-A +A

Meerdere personen die onder één dak leven kunnen voor sociale uitkeringen alleenstaanden zijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 09/10/2017
A.R.: 
S.16.0092.N

Het hof van Cassatie oordeelt dat een cohouser niet noodzakelijk een samenwonende is en aldus zijn hogere uitkering als alleenstaande kan behouden ondanks cohousing.

De rechter dient in feite te oordelen of er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding.

Te dezen aanvaarde het Hof van Cassatie dat mensen die kostendelend gingen wonen onder het zelfde dak, mekaar voordien niet kenden, salon, keuken, alle sanitaire voorzieningen, de deurbel (met een belcode voor ieder afzonderlijk) tot de brievenbus toe en die de huur deelden, net zoals de kosten voor de nutsbedrijven met de overweging dat ze elk hun eigen belcode hadden, mekaar vooraf niet kenden, ieder contract van onderverhuring inging op een ander tijdstip, elke bewoner een eigen vcoorraadkast had, er geen gemeenscahppelijk huishoudbudget was en de bewoners grotendeels op hun eigen kamer bleven waar ook kon worden gewoond.

Deze cohousers wonend in een ééngezinswoning konden aldus hun uitkeringen als alleen uitstaande ondanks de cohousing blijven behouden.

Let wel deze personen leven in strijd met artikel 6.1.1. VCRO en kunnen theoretisch gestraft worden met gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en geldboetes van 26 tot 400.000 euro omdat zij in een eengezinswoning wonen en deze hebben opgedeeld. Er is dus nog geen wettelijk statuut voor co-housing door dit toch wel baanbrekend arrest van het Hof van Cassatie en verwacht mag worden dat de toekomstige rechtspraak het VCRO probleem oplost, waarbij toch niet van het parket mag verondersteld worden dat zij prioriteit gaan geven aan de vervolging van werklozen die het hoofd boven water trachten te houden. De tussenkomst van de wetgever blijft zich opdringen omdat zelfs een sepotbeleid manifest onvoldoende is en geen zekerheid biedt, meer zelfs dat er bij een gerechtelijk onderzoek (bv. na een brand) sowieso een vervolging komt).

Bovendien, zolang er geen aangepaste wetgeving komt worden burgerlijke initiatieven naar uitkeringsgerechtigden toe in ééngezinswoningen bemoeilijkt en dit kan al evenmin de bedoeling blijven.

link naar deze uitspraak op juridat

Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. S.16.0092.N
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,
eiser,

tegen
B.D.

mede inzake
1. ARCHITECTENBUREAU B.F. bvba,
2. K.V.,
3. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Za-ken en Volksgezondheid, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50,
tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 24 juni 2016.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Krachtens artikel 30bis, § 3, eerste lid, RSZ-wet, in de versie van toepassing op de feiten, is de opdrachtgever die voor de in § 1 bedoelde werken een beroep doet op een aannemer die sociale schulden heeft op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant.

Krachtens artikel 30bis, § 4, eerste lid, RSZ-wet, in de versie van toepassing op de feiten, is de opdrachtgever die voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, verplicht bij die betaling 35 pct. van het door hem verschul-digde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, volgens de modaliteiten be-paald door de Koning.

Artikel 30bis, § 10, RSZ-wet, in de versie van toepassing op de feiten, bepaalt evenwel dat dit artikel niet van toepassing is op de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in § 1 vermelde werken uitsluitend voor privé-doeleinden laat uitvoeren.

2. De in voormeld artikel 30bis, § 10, bepaalde regel, aldus geformuleerd, werd ingevoerd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 december 1998 houdende maatregelen met het oog op de aanpassing van de hoofdelijke aanspra-kelijkheidsregeling voor de sociale en fiscale schulden met toepassing van artikel 43 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zeker-heid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.

Vóór 1 januari 1999, datum waarop het koninklijk besluit van 26 december 1998 in werking is getreden, bepaalde artikel 30bis, § 6, RSZ-wet:

"Dit artikel is niet van toepassing op:
1° het verbouwen, het inrichten, het herstellen, het onderhouden of het reinigen van een bestaande individuele woongelegenheid;
2° het bouwen van een eengezinswoning die anders dan in groepsverband wordt opgericht op initiatief en voor rekening van een particulier. De Koning omschrijft het begrip groepsverband; (...).

Dit artikel is evenmin van toepassing op particulieren ten aanzien van de enige woongelegenheid die zij laten oprichten."

3. Bij vergelijking van artikel 30bis, § 6, RSZ-wet, zoals van toepassing vóór 1 januari 1999, en artikel 30bis, § 10, RSZ-wet, zoals van toepassing vanaf 1 januari 1999, moet worden vastgesteld dat de redactionele wijziging die het voormelde koninklijk besluit van 26 december 1998 heeft aangebracht, het toepassingsgebied van de vrijstelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid waarin artikel 30bis voor-ziet, ook inhoudelijk heeft gewijzigd.

Uit de redactie van zijn paragraaf 10, zoals van toepassing op de feiten, volgt immers dat artikel 30bis RSZ-wet wel van toepassing is wanneer de natuurlijke persoon die de werken laat uitvoeren, het onroerend goed geheel of gedeeltelijk aanwendt in de uitoefening van zijn beroepsactiviteit, maar niet wanneer hij de werken louter laat uitvoeren in het kader van het gewone beheer van het eigen be-zit. De omstandigheid dat het onroerend goed niet enkel als woongelegenheid dient maar deels ook voor handelsdoeleinden is bestemd, is op zich niet ter zake dienend.

De toelichting verstrekt in het Verslag aan de Koning bij het voormelde koninklijk besluit van 26 december 1998, volgens welke de uitzondering van paragraaf 10 enkel zou gelden voor werken aan een woongelegenheid, kan aan deze wetsbepa-ling geen draagwijdte geven die met de wettekst zelf niet overeenstemt.

4. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat voor de toepassing van artikel 30bis, § 10, RSZ-wet vereist is dat de werken betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend voor privaat gebruik bestemd zijn, voegt hiermee een voorwaarde toe die deze wetsbepaling niet bevat.

Het middel berust aldus op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Vordering tot bindendverklaring

5. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering om het arrest bindend te verklaren aan de door de verweerder daartoe opgeroepen partijen.

6. Het past de kosten van deze vordering ten laste te leggen van de eiser die de verweerder tot het maken ervan heeft genoodzaakt.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.
Veroordeelt de eiser tot de kosten van het cassatieberoep en de vordering tot bin-dendverklaring.
Bepaalt deze kosten voor de eiser op 224,60 euro en voor de verweerder op 1.133,40 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, en in openbare rechtszitting van 9 oktober 2017 uitgesproken 

VOORZIENING TOT CASSATIE

VOOR: De RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, opgericht bij besluitwet van 28 december 1944, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein, 11,
eiser tot cassatie,

TEGEN: De Heer Bart DE KETELAERE, wonende de 8310 Brugge, Baron Ruzettelaan 387, die keuze van woonplaats doet op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Anne VAN DEN BERGHE, te 1050 Elsene, Kroonlaan 145, Blok F 4de verdieping,

verweerder in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadshe-ren, leden van het Hof van Cassatie, 

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer het arrest aan Uw toezicht te onderwerpen dat op 24 juni 2016 op tegenspraak werd gewezen door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Gent, Afdeling Brugge (A.R. nr.2014/AR/228 & 2014/AR/276).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

In de loop van 2008 had verweerder werken laten uitvoeren aan een hem toebehorend onroerend goed, gelegen te Brugge, dat bestond uit een winkelpand op het gelijkvloers en een flat op de verdieping. Beide verdiepingen werden door verweerder verhuurd.

Voor de uitvoering van deze onroerende werken had verweerder beroep gedaan op de bvba VAN HULLEBUS die op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst sociale schulden had.

Verweerder betaalde de aannemer de prijs van de werken (108.959,99 EUR) zonder enige inhouding te doen overeenkomstig artikel 30bis, §4, RSZ-wet. Verweerder was van oordeel dat hij niet tot enige inhouding was gehouden, gelet op de uitzondering in artikel 30bis, §10 RSZ-wet, die de opdrachtgever vrijstelt van de inhoudingsplicht wanneer hij werken laat uitvoeren uitsluitend voor privé-doeleinden.

Op 3 september 2009 werd de aannemer failliet verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brugge.

Bij dagvaarding van 17 juni 2011 vorderde eiser de veroordeling van verweerder tot betaling van 108.959,99 EUR op grond van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociale schulden van de aannemer voorzien in artikel 30bis RSZ-wet.

Verweerder dagvaardde zijn architect, de zaakvoeder van de bvba VAN HULLEBUS, alsook de BELGISCHE STAAT in gedwongen tussenkomst en vrijwaring.

In haar vonnis van 3 september 2014 volgde de Ar-beidsrechtbank te Gent, afdeling Brugge, het standpunt van verweerder en verklaarde de vordering van eiser ongegrond.

Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent op 3 november 2014, tekende eiser beroep aan tegen voormelde beslissing. Verweerder tekende hoger beroep aan in zoverre hij was veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten aan zijn architect, de zaakvoeder van de bvba VAN HULLEBUS en de BELGISCHE STAAT.

In het bestreden arrest van 24 juni 2016 verklaart het Arbeidshof te Gent het hoger beroep van eiser ongegrond en wordt het vonnis van de eerste rechter bevestigd.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

- artikel 30bis, §3, in het bijzonder het eerste lid, §4, in het bijzonder het eerste lid, en §10, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet), zoals gewijzigd door de wet van 27 december 2007, voor zijn wijziging bij wet van 20 juli 2015.

Aangevochten beslissing:

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter waarin de vordering van eiser ongegrond was verklaard, hierbij overwegend als volgt:

" 4.3.1. De vordering is gesteund op artikel 30bis, § 1, 3, 4 en 5 van de RSZ-wet, zoals toepasselijk sinds 1 januari 2008 ingevolge de wijzigingen aangebracht door de wet van 27 december 2007.

" (...)
" 4.3.2.
" (Verweerder) betwist niet dat hij door de bvba Van Hullebus werken in de zin van artikel 20, § 2 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 heeft laten uitvoeren.

" 4.3.3. Van hoofdelijke aansprakelijkheid kan er slechts sprake zijn wanneer de aannemer waarop (verweerder) een beroep deed, sociale schulden had op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst, in casu volgens (verweerder) eind april 2008, volgens de (eiser) in augustus 2008. De betwisting tussen deze partijen over de vraag wanneer de overeenkomst in casu werd gesloten en of de bvba Van Hullebus op dat ogenblik sociale schulden had, en zo ja, hoe hoog die waren, is echter niet relevant wanneer (verweerder) zich kan beroepen op de uitzondering in artikel 30bis, § 10 van de RSZ-wet.

" 4.3.4. Het arbeidshof is het met de eerste rechter eens dat de uitzondering in § 10 ‘Dit artikel is niet van toepassing zodra de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in § 1 vermelde werken uitsluitend voor privé-doeleinden laat uitvoeren', van toepassing is wanneer de opdrachtgever-natuurlijke persoon werken laat uitvoeren die enkel kaderen in het beheer van zijn eigen vermogen (dus ‘uitsluitend voor privé-doeleinden') en niet in de één of andere door hemzelf uitgeoefende beroepsactiviteit. Dat het onroerend goed waarop de werken betrekking hebben, vervolgens een bestemming krijgt die kadert in een door een derde (inzonderheid de huurder van het goed of zelfs de persoon aan wie het goed zou worden verkocht) uitgeoefende beroepsactiviteit, is niet relevant.

" 4.3.5. De discussie tussen de partijen over de (verdeling van de) bewijslast laat het arbeidshof onbesproken bij gebrek aan relevantie. Inderdaad komt dit hof tot de vaststelling dat (verweerder) op voldoende wijze heeft bewezen dat hij zich op de op bovenvermelde wijze uitgelegde wettelijke bepaling kan beroepen én dat de (eiser) niet heeft bewezen dat de betrokkene zich niet op de wettelijke uitzondering kan beroepen.

" Dat (verweerder) de werken ‘uitsluitend voor privé-doeleinden' in de voormelde zin heeft laten uitvoeren, blijkt met zekerheid uit de door hem overgelegde fiscale bescheiden (zie de verklaring aan de BTW-administratie - zijn stuk 4a; de aanslagbiljetten in de personenbelasting - zijn stukken 13b, 14b en 15b), de huurovereenkomsten (zijn stukken 4c en 4d) en het woningkrediet (zijn stuk 16). Dat de werken deels op een winkelpand betrekking hadden, is zoals gezegd zonder enig belang.

" 4.3.6. Rechtspraak en rechtsleer die betrekking hebben op een andere en vroegere versie van de wettelijke bepalingen, acht het arbeidshof niet relevant. In geen geval kunnen zij aangevoerd worden om een andere uitlegging van artikel 30bis, § 10 van de RSZ-wet te geven dan deze die zich op grond van de duidelijke wettekst zelf opdringt, en dit is deze die in nr 4.3.4. wordt gegeven.
Dit geldt inzonderheid voor de verantwoording gegeven in het verslag aan de Koning bij het KB van 20 december 1998 (BS 31 december 1998, 42133), dat een op de huidige versie van de voornoemde bepaling gelijkende bepaling heeft ingevoerd, in de mate waarin hieruit zou moeten afgeleid worden dat zij enkel zou gelden wanneer werken aan een woongelegenheid worden uitgevoerd, wat de draagwijdte van de wettelijke uitzondering nog beperkter zou maken. Dit is in elk geval niet wat uit de tekst van de wet zelf blijkt.

" 4.3.7. De eerste rechter heeft de hoofdvordering terecht ongegrond verklaard. Het hoger beroep van de (eiser) is ongegrond. Het vonnis bevat echter wel een verschrijving wat de rechtsplegingsvergoeding van deze partij betreft, die inderdaad 5.500 euro beloopt".
(arrest, p.7-9, 4.3.1 - 4.3.7).

Grieven

1./ Krachtens artikel 30bis, §3, eerste lid, RSZ-wet is de opdrachtgever die voor de in §1 bedoelde werken in onroerende staat een beroep doet op een aannemer die sociale schulden heeft op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant.

De hoofdelijke aansprakelijkheid wordt beperkt tot de totale prijs van de werken toevertrouwd aan de aannemer exclusief belasting over de toegevoegde waarde (artikel 30bis, §3, vierde lid).

Krachtens artikel 30bis, §4, eerste lid, RSZ-wet is de opdrachtgever die voor de in §1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, verplicht bij die betaling 35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan eiser, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning.

De in voormelde paragraaf bedoelde inhoudingen en stortingen worden in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de schulden van de aannemer op het ogenblik van de betaling (artikel 30bis, §4, derde lid).

Onverminderd de toepassing van de sancties voorzien in artikel 35, eerste lid, 3, RSZ-wet is de opdrachtgever die de in §4, eerste lid, bedoelde storting niet verricht heeft, benevens de betaling van het te storten bedrag, aan eiser bovendien een bijslag verschuldigd gelijk aan het te betalen bedrag (artikel 30bis, §5, eerste lid, RSZ-wet).

2./ Overeenkomstig artikel 30bis, §10 RSZ-wet, is artikel 30bis niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in §1 vermelde werken "uitsluitend voor privé-doeleinden laat uitvoeren".

De opdrachtgever die de in §1 vermelde werken door een aannemer met sociale schulden laat uitvoeren, is krachtens deze bepaling derhalve vrijgesteld van de hoofdelijke aansprakelijkheid ex §3 en van de inhoudings- en doorstortingsplicht ex §4.

3./ Voormelde uitzonderingsbepaling dient strikt te worden beperkt tot de in §1 vermelde werken op onroerende goederen die exclusief voor privé-gebruik zijn bestemd in die zin dat de uitgevoerde werken enkel verband mogen houden met de privé-sfeer.

Artikel 30bis, §10 is bijgevolg niet van toepassing indien het onroerend goed waarop de werken betrekking hebben, zelfs maar gedeeltelijk, voor bedrijfs- of beroepsdoeleinden is bestemd in zoverre alsdan geen sprake meer is van werken die uitsluitend voor privé-doeleinden worden uitgevoerd in de zin van deze bepaling.

Het bestaan van privé-doeleinden moet beoordeeld worden, zowel in hoofde van de opdrachtgever, als vanuit de bestemming die aan het onroerend wordt gegeven door de opdrachtgever.

Waar de litigieuze werken deels betrekking hadden op een handelspand, dat door verweerder werd verhuurd, had verweerder de werken bijgevolg niet uitsluitend voor privé-doeleinden laten uitvoeren in zoverre het onroerend goed uit zijn aard dienstig was voor beroepsmatig gebruik en ook effectief door de huurder van het handelspand voor beroepsdoeleinden werd aangewend.

4./ Het bestreden arrest beslist dat artikel 30bis, §10 RSZ-wet van toepassing is wanneer de opdrachtgever-natuurlijke persoon werken laat uitvoeren die enkel kaderen in het beheer van zijn eigen vermogen en niet in één of andere door hemzelf uitgeoefende beroepsactiviteit. Het feit dat het onroerend goed waarop de werken betrekking hebben vervolgens een bestemming krijgt die kadert in een door een derde (huurder, koper) uitgeoefende beroepsactiviteit, is volgens de appelrechters niet relevant (arrest, p.10, 4.3.4) zodat het van geen belang was dat de litigieuze werken deels op een winkelpand betrekking hadden (p.10, 4.3.5, tweede alinea).

Werken die de opdrachtgever-natuurlijke persoon laat uitvoeren in het kader van het beheer van zijn eigen vermogen, worden zodoende door de appelrechters zonder meer beschouwd als werken die uitsluitend voor privé-doeleinden worden uitgevoerd in de zin van artikel 30bis, §10, ongeacht de bestemming die aan het onroerend goed wordt gegeven.

Door de vereiste privé-doeleinden aldus uitsluitend te beoordelen in hoofde van de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de werken laat uitvoeren, zonder rekening te houden met het feit dat het onroerend goed waarop de werken betrekking hadden deels was bestemd voor beroepsmatig gebruik als winkelpand, heeft het bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht verantwoord.

Ook voor werken die in het kader van het beheer van het privé-vermogen van de opdrachtgever-natuurlijke persoon worden uitgevoerd, is vereist dat deze werken betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend voor privaat gebruik zijn bestemd, zoniet is er geen sprake van werken die de opdrachtgever-natuurlijke persoon uitsluitend voor privé-doeleinden laat uitvoeren.

Anders dan de appelrechters oordelen, had het feit dat de werken deels betrekking hadden op een winkelpand, wel zijn belang voor de toepassing van artikel 30bis, §10 RSZ-wet.

5./ Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, op grond van de vaststelling dat verweerder de werken heeft laten uitvoeren in het kader van het beheer van zijn eigen vermogen, heeft beslist dat verweerder zich op de uitzonderingsbepaling ex artikel 30bis, §10 kan beroepen, zonder dat rekening werd gehouden met het feit dat de litigieuze werken deels betrekking hadden op een winkelpand en verweerder aldus de werken deels voor beroepsdoeleinden had bestemd. De vordering van eiser werd op die gronden bijgevolg niet wettig ongegrond verklaard (schending van de artikelen 30bis, §3, in het bijzonder het eerste lid, §4, in het bijzonder het eerste lid, en §10, RSZ-wet).

TOELICHTING

1./ Krachtens artikel 30bis, §10 RSZ-wet, is de in artikel 30bis bedoelde inhoudingsplicht en hoofdelijke aansprakelijkheid niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in §1 vermelde werken "uitsluitend voor privé-doeleinden laat uitvoeren".

Uit de cassatierechtspraak die werd geveld met betrekking tot deze uitzonderingsbepaling volgt dat deze uitzondering restrictief moet worden geïnterpreteerd.

Zo werd door Uw Hof beslist dat deze bepaling niet van toepassing is indien het goed, zelfs maar gedeeltelijk, voor bedrijfs- of beroepsdoeleinden was bestemd (Cass., 5 september 1988, A.C., 1988-89, nr.4; Cass., 8 januari 1989, A.C., 1988-89, nr.267. Cass., 21 mei 1990, A.C., 1989-90, nr.554; Cass., 25 oktober 1999, A.C., 1999, nr.562).

Deze rechtspraak had betrekking op de toenmalige uitzonderingsbepaling vervat in artikel 30bis, §6, luidend als volgt:

" Dit artikel is niet van toepassing op: 1° het verbouwen, het inrichten, het herstellen, het onderhouden of het reinigen van een bestaande individuele woongelegenheid; 2° het bouwen van een eensgezinswoning die anders dan in groepsverband wordt opgericht op initiatief en voor rekening van een particulier. De Koning omschrijft het begrip groepsverband. Dit artikel is evenmin van toepassing op particulieren ten aanzien van de enige woongelegenheid die zij laten oprichten".

De in deze bepaling vervatte uitzondering had aldus betrekking op de aard van de werkzaamheden die enkel individuele woongelegenheden tot voorwerp mochten hebben, waarbij de werken op initiatief en voor rekening van particulieren dienden te worden uitgevoerd. Werken die werden uitgevoerd aan een individuele woongelegenheid die deels was bestemd voor beroepsdoeleinden vielen bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de uitzonderingsbepaling.

2./ Bij KB van 26 december 1998 werd de uitzonderingsbepaling voor particulieren gewijzigd en thans opgenomen in artikel 30bis, §10:

" Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke persoon in de mate dat hij voor louter privé-doeleinden de in §1 vermelde werken laat uitvoeren".

In het Verslag van de Koning werd deze wetswijzi-ging als volgt becommentarieerd:

" Krachtens §10 is dit artikel niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke persoon in de mate dat hij voor louter privé-doeleinden in §1 vermelde werken laat uitvoeren.

" De uitzondering geldt, bijvoorbeeld in de bouwsector, dus niet voor beroepsmatig gebruikte gebouwen of gedeelten van gebouwen. Zij wordt beperkt tot de opdrachtgever-natuurlijke persoon die werken laat uitvoeren aan een woongelegenheid ongeacht of hij die zelf bewoont of privé verhuurt."

Gelet op de bewoordingen "in de mate dat" werd door sommigen aangenomen dat de uitzondering thans wel kon gelden voor werken uitgevoerd aan een woning die deels bestemd is voor beroepsdoeleinden, doch enkel wat betreft de werken aan de specifieke privé-gedeelten van de woning. Om aan deze discussie een einde te stellen werd de zinsnede "in de mate dat" bij Programmawet van 27 april 2007 uit artikel 30bis, §10, verwijderd (VAN VLASSELAER, K., "De wijzigingen aan de inhoudingsplicht en hoofdelijke aansprakelijkheid voor (onder)aannemers", T.v.W., 2007, 346).

Artikel 30bis, §10 luidt sindsdien als volgt:

" Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in §1 vermelde werken uitsluitend voor privé-doeleinden laat uitvoeren".

Werken die worden uitgevoerd aan een individuele woongelegenheid die deels wordt bestemd voor beroepsdoeleinden blijven aldus volledig buiten het toepassingsgebied van de uitzonderingsbepaling (cf. i.v.m. het gelijkluidende artikel 35/5 Loonbeschermingswet: CROIMANS, B. en VAN OVERMEIREN, F., "Hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonschulden: eerste beoordeling van de juridische en praktische gevolgen", Or., 2014, 107.

3./ Uit de wetshistoriek van artikel 30bis RSZ-wet volgt dat de wetgever met de termen "uitsluitend" en "privé-doeleinden" enkel die onroerende werken heeft willen viseren die verband houden met particulier gebruik, m.a.w. werken die betrekking hebben op een onroerend goed dat uitsluitend voor privé-gebruik is bestemd, hetzij voor eigen privé-gebruik, hetzij voor privé-gebruik door anderen, bijv. via verhuring.

Zodra de uitgevoerde werken onroerende goederen tot voorwerp hebben die deels een professionele bestemming hebben, kan bijgevolg geen sprake meer zijn van werken die uitsluitend voor privé-doeleinden worden uitgevoerd in de zin van artikel 30bis, §10 RSZ-wet.

De privé-doeleinden moeten hierbij niet alleen beoordeeld worden in hoofde van de opdrachtgever maar ook vanuit de bestemming die aan het onroerend goed wordt gegeven.

De onroerende werken die door de opdrachtgever-natuurlijke persoon worden uitgevoerd in het kader van het beheer van zijn eigen vermogen, zullen derhalve slechts dan beschouwd kunnen worden als werken die uitsluitend voor privé-doeleinden worden uitgevoerd voor zover het onroerend goed waarop die werken betrekking hebben ook uitsluitend tot privé-gebruik is bestemd.

4./ Het arbeidshof oordeelt dat artikel 30bis, §10 van toepassing is wanneer de opdrachtgever-natuurlijke persoon werken laat uitvoeren die enkel kaderen in het beheer van zijn eigen vermogen en niet in één of andere door hemzelf uitgeoefende beroepsactiviteit. Het feit dat het onroerend goed waarop de werken betrekking hebben vervolgens een bestemming krijgt die kadert in een door een derde (huurder, koper) uitgeoefende beroepsactiviteit, is volgens de appelrechters niet relevant (arrest, p.10, 4.3.4). Het loutere feit dat de litigieuze werken deels op een winkelpand betrekking hadden, was volgens het arbeidshof bijgevolg van geen belang (p.10, 4.3.5, tweede alinea).

Werken die door de opdrachtgever-natuurlijke per-soon worden uitgevoerd in het kader van het beheer van zijn eigen vermogen, worden door de appelrechters derhalve automatisch beschouwd als zijnde werken die uitsluitend voor privé-doeleinden worden uitgevoerd, ongeacht de bestemming van het onroerend goed waarop de werken betrekking hebben.

Het loutere feit dat werken worden uitgevoerd in het kader van het beheer van het privé-vermogen mag geen vrijgeleide zijn om aan de hoofdelijke aansprakelijkheid en de inhoudingsplicht van artikel 30bis te ontsnappen. Opdat de uitzonderingsregeling toepassing kan vinden is vereist dat de in het kader van het beheer van het privé-vermogen verrichte werken betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor privaat gebruik, wat in onderhavige zaak niet het geval was.

De voorliggende beslissing is derhalve niet naar recht verantwoord in zoverre de privé-doeleinden uitsluitend door de appelrechters werden beoordeeld in hoofde van de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de werken laat uitvoeren, zonder dat met de beroepsmatige bestemming van een deel van het onroerend goed als handelspand rekening was gehouden.

 

 

 

OM DEZE REDENEN,

besluit voor eiser ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander arbeidshof, kosten als naar recht.

Brussel, 19 december 2016

Bijlage

1./ Exploot van betekening van 26 september 2016 van het bestreden arrest waarin verweerder keuze van woonst doet bij gerechtsdeurwaarder Anne VAN DEN BERGHE, te 1050 Elsene, Kroonlaan 145, Blok F 4de verdieping,

 

 

Noot: 

Alexander Maes, "Ook Cassatie vindt dat werkzoekende cohousers als alleenstaanden beschouwd kunnen worden, De Juristenkrant 8 november 2017, pagina 3

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 19/11/2017 - 19:41
Laatst aangepast op: zo, 19/11/2017 - 19:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.