-A +A

Managementvergoeding en aftrekbaarheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 23/12/2014

Wanneer de fiscus stelt dat er simulatie voorhanden is, omdat niet bewezen is dat werkelijk managementstaken werden uitgevoerd, dient de belastingsplichtige aan te tonen dat de voorwaarden voorzien bij het artikel 49 WIB 1992 voor de aftrekbaarheid van de managementvergoeding vervuld zijn. Zo de administratie niet vermag te oordelen over de opportuniteit of het nut van een uitgave, of nog over de wijze waarop de appellante haar activiteit organiseert, is het de administratie toch mogelijk aan te voeren dat niet is aangetoond dat de beweerde uitgave werkelijke prestaties vergoedt en derhalve niet voldoet aan de aftrekbaarheidsvoorwaarden van artikel 49 WIB 1992. Dit is toch niet meer dan toezicht uitoefenen op de naleving van de fiscale wet. Hierbij is de administratie niet verplicht simulatie aan te voeren.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/10
Pagina: 
736
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Belgische Staat / A. NV)

1.
(…)

2.
Voor elk van de betwiste aanslagjaren 1998 en 1999 heeft de administratie telkens de aftrek als beroepskost van een bedrag van 4.500.000 BEF (111.552,09 EUR) verworpen als liberaliteit.

Het bedrag van 4.500.000 BEF (111.552,09 EUR) is de jaarlijkse vergoeding voorzien in een schriftelijke overeenkomst gedateerd 1 maart (1996) (zie het stuk 437 van de geïntimeerde de Belgische Staat). Die overeenkomst werd gesloten tussen de appellante A. NV en F. BVBA en heeft de volgende inhoud:

“MANAGEMENTOVEREENKOMST

Tussen de ondergetekenden:

De vennootschap A. NV met maatschappelijke zetel: (…), hierbij vertegenwoordigd door Dhr. G.D., hierna genoemd de opdrachtgever';

en

de vennootschap F. BVBA met maatschappelijke zetel: (…), hierbij vertegenwoordigd door Dhr. Ch.P., hierbij genoemd de manager';

zijn overeengekomen hetgeen volgt:

De manager verbindt er zich toe ten dienste van de opdrachtgever alle opdrachten uit te voeren, die overeenkomen met de doelstellingen vermeld in de oprichtingsakte van de opdrachtgever.

Deze opdrachten zullen namens de manager uitgevoerd worden.

De manager zal in naam en voor rekening onbeperkt verbintenissen kunnen aangaan.

De manager zal deze opdracht uitvoeren volgens zijn wensen en inzichten. Hij zal zijn standpunten en beslissingen rapporteren aan A.

Deze overeenkomst wordt gesloten met onbepaalde duur op 1 maart 1996.

Zij kan door de manager op ieder ogenblik worden opgezegd mits een opzeggingstermijn van 3 maanden. Indien de overeenkomst wordt opgezegd door de opdrachtgever, voor het einde van het vierde jaar zal een vergoeding van 1.500.000 BEF verschuldigd zijn.

De opdrachtgever zal de manager een vergoeding verschuldigd zijn van 4.500.000 BEF per jaar. Deze vergoeding zal om economische redenen, mits bespreking tussen partijen kunnen gewijzigd worden via een bijlage aan huidige overeenkomst.

Aan deze overeenkomst komt van rechtswege een einde in geval van overlijden, faillissement of kennelijk onbekwaamheid van de manager.

De overeenkomst zal niet kunnen ontbonden worden wanneer de manager gedurende een lange tijd niet in staat is zijn opdracht uit te voeren ingevolge ziekte of ongeval. De manager kan de ontbinding van de overeenkomst inroepen in geval van faillissement van de opdrachtgever.

Onderhavig overeenkomst wordt beheerst door het Belgisch recht.”

De geïntimeerde stelt niet dat er simulatie voorhanden is, maar is van oordeel dat niet bewezen is dat door F. BVBA werkelijk managementstaken werden uitgevoerd.

De appellante dient aan te tonen dat de voorwaarden voorzien bij het artikel 49 WIB 1992 voor de aftrekbaarheid van de managementvergoeding vervuld zijn. Zo de administratie niet vermag te oordelen over de opportuniteit of het nut van een uitgave, of nog over de wijze waarop de appellante haar activiteit organiseert, is het de administratie toch mogelijk aan te voeren dat niet is aangetoond dat de beweerde uitgave werkelijke prestaties vergoedt en derhalve niet voldoet aan de aftrekbaarheidsvoorwaarden van artikel 49 WIB 1992 (vgl. bv. o.m. ook met Cass. 6 oktober 1964, Pas. 1965, I, p. 122). Dit is toch niet meer dan toezicht uitoefenen op de naleving van de fiscale wet. Hierbij is de administratie niet verplicht simulatie aan te voeren.

Er moet worden vastgesteld dat een zekere Ch.P. werd aangesteld als bestuurder van de NV A., en dat hij bovendien werd benoemd tot gedelegeerd bestuurder van de NV A. (zie de stukken 100-101 van de geïntimeerde). Dezelfde Ch.P. is ook (enige) vennoot en statutaire zaakvoerder van F. BVBA, door hem opgericht in februari 1996 (zie het stuk 340 van de geïntimeerde).

Er liggen geen stukken voor van de managementactiviteiten van F. BVBA met betrekking tot de betrokken aanslagjaren. Hierbij zou F. BVBA normalerwijze moeten handelen door haar orgaan Ch.P. Nu hij echter ook orgaan is van de appellante, bemoeilijkt dit evenwel voor de appellante het bewijs van de activiteit van F. BVBA, nu zij op een of andere wijze zou duidelijk moeten maken in welke hoedanigheid Ch.P. telkens handelt bij de door hem binnen de appellante uitgeoefende activiteit, nl. als gedelegeerd bestuurder van de appellante, dan wel als zaakvoerder van F. BVBA.

Hierbij mag verwacht worden dat voor de betwiste aanslagjaren toegekende jaarvergoeding van 4.500.000 BEF (111.552,09 EUR) toch een activiteit van zeker belang zal worden ontwikkeld, en dus bij reële activiteit van (of namens) F. BVBA die activiteit toch op een of andere wijze in min of meer belangrijke mate tot uiting zou moeten komen, wat te dezen niet het geval is.

Zo legt de appellante drie stukken voor (3, 4 en 5) waarin Ch.P. wordt betiteld als “managing director”, maar hiermee staat alles behalve vast dat hij hierbij de hoedanigheid heeft van orgaan van F. BVBA, van dewelke nergens melding wordt gemaakt. En zelfs indien men nog zou aanvaarden dat hij hierbij deze hoedanigheid heeft, zijn deze enkele documenten toch niet toereikend om aan te tonen dat F. BVBA de veronderstelde belangrijke activiteit binnen de appellante zou hebben uitgeoefend voor de besproken aanslagjaren.

De appellante bewijst niet dat het F. BVBA was die daadwerkelijk (via haar zaakvoerder) het management van de appellante waarnam en niet Ch.P. in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de appellante.

Zo de appellante tal van stellingen weergeeft in conclusie, en bijvoorbeeld stelt dat het F. BVBA was die de dagdagelijkse operationele leiding waarnam met rapportering van de standpunten en beslissingen aan de opdrachtgever, wordt dit niet aangetoond, en niet eens waarschijnlijk gemaakt. De werkelijkheid van de prestaties volgt te dezen niet uit de voorlegging van de managementovereenkomst, de facturen (die geen enkele vorm van detail bevatten, terwijl de verwijzing naar de managementovereenkomst, die zelf zeer vaag is qua door de manager te leveren prestaties, ook niet voor gedetailleerd kan doorgaan) en de loutere beweringen van de appellante.

Dit gebrek aan bewijs van de werkelijkheid van prestaties wordt ook niet weerlegd door het feit dat volgens de appellante de btw-administratie de facturen niet zou hebben verworpen (er moet ook opgemerkt worden dat de btw-administratie het vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 49 WIB 1992 hoe dan ook niet beoordeelt). De vraag of een bepaalde kost al dan niet een beroepskost is, en meer bepaald of de kost voldoet aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 1992, betreft bovendien het recht en niet de feiten. De beginselen van behoorlijk bestuur kunnen te dezen dan ook niet ingeroepen om de toepassing van de fiscale wet te verhinderen.

Er wordt ook nergens een hanteerbaar onderscheidingscriterium gesteld tussen de bevoegdheden van Ch.P. als gedelegeerd bestuurder en F. BVBA (“manager” volgens de managementovereenkomst). De bevoegdheid van de manager wordt in de managementovereenkomst eerder vaag en ruim geformuleerd (“alle opdrachten uit te voeren, die overeenkomen met de doelstellingen vermeld in de oprichtingsakte van de opdrachtgever”).

Als gedelegeerd bestuurder vermocht Ch.P. per definitie het dagelijks bestuur waar te nemen (zie onder meer art. 14 van de statuten, stuk 75 van de geïntimeerde; art. 63, eerste lid, Titel IX, W.Kh. geldend ten tijde van de oprichting van de appellante; thans art. 525 W.Venn.). Uit niets is af te leiden (zie bv. de benoemingsbeslissing d.d. 11 mei 1998, stuk 101 van de geïntimeerde) dat de bevoegdheden van de gedelegeerd bestuurder op een of andere wijze beperkt werden, zodat de stelling van de appellante dat de gedelegeerd bestuurder enkel externe vertegenwoordigingsbevoegdheid zou hebben niet kan gevolgd worden. Er is noodzakelijkerwijze overlapping van de bevoegdheden van de gedelegeerd bestuurder en de bevoegdheden volgens de managementovereenkomst toegekend aan F. BVBA.

Gelet op hetgeen voorafgaat is de werkelijkheid van de door F. BVBA gefactureerde prestaties niet bewezen, zodat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 1992 nodig om de managementvergoeding als beroepskost te kunnen beschouwen.

OP DEZE GRONDEN

HET HOF,

rechtdoende op tegenspraak,

(…)

 

Noot: 

Bellens, A., « Het essentieel verband tussen het bewijs van de managementprestaties en de managementvergoedingen », R.A.B.G., 2015/10, p. 727-729

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 09/07/2017 - 12:21
Laatst aangepast op: zo, 09/07/2017 - 12:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.