-A +A

Matiging sanctie verduistering en heling nalatenschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 10/06/2015

Heling van erfgoederen is een burgerlijk misdrijf, waarop de sanctie staat van een private straf, die de vorm aanneemt van een rechtsverval, in die zin dat de erfgenaam die bedrieglijk goederen van de nalatenschap heeft weggemaakt of verborgen gehouden, al zijn rechten op de weggemaakte of verborgen gehouden goederen verliest.

Aangezien het geen strafrechtelijk misdrijf uitmaakt, komt de openbare orde niet in het gedrang, indien partijen transigeren over de gevolgen van de heling. Overigens zij, louter volledigheidshalve, opgemerkt dat met toepassing van art. 2046 BW ook een dading kan worden aangegaan over de burgerlijke gevolgen die uit een misdrijf ontstaan.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1309
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

H.V. t/ H.G.

...

Beoordeling ten gronde

3. Het voorwerp van de discussie is in essentie beperkt tot de kwestie of de sanctie op heling – die de notaris-vereffenaar principieel van toepassing achtte (en waartegen als zodanig ook door geen van de partijen enig bezwaar werd aangevoerd, zoals ook de eerste rechter terecht heeft vastgesteld) – betrekking heeft op de totaliteit van de geheelde goederen voor een totaalbedrag van 311.372,46 euro in hoofdsom, dan wel ingevolge een zgn. deelakkoord is beperkt tot de som van 71.547,79 euro, welk bedrag niet voorafgaandelijk aan de notaris-vereffenaar (notaris B.) was teruggestort.

4. Inzet van de procedure is de (door appellant betwiste) staat van vereffening, waarin de sanctie bedoeld in art. 792 BW werd beperkt tot het gedeelte van de opbrengst van de achtergestelde certificaten dat door geïntimeerde voorafgaandelijk nog niet was afgerekend; meer bepaald houdt dit in dat de sanctie op heling zich slechts zou uitstrekken tot een bedrag van 71.547,79 euro.

Volgens appellant strekt de sanctie zich uit tot de volledige opbrengst van de bewuste certificaten. Dit zou impliceren dat geïntimeerde zijn recht verliest op het volledige tegoed van 306.966,73 euro inbegrepen de 239.813,78 euro die reeds beschikbaar was bij de notarissen-vereffenaars.

Om die reden liet appellant akte nemen van zijn beweringen en bezwaren.

Het antwoord van de notarissen-vereffenaars op deze bezwaren luidt dat er een deelakkoord bestond, opgenomen in het proces-verbaal van 4 juli 2011, luidens welk de discussie zich beperkte tot de som van 71.547,79 euro, zijnde het aandeel dat door geïntimeerde nooit is teruggestort. Dit zou tevens het akkoord inhouden dat de rest van de te verdelen nalatenschap toekomt aan beide partijen, elk voor de helft.

Dit standpunt wordt ook gedeeld door de eerste rechter en door geïntimeerde, die de bevestiging vraagt van het bestreden vonnis.

5. Er bestaat geen betwisting meer over de toepassing van de sanctie op heling zelf, zodat het hof de onderscheiden argumenten van partijen in dat verband niet dient te ontmoeten.

In dat verband zij nog opgemerkt dat geïntimeerde:

– als zodanig geen akte heeft laten nemen van een bezwaar tegen de toepassing van de sanctie op heling, zoals ook de eerste rechter heeft overwogen in het bestreden vonnis (waarbij dient opgemerkt te worden dat het door geïntimeerde geuite voorbehoud in briefwisseling van zijn raadsman aan de notaris geen afbreuk vermocht te doen aan zijn plicht om in voorkomend geval akte te laten nemen van een principieel bezwaar, opdat hij later de heling eventueel nog zou kunnen betwisten);

– niet aanvoert dat het proces-verbaal van de notaris van een eventueel bezwaar in dat verband geen of niet correct akte zou hebben genomen;

– geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld;

– op vraag van het hof ter zitting van 26 mei 2015, zelf heeft verklaard het bestreden vonnis zonder voorbehoud te hebben uitgevoerd, wat inhoudt dat geïntimeerde in dit vonnis heeft berust.

6. De discussie betreft enkel de omvang van deze sanctie.

In de regel strekt de helingssanctie zich uit tot de totaliteit van de geheelde goederen (onverminderd de eventuele afrekening van de intresten/vruchten die de verduisterde goederen konden opbrengen sinds de datum van de verduistering).

In dit geval rijst de vraag of deze sanctie op consensuele gronden is beperkt en of dit akkoord grondslag vindt in het proces-verbaal van 4 juli 2011.

7. Uitgangspunt is het bewuste proces-verbaal van 4 juli 2011 houdende “voortzetting en sluiting van voorbereidende werkzaamheden”. Dit betreft geen partij-akte, maar een zgn. proces-verbaal-akte.

In tegenstelling tot een partij-akte, waar de partijen zelf een rechtshandeling aangaan en de notaris slechts zijn ambt verleent om hieraan authenticiteit te verlenen, is een proces-verbaal-akte van een andere orde. De notaris laat het proces-verbaal niet dicteren door de partijen; aangezien hij optreedt vanuit zijn gerechtelijk mandaat, stelt de notaris deze akte zelf op.

Partijen kunnen evenwel ook onderling een akkoord sluiten in het raam van een gerechtelijke vereffening en verdeling. Art. 819 BW bepaalt dat, wanneer alle erfgenamen aanwezig zijn en meerderjarig, de verdeling van de goederen van de nalatenschap kan geschieden in zodanige vorm en bij zodanige akte als de belanghebbende partijen dienstig oordelen.

Een dergelijke overeenkomst (“deelakkoord”) is bindend tussen de partijen met toepassing van art. 1134, eerste lid BW voor zover dit akkoord niet behept is met wilsgebreken (of andere gronden van nietigheid of verval). De regels inzake vereffening en verdeling zijn immers niet van openbare orde noch van dwingend recht.

Een dergelijk akkoord kan ook worden opgenomen in een proces-verbaal-akte in het raam van de procedure houdende gerechtelijke vereffening en verdeling.

8. Niets staat er bovendien in beginsel aan in de weg dat een erfgenaam-slachtoffer van heling de sanctie niet inroept of, a fortiori, deze sanctie beperkt.

Heling van erfgoederen is een burgerlijk misdrijf, waarop de sanctie staat van een private straf, die de vorm aanneemt van een rechtsverval, in die zin dat de erfgenaam die bedrieglijk goederen van de nalatenschap heeft weggemaakt of verborgen gehouden, al zijn rechten op de weggemaakte of verborgen gehouden goederen verliest.

Aangezien het geen strafrechtelijk misdrijf uitmaakt, komt de openbare orde niet in het gedrang, indien partijen transigeren over de gevolgen van de heling. Overigens zij, louter volledigheidshalve, opgemerkt dat met toepassing van art. 2046 BW ook een dading kan worden aangegaan over de burgerlijke gevolgen die uit een misdrijf ontstaan.

9. Het is aan geïntimeerde, die de uitvoering van een verbintenis (nl. het beweerde deelakkoord) vordert, om het bestaan hiervan te bewijzen, met toepassing van art. 1315, eerste lid BW.

Het bewuste proces-verbaal van 4 juli 2011 en het hierin opgenomen (door geïntimeerde aangevoerde en door appellant betwiste) “akkoord” dient, gelet op de aard van de betwisting, voorwerp uit te maken van interpretatie. Deze interpretatie moet rekening houden met het gegeven dat de notaris hier zijn ambt niet verleent, zoals bij een partij-akte (waar de partijen zelf het voortouw nemen en eigenlijk per definitie vragen akte te verlenen van hun akkoord), maar optreedt als gerechtelijke mandataris en dus eigenlijk zelf de pen houdt. Feit is immers dat, abstractie makend van het bewuste proces-verbaal, geen onderhands of ander document voorligt waaruit blijkt dat partijen een akkoord, laat staan een dading zouden zijn aangegaan, ter beperking van de sanctie op heling.

10. Uit de elementen van het dossier en de stukken van partijen leidt het hof af dat:

– appellant zich burgerlijke partij had gesteld voor de strafrechter en aldaar één euro provisionele schadevergoeding had bekomen, kennelijk met het oog op de erkenning van zijn rechten en de verdere afwikkeling daarvan in de vereffening en verdeling;

– appellant ook ten overstaan van de notarissen-vereffenaars duidelijk had gemaakt zich te beroepen op de sanctie op heling en tevens op het wettelijke principe dat deze sanctie zich uitstrekt tot de totaliteit van geheelde goederen (c.q. de opbrengstwaarde daarvan);

– appellant, bij monde van zijn raadsman, aan de (raadsman van) geïntimeerde liet weten dat een minnelijke verdeling onmogelijk was;

– appellant in een nota vereffening en verdeling (daterend van mei 2011, zonder vermelding van een specifieke dag) stelde dat geïntimeerde nog de som van 119.243,79 euro was verschuldigd, in acht genomen de “betaling” in handen van notaris B. op 7 februari 2008 ten bedrage van 239.813,78 euro.

In het proces-verbaal wordt bovendien op generlei wijze verwezen naar de sanctie op heling (noch naar de strafrechtelijke veroordeling van geïntimeerde): nergens in het bewuste proces-verbaal staat te lezen dat appellant afstand doet van enig recht (als correlatief van het rechtsverval dat de civiele heler treft), waarover hij alsdan principieel – minstens in de kiem – reeds beschikte.

Feit is trouwens dat de notarissen-vereffenaars zich alsdan nog niet hadden moeten uitspreken over de sanctie op heling (wat naderhand overigens wel gebeurde), omdat de heling als zodanig nog niet formeel aan bod was gekomen.

11. Het standpunt van geïntimeerde (en dus ook van de notarissen-vereffenaars) komt neer op een (zij het gedeeltelijke) afstand van rechten.

Minstens beschikte appellant alsdan immers reeds over een eventueel recht, gelet op (a) het strafrechtelijk gewijsde; (b) zijn principieel gegrond verklaarde burgerlijke vordering ten aanzien van geïntimeerde; (c) zijn nota van mei 2011, voorafgaand aan het proces-verbaal houdende voortzetting en sluiting van voorbereidende werkzaamheden van 4 juli 2011, waarin zijn aanspraken werden geformuleerd. Dit geldt des te meer, aangezien in het proces-verbaal van opening werkzaamheden van 9 mei 2011 (waarvan het proces-verbaal van 4 juli 2011 toch de voortzetting vormde) op uitvoerige wijze het standpunt van appellant wordt uiteengezet, met de melding dat appellant niet wenste te onderhandelen over de toepassing van art. 792 BW.

Afstand van recht wordt evenwel niet vermoed en moet strikt geïnterpreteerd worden: een afstand van recht kan slechts worden afgeleid uit feiten die niet voor een andere interpretatie vatbaar zijn. Een stilzwijgende afstand van een recht is mogelijk, maar de strikte uitlegging ervan – dat een algemeen rechtsbeginsel uitmaakt – betekent dat deze enkel afgeleid kan worden uit een houding of gedraging die voor geen andere interpretatie vatbaar is.

Naar het oordeel van het Hof kan in redelijkheid niet worden volgehouden dat de bewoordingen van het bewuste proces-verbaal voor geen andere interpretatie (dan die van geïntimeerde en van de notarissen-vereffenaars, hierin bijgevallen door de eerste rechter) vatbaar zouden zijn. De zinnen “Blijft nog de discussie tussen partijen over een tekort van 71.547,49 euro, reeds ontvangen door de heer G.H. uit de verkoop van effecten in Luxemburg. Wat deze laatste discussie betreft komen partijen thans niet tot een akkoord” wijzen immers niet noodzakelijk op een deelakkoord, in de interpretatie die (geïntimeerde en) de notarissen-vereffenaars (hierin bijgevallen door de eerste rechter) hieraan geven. Deze bewoordingen kunnen evenzeer betrekking hebben op de (weder)samenstelling van het – roerend – actief van de nalatenschap(pen), waarvan in hetzelfde proces-verbaal een overzicht werd gegeven (en waar op een totaal beschikbaar bedrag wordt uitgekomen van 306.966,73 euro). Dit geldt overigens des te meer, aangezien het bewuste proces-verbaal te situeren is in de fase van opening van werkzaamheden (de eerste stap in de gerechtelijke verdeling), waarvan de voornaamste bedoeling bestaat in het verzamelen van inlichtingen en gegevens over de samenstelling van de boedel, wat een fundamentele vereiste is om naderhand de staat van vereffening te kunnen opstellen.

Deze zinnen zijn dus niet eenduidig te interpreteren als een deelakkoord, in de uitleg die de notarissen-vereffenaars, hierin gevolgd door de eerste rechter, eraan geven. Uit de mogelijk onduidelijke of dubbelzinnige formulering door de notarissen-vereffenaars kan alleszins niet de gevolgtrekking worden afgeleid dat appellant plots afstand zou hebben gedaan van een substantieel bedrag, waarop hij alsdan principieel aanspraak kon maken (zie supra). Het Hof besluit dan ook dat het bestaan van een deelakkoord, waarbij de sanctie op heling beperkt zou blijven tot de som van 71.547,79 euro, niet afdoende bewezen voorkomt.

12. Het bestreden vonnis wordt bijgevolg hervormd.

Het hoger beroep is gegrond.

13. De zaak wordt teruggestuurd naar de notarissen-vereffenaars, met het oog op de aanpassing van hun staat van vereffening.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/05/2017 - 11:13
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 11:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.