uit speculatie die krachtens artikel 90, 1° WIB 1992 belastbaar is (zie bv. L. Kell, “Een letterlijke toepassing van artikel 90, 1° WIB 1992”, TFR 2007, p. 194, nr. 5).

Uw Hof besliste in die zin in een arrest van 6 mei 2011, waarin het oordeelde dat de aankoop van aandelen een prestatie, verrichting of speculatie in de zin van artikel 90, 1° WIB 1992 kan zijn, indien die aankoop niet valt onder de normale verrichtingen van beheer van een privévermogen en dat wanneer aandelen worden verworven met speculatief inzicht, de volledige opbrengst van die aandelen het resultaat zal zijn van die speculatie en als dusdanig integraal belastbaar is op grond van artikel 90, 1° WIB 1992, verminderd met de kosten bedoeld in artikel 97 WIB 1992 (Cass. 6 mei 2011, AR F.10.0050.N, Arr.Cass.2011, nr. 307).

Deze rechtspraak is mutatis mutandis ook toepasselijk op de speculatieve aankoop van andere goederen dan aandelen, zoals in casu een gebouwencomplex.

12. Auteur Kell stelde de vraag of de oplossing die Uw Hof in het arrest van 6 mei 2011 heeft aangenomen m.b.t. de hypothese van een speculatieve aankoop met het oog op een latere verkoop, eveneens moet worden toegepast op de hypothese van de abnormale aankoop. Met andere woorden, is de volledige opbrengst die het resultaat is van de abnormale aankoop als dusdanig integraal belastbaar op grond van artikel 90, 1° WIB 1992?

Deze vraag dient m.i. positief te worden beantwoord. Immers, er is geen reden voorhanden om een artificieel onderscheid te maken tussen enerzijds de hypothese van de speculatieve aankoop en anderzijds de hypothese van de abnormale aankoop, nu het in beide gevallen gaat om een aankoop die buiten het normale beheer van een privévermogen valt. In de praktijk worden vanuit deze optiek de woorden “speculatieve” verrichting of “abnormale” verrichting overigens door elkaar gebruikt.

In beide gevallen vertoont de volledige opbrengst van de verkoop die op de speculatieve of abnormale aankoop volgt, alleszins een oorzakelijk verband met de speculatieve of abnormale aankoop. In beide gevallen is de volledige opbrengst van de verkoop dan ook belastbaar op grond van artikel 90, 1° WIB 1992, verminderd met de kosten bedoeld in artikel 97 WIB 1992 (anders: L. Kell, “Artikel 90, 1° WIB 1992: verkoop tegen marktconforme prijs” (noot onder Antwerpen 22 november 2011), TFR 2012, p. 390, nr. 3: “(…) Bij de toepassing van artikel 90, 1° WIB 1992 zou dus een onderscheid moeten worden gemaakt tussen speculatieve meerwaarden en meerwaarden die resulteren uit niet normale daden van beheer. Het spreekt voor zich dat het in de praktijk uitermate moeilijk is om dit onderscheid te maken.”).

13. In voorliggende zaak hebben de appelrechters geoordeeld dat de kwestieuze aankoop van het gebouwencomplex, volledig gefinancierd met een lening en een kredietopening, gevolgd door een verkoop waarbij een niet geringe meerwaarde wordt gerealiseerd, niet kan worden beschouwd als het normale beheer van een privévermogen.

Niettemin oordelen de appelrechters dat ook in zulk geval enkel de “winst” kan worden belast, en niet de meerwaarde die wordt gerealiseerd in het kader van de verkoop. De appelrechters menen dat er “geen oorzakelijk verband [bestaat] tussen de gerealiseerde meerwaarde en enige verrichting die het normale beheer van het vermogen te buiten gaat wanneer deze meerwaarde overeenstemt met de reële waarde van het goed, d.i. de marktwaarde ervan”, zodat “er (…) geen wettelijke grondslag [bestaat] om de meerwaarde deels dan wel volledig te belasten”. Aangezien “de administratie op geen enkel ogenblik heeft aangevoerd of aangetoond dat het onroerend goed werd verkocht aan een prijs die niet marktconform is en niet overeenstemt met de werkelijke waarde ervan”, oordeelden de appelrechters dat de gevestigde aanslag strijdig is met artikel 90, 1° WIB 1992.

Door enerzijds te oordelen dat het geheel van aan- en verkoop van het gebouwencomplex het normale beheer van het privévermogen overstijgt en anderzijds te oordelen dat enkel de winst die de verkoop met zich brengt, en niet de gerealiseerde meerwaarde, belastbaar is op grond van artikel 90, 1° WIB 1992 schenden de appelrechters artikel 90, 1° WIB 1992. Wanneer zowel de aan- als de verkoop van een onroerend goed een abnormaal karakter heeft, dient immers het positieve verschil te worden belast tussen wat bij de aankoop werd “ingezet” en wat bij de verkoop werd bekomen, onder aftrek van de in artikel 97 WIB 1992 beoogde kosten.

Het enig middel komt mij dan ook gegrond voor.

Besluit: VERNIETIGING.

 

 

De verweerders brengen geen elementen aan die erop wijzen dat de ambtenaar die het cassatieberoep heeft ondertekend, niet de gewestelijk directeur der directe belastingen te Hasselt is.

Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Middel
4. Het hier toepasselijke artikel 90, 1° WIB 1992, bepaalt: “Diverse inkomsten zijn, onverminderd het bepaalde in 8°, 9° en 10°, winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privé­vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen.”

Wanneer zowel de aankoop als de verkoop van een onroerend goed geen normale verrichtingen van beheer van een privévermogen zijn, is de bij de verkoop gerealiseerde meerwaarde het resultaat van die abnormale verrichtingen en integraal belastbaar op grond van artikel 90, 1° WIB 1992, verminderd met de kosten bedoeld in artikel 97 WIB 1992.

5. De appelrechters oordelen dat:

de aankoop door de verweerders van een gebouwencomplex, volledig gefinancierd met een lening en een kredietopening, gevolgd door een verkoop waarbij een niet geringe meerwaarde wordt gerealiseerd, niet kan worden beschouwd als het normale beheer van een privévermogen;
artikel 90, 1° WIB 1992 niet de meerwaarde belastbaar stelt die wordt gerealiseerd in het kader van een verkoop die buiten de limieten valt van het normale beheer van een privévermogen, maar enkel de winst of de baten die dergelijke verrichting met zich mee brengt.
6. Door aldus te oordelen schenden de appelrechters artikel 90, 1° WIB 1992.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Noot: 

Vrijders, E., « Meerwaarde integraal belastbaar als divers inkomen wanneer zowel aan- als verkoop abnormale verrichtingen uitmaken », R.A.B.G., 2014/10, p. 665-669

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 06/07/2017 - 14:46
Laatst aangepast op: do, 06/07/2017 - 14:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.