-A +A

Maximale wederbeleggingsvergoeding lening op interest 1907bis BW

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 24/11/2016
A.R.: 
C.15.0409.F

De beperking tot zes maanden berekend over de terugbetaalde som en naar de in de overeenkomst bepaalde rentevoet geldt voor elke vergoeding die wordt gevorderd door de geldschieter in geval van vervroegde gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een lening op interest.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017
Pagina: 
742
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0409.F

RÉSIDENCE CHRISTALAIN nv,

tegen

CBC BANQUE nv,



I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep Brussel van 24 april 2015.



II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.



III. BESLISSING VAN HET HOF



Beoordeling



Derde middel



Eerste onderdeel



Betreffende de door de verweerster tegen het onderdeel aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel heeft geen belang



Het arrest stelt niet vast dat het investeringskrediet waarop de eiseres heeft ingete-kend geen lening maar een kredietopening is.



De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.



Gegrondheid van het middel



Luidens artikel 1907bis Burgerlijk Wetboek kan, bij gehele of gedeeltelijke terug-betaling van een lening of interest, in geen geval van de schuldenaar, buiten het terugbetaalde kapitaal en de vervallen interest, een vergoeding voor wederbeleg-ging worden gevorderd, groter dan zes maanden interest, berekend over de terug-betaalde som en naar de in de overeenkomst bepaalde rentevoet.



Die beperking geldt voor elke vergoeding die wordt gevorderd door de geldschie-ter in geval van vervroegde gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een lening op interest.



Het arrest stelt vast dat "artikel 20.5. a) van de algemene voorwaarden de vrijwil-lige vervroegde terugbetaling verbood van het investeringskrediet" dat aan de eiseres was toegekend, dat "[deze] op 13 juli 2010 [...] te kennen heeft gegeven dat zij de kredietovereenkomst wilde beëindigen" op grond dat zij "het vertrouwen in [de verweerster] is kwijtgeraakt" en dat laatstgenoemde haar heeft geantwoord dat zij, ondanks het voorgeschreven verbod, "de vervroegde terugbetaling kon aanvaarden, mits haar een wederbeleggingsvergoeding werd betaald".



Het overweegt dat de verweerster, die had kunnen "eisen dat de contractuele be-trekkingen tot het einde van de overeengekomen termijn werden voortgezet", het recht had om "de betaling van een actuariële wederbeleggingsvergoeding te vor-deren", "enerzijds, omdat zij afzag van de eis dat de overeenkomst werd voortge-zet, anderzijds, als vergoeding voor het verlies dat zij meende te hebben geleden, naast alle andere overwegingen die zij nuttig achtte om te aanvaarden dat zij van haar kant afstand deed van de overeengekomen termijn van het contract", dat "het, ondanks de door de partijen gebruikte bewoordingen, dus niet gaat om een wederbeleggingsvergoeding sensu stricto, namelijk die welke verschuldigd is in het geval waarin de partijen overeengekomen zijn dat de geldopnemer de mogelijkheid heeft om overeenkomst te beëindigen, ja zelfs niet om een funding loss-vergoeding, voor zover daaraan een andere betekenis moet worden gegeven", en dat, "hoewel het resultaat ervan blijkbaar hetzelfde is (betaling van een bedrag), zulks niet wegneemt dat de oorzaak ervan verschillend is".



Het arrest dat beslist dat de gevorderde vergoeding niet "onderworpen hoorde te worden aan het door artikel 1907bis Burgerlijk Wetboek ingestelde plafond" op grond dat "geen enkele gehele of gedeeltelijke terugbetaling toegestaan was", schendt voornoemde wetsbepaling.



Het onderdeel is gegrond.



Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel en in openbare terechtzitting van 24 november 2016 uitgesproken 

 

Noot: 

• Droit bancaire et financier [Dr.banc.fin.] BUYLE, Jean-Pierre; METZGER, Thomas; Note 'L'indemnité de remploi en matière de contrat de prêt à intérêt' 2017, n° 3, p. 164-169.

• Bulletin Juridique et Social [B.J.S.] RUE, Guillaume; Note 'Indemnité de remploi: fin de la controverse' 2017, n° 591, p. 11.

• Revue de Droit Commercial Belge [R.D.C.] WEINBERGER, Marc-David; Note 'Funding loss: status quo?' 2017, n° 8, p. 886-889.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 12/12/2017 - 17:49
Laatst aangepast op: do, 28/06/2018 - 14:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.