-A +A

Mandaat ad litem van de advocaat in administratieve procedures

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
woe, 22/12/2010

Het Gerechtelijk Wetboek maakt zonder uitdrukkelijke verwijzing niet het gemene recht uit voor de rechtspleging van de administratieve rechtscolleges.Maar de bepalingen van het burgerlijk procesrecht dienen wel als aanvullend recht beschouwd te worden wanneer voor een bepaald aspect van de procesvoering voor een administratief rechtscollege geen eigen regeling bestaat én de toepassing van die bepalingen verenigbaar is met de specifieke rechtspleging van het administratief rechtscollege; dat de beginselen die aan alle rechtsbedelingen gemeen zijn en die aan de grond liggen van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, ook op de administratieve rechtscolleges van toepassing zijn.

Ten deze werden de regels van het mandaat ad litem van de advocaat zoals ingeschreven in artikel 44, tweede lid,van het gerechtelijk wetboek, rechtstreeks toegepast in een administratieve procedure vreemdelingenrecht. Deze regeling werd door de raad van state aanzien als van suppletief recht en aldus ook van toepassing op de rechtspleging bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Aldus wordt de advocaat die voor dit administratief rechtscollege verschijnt geacht gemachtigd te zijn door de partij voor wie hij optreedt, zonder daarvan het bewijs te moeten leveren. Het vermoeden van een regelmatig mandaat is een vermoeden iuris tantum (weerlegbaar vermoeden). De de bewijslast van de ontstentenis van het mandaat berust bij degene die het mandaat betwist en niet bij de betrokken advocaat. De advocaat kan niet verplicht worden om ook maar enige verduidelijking bij te brengen aangaande eventuele contacten tussen hem en de verzoeker”.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
614
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

X t/ Belgische Staat

Arrest nr. 210.056

Overwegende dat art. 440 Ger.W. als volgt luidt:

“Voor alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, hebben alleen de advocaten het recht te pleiten.

De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist”.

Overwegende dat die bepaling als zodanig op de rechtscolleges van de rechterlijke orde maar niet op administratieve rechtscolleges van toepassing is; dat het Gerechtelijk Wetboek zonder uitdrukkelijke verwijzing ook niet het gemene recht vormt voor de rechtspleging van de administratieve rechtscolleges; dat de bepalingen van het burgerlijk procesrecht wel als aanvullend recht kunnen worden beschouwd wanneer voor een bepaald aspect van de procesvoering voor een administratief rechtscollege geen eigen regeling bestaat én de toepassing van die bepalingen verenigbaar is met de specifieke rechtspleging van het administratief rechtscollege; dat de beginselen die aan alle rechtsbedelingen gemeen zijn en die aan de grond liggen van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, ook op de administratieve rechtscolleges van toepassing zijn.

Overwegende dat de partijen zich voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van art. 39/56 van de Vreemdelingenwet mogen laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van stagiairs zijn ingeschreven; dat daarin niets is bepaald over een volmacht waarover die raadslieden zouden moeten beschikken; dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is geworden, uitdrukkelijk van “de regels van het mandaat ad litem” wordt gesproken (Parl.St. Kamer 2005-06, nr. 51K2479/001, p. 131); dat het in art. 440 Ger.W. vastgelegde beginsel derhalve niet onverenigbaar is met de rechtspleging bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en er dus op van toepassing is.

Overwegende dat uit art. 440, tweede lid, Ger.W. volgt dat de advocaat wordt geacht gemachtigd te zijn door de partij voor wie hij optreedt, zonder daarvan het bewijs te moeten leveren; dat de advocaat desgevraagd kan volstaan met de bevestiging dat hij die bepaalde opdracht heeft; dat het mandaat ad litem betrekking heeft op het voeren van een rechtsgeding, zodat de advocaat bij de uitvoering van dat mandaat alle handelingen kan stellen die nodig lijken om dat geding tot een goed einde te brengen; dat het vermoeden van een regelmatig mandaat weerlegbaar is, maar dat de bewijslast berust bij degene die zulks betwist en niet bij de betrokken advocaat.

Overwegende dat de bewijslast betreffende het mandaat ad litem wordt geschonden in zoverre in het bestreden arrest wordt vastgesteld dat de dominus litis niet bewijst dat hij nog steeds instructies van zijn cliënt heeft om in rechte op te treden “aangezien hij weigert om ook maar enige verduidelijking bij te brengen aangaande eventuele contacten tussen hem en de verzoeker”; dat de advocaat niet het bewijs moet leveren dat hij nog gemachtigd is maar kan volstaan met de bevestiging dat hij nog met een mandaat is belast; dat de bewijslast van het tegendeel ligt bij degene die het mandaat betwist; dat de contacten tussen de advocaat en zijn cliënt onder het beroepsgeheim vallen.

Overwegende, in zoverre in het bestreden arrest wordt vastgesteld dat “het vermoeden van het mandaat ad litem wordt tenietgedaan door de periode die is verlopen tussen het tijdstip van de repatriëring, namelijk 21 juli 2009, en de datum van de terechtzitting, namelijk 9 oktober 2009”, dat het tijdsverloop sedert de repatriëring op zichzelf niet aantoont dat de advocaat zonder regelmatige opdracht van de verzoekende partij handelt; dat een advocaat overigens ook iemand die gerepatrieerd is of in het buitenland verblijft kan vertegenwoordigen.

Overwegende dat het bestreden arrest aldus met schending van art. 440, tweede lid, Ger.W. is genomen; dat het enige middel in die mate gegrond is.

Noot: 

Dirk De Bruyn, De toepassing van het mandaat ad litem voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, noot gepubliceerd onder voormeld arrest in het RW

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 20/11/2011 - 12:13
Laatst aangepast op: vr, 22/05/2015 - 18:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.