-A +A

Maximale wederbeleggingsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
woe, 07/08/2013
A.R.: 
119/2013

Art. 1907bis BW de contractuele vrijheid van de partijen bij een leningsovereenkomst beperkt door het maximum van de wederbeleggingsvergoeding vast te leggen op 6 maand.

De wetgever beoogde de onervaren kredietnemers te beschermen tegen professionele geldschieters.

Deze beperking werd niet werd uitgebreid tot de overeenkomsten voor een kredietopening die traditioneel worden gebruikt in zakenrelaties.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
858
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij arrest van 27 september 2012 heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt art. 1907bis BW, in die zin geïnterpreteerd dat die bepaling niet van toepassing is op de kredietopeningen – en in het bijzonder op de openingen van een niet-wederopneembaar krediet – art. 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de leners verschillend worden behandeld terwijl zij zich in een identieke situatie bevinden?”.

...

In rechte

...

B.1. Art. 1907bis BW bepaalt:

“Bij gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een lening op interest kan in geen geval van de schuldenaar, buiten het terugbetaalde kapitaal en de vervallen interest, een vergoeding voor wederbelegging worden gevorderd, groter dan zes maanden interest, berekend over de terugbetaalde som en naar de in de overeenkomst bepaalde rentevoet”.

Dat artikel werd in hoofdstuk III (“Lening op interest”) van titel X (“Lening”) van het Burgerlijk Wetboek ingevoegd bij de wet van 27 juli 1934 “tot wijziging en aanvulling van artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de interest krachtens overeenkomst”.

B.2. Deze bepaling vindt haar oorsprong in het initiatief van een bijzondere commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers die ermee was belast verschillende wetsvoorstellen met betrekking tot de hypothecaire regeling te onderzoeken. Tijdens de werkzaamheden van die commissie is gepreciseerd:

“Ten zeerste onder den indruk van de misbruiken die zich op hypothecair gebied voordoen, misbruiken welke een licht werpen op handelingen nauw verwant met den laagsten woekerhandel, waren de leden van de bijzondere commissie van oordeel, dat eene bijzondere wetgeving diende tot stand te komen tot invoering van het toezicht op de hypothecaire vennootschappen; zij waren insgelijks van gevoelen, dat dringende maatregelen dienden getroffen met het oog op de vennootschappen welke de wedersamenstelling regelen van aan derden ontleende kapitalen, zonder dat de in den loop van de overeenkomst in de kas dier vereenigingen gedane stortingen aan de leeners mogen tegengeworpen worden. Gezien den ernstigen toestand, oordeelde de commissie een eerste initiatief te moeten nemen en legde zij aan den bevoegden Minister, die zijne instemming betuigde, een ontwerp voor tot wijziging van artikel 1907 B.W. betreffende de leening op interest” (Parl.St. Kamer 1933-34, nr. 120, p. 4 en 5).

De tekst van de Commissie werd licht geamendeerd tijdens de parlementaire debatten in de Kamer van volksvertegenwoordigers (Parl.St. Kamer 1933-34, nrs. 215-216, bijlage III; Hand. Kamer 26 juni 1934, p. 1696).

De Senaat stemde in met de aldus geamendeerde tekst na eraan te hebben herinnerd:

“Dit ontwerp sproot voort uit de beraadslagingen van de bijzondere Commissie belast door de Kamer met het onderzoek in zijn geheel van alles wat verband houdt met de kwestie van het zg. “hypothecair moratorium”. De Commissie en de Kamer maakten er een afzonderlijk ontwerp van, omdat, zoo de wet op de termijnen en het uitstel een tijdelijke wet is, de wet tot wijziging van artikel 1907 in den geest van haar opstellers een definitieve wijziging moet zijn van artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek. Het nieuwe wetsontwerp betreft voornamelijk de hypothecaire leeningen terugbetaalbaar door delgingen en anuïteiten. Deze leeningen worden over het algemeen, hetzij geheel, hetzij door bemiddeling van hypothecaire vennootschappen en heel zelden door particuliere geldschieters verleend. De bepalingen en de berekeningen van dergelijke overeenkomsten zijn noodzakelijk ingewikkeld. De Commissie van de Kamer heeft terecht gewild dat de schuldenaar zich volkomen rekenschap kunne [lees: kan] geven van de lasten die hij op zich neemt en willen beletten dat vennootschappen of geldschieters van de onwetendheid of van het vertrouwen van onvolledig ingelichte schuldenaars misbruik maken” (Parl.St. Senaat 1933-34, nr. 165, p. 1 en 2).

B.3. Aan het Hof wordt gevraagd of art. 1907bis BW verenigbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het alleen van toepassing is op de leningsovereenkomsten en niet op de overeenkomsten voor een kredietopening en in het bijzonder niet op de overeenkomsten voor de opening van een niet-wederopneembaar krediet.

Volgens de verwijzende rechter is de in geding zijnde overeenkomst voor een kredietopening een consensuele overeenkomst, die niet kan worden gelijkgesteld met een leningsovereenkomst.

Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt.

B.4. In tegenstelling tot een overeenkomst voor een kredietopening, die een consensuele overeenkomst is krachtens welke de fondsen niet onmiddellijk ter beschikking worden gesteld van de gecrediteerde, maar door deze kunnen worden aangewend wanneer en in de mate dat hij dit nodig zou achten, tegen betaling van zowel een commissie als een interest indien het om een som geld gaat, is de leningsovereenkomst een zakelijke overeenkomst krachtens welke de uitlener het volledige geleende bedrag eenmalig aan de lener overdraagt, tegen een terugbetaling, met interest, op een welbepaalde datum of vervaldata en die is onderworpen aan bepaalde specifieke dwingende regels die zijn vastgesteld in titel X van het Burgerlijk Wetboek.

B.5. Het Hof moet nagaan of het verschil in behandeling redelijk verantwoord is, ermee rekening houdend dat de wetgever, in socio-economische aangelegenheden, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt.

B.6.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 27 juli 1934 blijkt dat art. 1907bis BW in hoofdzaak de schuldenaars van hypothecaire leningen wil beschermen tegen de misbruiken van professionele geldschieters.

Hoewel de wetgever de bescherming van een bijzondere categorie van kredietnemers wilde verzekeren, blijkt uit de bewoordingen zelf van de bepaling, alsook uit de opname ervan in titel X van het Burgerlijk Wetboek, dat moet worden aangenomen dat de in het geding zijnde bepaling van toepassing is op alle leningsovereenkomsten en niet alleen op de hypothecaire leningen.

B.6.2. Door het maximumbedrag van de wederbeleggingsvergoeding die de kredietnemer aan de kredietgever is verschuldigd, vast te stellen op zes maanden interest, heeft de wetgever de contractuele vrijheid van de partijen bij de leningsovereenkomst beperkt.

B.6.3. Volgens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling beoogde de wetgever in hoofdzaak de kredietnemers die weinig ervaring hebben met het krediet, te beschermen tegen de onrechtmatige wederbeleggingsvergoedingen die door professionele geldschieters worden geëist.

In dat opzicht dient er rekening mee te worden gehouden dat de wetgever, met eenzelfde oogmerk, ook sommige categorieën van kredietnemers beschermt tegen het opleggen van overdreven wederbeleggingsvergoedingen, zelfs wanneer die kredietnemers geen lening hebben aangegaan in de zin van titel X van het Burgerlijk Wetboek.

Art. 12, § 1, vijfde lid van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet bepaalt dat de wederbeleggingsvergoeding die is verschuldigd door de schuldenaar die een dergelijk krediet vervroegd terugbetaalt, niet meer mag bedragen dan drie maanden interest. Art. 23 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet voorziet eveneens in een regulerend mechanisme voor de wederbeleggingvergoeding die de kredietgever kan eisen in geval van een vervroegde terugbetaling van het krediet door de consument. Hetzelfde geldt voor art. 27bis van dezelfde wet wanneer de consument ertoe wordt verplicht zijn krediet vervroegd terug te betalen.

Voorts beperkt art. 8, 2o van het KB nr. 225 van 7 januari 1936 “tot reglementeering van de hypothecaire leeningen en tot inrichting van de contrôle op ondernemingen van hypothecaire leeningen” het maximumbedrag van de wederbeleggingsvergoeding die door de hypothecaire kredietgever kan worden geëist, tot zes maanden interest.

B.6.4. Gelet op het door de wetgever nagestreefde doel is het verantwoord dat de beperking van de contractuele vrijheid, opgelegd bij de in het geding zijnde bepaling, niet werd uitgebreid tot de overeenkomsten voor een kredietopening die traditioneel worden gebruikt in zakenrelaties.

In de praktijk vertoont de overeenkomst voor de opening van een niet-wederopneembaar krediet weliswaar grote gelijkenissen met een leningsovereenkomst. Toch valt die daarmee niet helemaal samen, noch vanuit een juridisch oogpunt, noch vanuit een economisch oogpunt. De overeenkomst voor een kredietopening maakt het de gecrediteerde immers mogelijk de daadwerkelijke inbezitstelling van de fondsen en, bijgevolg, de betaling van interesten uit te stellen. Bovendien zou de aanvaarding, door de gecrediteerde, van een hoge wederbeleggingsvergoeding hem in staat kunnen stellen een meer voordelige interestvoet te verkrijgen.

In elk geval kunnen de gelijkenissen die tussen beide overeenkomsten bestaan, op zich de wetgever er niet toe verplichten de van het gemene verbintenissenrecht afwijkende maatregel, bepaald in art. 1907bis BW, uit te breiden tot elke soort van analoge overeenkomst, zonder rekening te houden met de bijzondere economische context waarin hij daarvan gebruik maakt.

De wetgever zou niet kunnen worden verweten bepaalde prioriteiten te hebben vastgelegd en van het gemene verbintenissenrecht alleen te hebben afgeweken teneinde de categorieën van kredietnemers te beschermen die hij vermocht te beschouwen als de zwaksten.

Gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de wetgever beschikt, zouden art. 10 en 11 van de Grondwet echter evenmin beletten dat hij de bescherming tegen overdreven hoge wederbeleggingsvergoedingen, vervat in art. 1907bis BW, uitbreidt tot de overeenkomsten voor een kredietopening.

B.6.5. Voor het overige dient te worden opgemerkt dat, in het raam van een overeenkomst voor een kredietopening, de gecrediteerde niet elke rechtsbescherming wordt ontzegd om misbruiken van de schuldeiser te bestrijden. Het is immers niet uitgesloten dat hij de aansprakelijkheid van zijn geldschieter in het geding kan brengen wanneer die laatste een kennelijk overdreven wederbeleggingsvergoeding eist.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 16/02/2014 - 14:21
Laatst aangepast op: ma, 10/03/2014 - 22:40

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.