-A +A

Maximum rechtsplegingsvergoeding of tergend en roekeloos geding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
din, 26/07/2016

Het toekennen van een verhoogde rechtsplegingsvergoeding kan gemotiveerd worden door een kennelijk onredelijke vordering met betrekking tot de wijze van procesvoering.

Het toekennen van een vordering wegens tergend en roekelooos geding, vereist een bijzonder opzet tot tergen en een roekeloos dus onbezonnen handelen. Dit kan slaan op zowel de wijze van procesvoering als de procesvoering an sich. Dus zowel op het feit een proces in te stellen dan wel op de wijze waarop dit recht wordt uitgeoefend.

De rechtbank oordeelt dat indien de wetgever de bedoeling zou hebben met het “kennelijk onredelijk karakter van de situatie” een bestraffende werking te verlenen aan de bepaling van de rechtsplegingsvergoeding in haar omvang, de wetgever twee sancties tegelijk hanteert voor tergende en roekeloze procesvoering. Verweerder laat de twee sanctiemechanismen ook tegelijk gelden en schakelt de toekenningsvoorwaarden voor de beide sanctiemechanismen ook uitdrukkelijk gelijk.

De rechtbank ziet evenwel niet in hoe de schade die een partij lijdt uit onbehoorlijke procesvoering twee keer aanleiding zou kunnen geven tot een vergoedingsaanspraak. Het “kennelijk onredelijk karakter” waarvan sprake in art. 1022 Ger.W. kan dus geen betrekking hebben op het feit van de procesvoering – waarvoor immers de schadevergoedingsaanspraak op grond van tergend en roekeloos geding openstaat – maar wel en enkel op de wijze van de procesvoering. Het is immers de wijze van procesvoering die bijzondere – onredelijke – kosten van verdediging – voorwerp van de vordering op grond van art. 1022 Ger.W. – doet ontstaan (of niet).

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1666
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

T.K. t/ O.A.

III. Gronden van het vonnis

...

III.2. Gegrondheid van de vorderingen

...

De vordering van eiseres is ongegrond.

3.6. Dat de vordering van eiseres is “uitgedoofd”, is de enige juridische realiteit die de rechtbank in deze kan vaststellen.

3.7. De rechtbank verwerpt eveneens de vordering van verweerder tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding.

Het is niet omdat een vordering ongegrond is, dat zij tergend en roekeloos is.

Indien verweerder meent dat de vordering tergend en roekeloos is, dient hij dit bijzonder aan te tonen. Het gaat niet op zonder meer te stellen dat een ongegronde vordering “eerrovend” zou zijn, nu het eenieders recht is zijn (vermeende) recht door een rechtbank te laten beoordelen. Verweerder dient de bijzondere intentie die de tergende en roekeloze vordering kenmerkt aan te tonen en een onderliggend geschil tussen eiseres en haar vader – dat niet wordt aangetoond – doet misschien tot een roekeloos karakter van de vordering besluiten, maar niet onmiddellijk tot een tergend karakter ervan.

Het al dan niet tergende of roekeloze karakter van de procedure kan trouwens niet los gezien worden van de eventuele fout van de advocaat zijn cliënt af te dekken in de afwikkeling van een procedure.

Indien de rechtbank moet oordelen dat een vordering tergend en roekeloos is, dient de rechtbank in wezen – en onderliggend – te oordelen dat het advies van de betrokken advocaat – de zaak toch op te starten dan wel op de welbepaalde manier voort te zetten – verkeerd was, zelfs van die aard dat een normaal en voorzichtig persoon – a fortiori een specialist, zoals een advocaat – nooit deze zaak zou hebben gevoerd, toch niet op die manier.

De raadsman van eiseres is evenwel geen partij in het geding, zodat te haren aanzien expliciet noch impliciet uitspraken kunnen worden gedaan. Haar adviezen aan haar cliënte vallen bovendien op het eerste gezicht onder het beroepsgeheim, alleszins zijn zij niet aan de rechtbank voorgelegd.

Het zou nogal gemakkelijk zijn de gevolgen van positieve adviezen af te schuiven op de cliënt onder dekking van het beroepsgeheim en dus de cliënt financieel te laten opdraaien voor fouten in de adviesverlening. Het is – omgekeerd – strijdig met de mensenrechten een advocaat op impliciete wijze een fout in zijn adviesverlening aan te wrijven zonder dat hij zich hieromtrent zou kunnen verdedigen.

...

VI. Gerechtskosten

...

6.2. Eiseres is verliezende partij en dient dus de kosten van de procedure te dragen. In de mate deze door verweerder werden opgelopen, dient zij deze te vergoeden.

Dat ook verweerder werd afgewezen van zijn vordering, is van ondergeschikt belang: zijn vordering is immers de vordering wegens tergend en roekeloos geding, die geen zelfstandige vordering, maar slechts een gevolgtrekking van de excepties ten gronde uitmaakt.

6.3. Verweerder vordert toepassing van de verhoging van de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in art. 1022 Ger.W. en beroept zich hierbij op het “kennelijk onredelijk karakter van de zaak”. Hij laat gelden dat het gebrek aan ernst van eiseres hem te betrekken bij een geschil dat zij in wezen met haar vader heeft, beantwoordt aan dit criterium.

De rechtbank oordeelt dat indien de wetgever de bedoeling zou hebben met het “kennelijk onredelijk karakter van de situatie” een bestraffende werking te verlenen aan de bepaling van de rechtsplegingsvergoeding in haar omvang, de wetgever twee sancties tegelijk hanteert voor tergende en roekeloze procesvoering. Verweerder laat de twee sanctiemechanismen ook tegelijk gelden en schakelt de toekenningsvoorwaarden voor de beide sanctiemechanismen ook uitdrukkelijk gelijk.

De rechtbank ziet evenwel niet in hoe de schade die een partij lijdt uit onbehoorlijke procesvoering twee keer aanleiding zou kunnen geven tot een vergoedingsaanspraak. Het “kennelijk onredelijk karakter” waarvan sprake in art. 1022 Ger.W. kan dus geen betrekking hebben op het feit van de procesvoering – waarvoor immers de schadevergoedingsaanspraak op grond van tergend en roekeloos geding openstaat – maar wel en enkel op de wijze van de procesvoering. Het is immers de wijze van procesvoering die bijzondere – onredelijke – kosten van verdediging – voorwerp van de vordering op grond van art. 1022 Ger.W. – doet ontstaan (of niet).

De rechtbank oordeelt dat eiseres op geen enkele wijze op kennelijk onredelijke wijze geprocedeerd heeft, want zij heeft haar standpunten op omstandige wijze uiteengezet en onderbouwd met dienstige stukken. Dat deze argumenten en stukken de rechtbank niet overtuigd hebben, is een ander debat.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 12/06/2017 - 18:03
Laatst aangepast op: ma, 31/07/2017 - 19:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.