-A +A

Machtsafwending van de burgemeester bij toelating tot verderzerzetten van onvergunde bouwwerken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 28/06/2011

De burgemeester dient een bevel tot staking van onvergunde bouwwerken te respecteren. Hij heeft noch de macht, noch de bevoegdheid te beslissen dat deze werken zelfs in een beperkte mate kunnen worden verdergezet.  Art. 133 en 135, § 5 van de toepasselijke Nieuwe Gemeentewet die de burgemeester toelaat maatregelen tot ordehandhaving te nemen, kan zeker niet in die zin gelezen worden. Doet hij dit toch dan is hij een strafbare deelnemer aan het wanbedrijf in de zin van art. 146, eerste lid, 5° van het toepasselijke decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.

Machtsafwending door de burgemeester is een handeling gesteld buiten het ambt van de burgemeester en geen handeling als orgaan van de gemeente. De burgemeester die zich schuldig maakt aan machtsafwending draagt derhalve de persoonlijke strafrechtelijke en burgerrechtijke verantwoordelijkheid voor zijn daden en zal zoals ten deze persoonlijk moeten instaan voor de betaling van de in art. 156, § 1 van het toepasselijke decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bedoelde administratieve geldboete.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weelblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
1628
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D. t/ Vlaams Gewest

...

II. Relevante elementen

1. Op 22 augustus 2006 beveelt een daartoe bevoegde hoofdinspecteur bij de politiediensten te M., in de lijn van een proces-verbaal van vaststelling van 21 augustus 2006, met toepassing van art. 154, eerste lid van het toepasselijke decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), de staking van bouwwerkzaamheden die aan de gang zijn te M. Het gaat meer precies om werkzaamheden (door toedoen van aannemer V.) tot onderkeldering van een terras aan zowel de voorzijde als de achterzijde van de bedoelde woning, eigendom van bouwheren V.-F. Aan zowel de voorzijde (3 meter op 18 meter) als de achterzijde (6 meter op 11 meter) van de woning blijkt een ongeveer 2 meter diepe put te zijn gegraven waarin een muur in betonsteen wordt opgetrokken, een en ander zonder een daartoe vereiste stedenbouwkundige vergunning.

Van het bevel tot staking wordt (via bouwheren V.-F./mondeling) dezelfde dag aan de eiser, (alsdan) burgemeester te M., kennis gegeven. Een faxbericht (via de politiediensten te M.) volgt op 24 augustus 2006.

Op 6 september 2006 bekrachtigt de daartoe bevoegde stedenbouwkundige inspecteur, met toepassing van art. 154, vijfde lid DRO, het bevel tot staking. De bekrachtiging wordt dezelfde dag aan de eiser bezorgd.

2. Blijkens het proces-verbaal van 3 mei 2007 is het bevel tot staking doorbroken, omdat nadien de bedoelde put aan zowel de voorzijde als de achterzijde van de woning met gewelven (op de ondersteuningsmuren) is bedekt en vervolgens is dichtgegoten met beton.

Onderzoek leert dat de bedekking met gewelven heeft plaatsgevonden op 22-24 augustus 2006 in opdracht van bouwheren V.-F. door toedoen van aannemer V., zij het onder impuls van de eiser. Het dichtgieten met beton zou later hebben plaatsgevonden. Verder zouden geen werken (zoals de afwerking van de gewelven met bevloering, de afwerking tussen de onderkeldering en de woning en de grondwerken rondom de onderkeldering) meer hebben plaatsgevonden.

III. Bestreden dwangbevel

Bij aangetekende brief van 30 oktober 2007 legt de daartoe bevoegde rekenplichtige van het Herstelfonds, met toepassing van art. 156, § 1 DRO, aan de eiser een administratieve geldboete op van 5.000 euro.

Bij beslissing van 13 december 2007 verwerpt de stedenbouwkundige inspecteur het door de eiser tegen voormelde beslissing (bij aangetekende brief van 17 november 2007) ingestelde beroep.

Omdat de eiser de hem opgelegde administratieve geldboete niet voldoet, volgen een dwangbevel van 25 maart 2008 en een betekening-bevel op 3 april 2008.

IV. Vordering

Bij dagvaarding van 5 mei 2008 verzet de eiser zich tegen het dwangbevel en (voor zover als nodig) de onderliggende beslissingen van 30 oktober 2007 en 13 december 2007, met het oog op de nietigverklaring ervan.

De verweerder neemt conclusie tot afwijzing van deze vordering.

V. Beoordeling

1. Met de verweerder is de beslagrechter van oordeel dat het bedoelde verzet geenszins kan slagen.

2. Krachtens art. 156, § 1 DRO wordt een administratieve geldboete van 5.000 euro opgelegd aan de persoon die handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de stedenbouwkundige inspecteur bekrachtigd bevel tot staking (in de zin van art. 154, vijfde lid DRO).

De eiser heeft, wars van het bevel tot staking waarvan hem op 22 augustus 2006 kennis is gegeven, beslist dat de werken beperkt (enkel wat betreft de stutting met gewelven op de ondersteuningsmuren) konden worden verdergezet (al dan niet in afwachting van het resultaat van een gebeurlijke stedenbouwkundige regularisatie), beweerdelijk (zij het achteraf) wegens de gevaarlijke situatie (inzonderheid de putten) die maakte dat bouwheren V.-F. hun woning niet meer behoorlijk konden betreden. Deze werkzaamheden tot stutting met gewelven op de ondersteuningsmuren blijken op 22-24 augustus 2006 (in opdracht van bouwheren V.-F. door toedoen van aannemer V.) te hebben plaatsgevonden).

Het enkele gegeven dat het bevel tot staking alsdan nog niet was bekrachtigd door de stedenbouwkundige inspecteur, neemt de miskenning van art. 156, § 1 DRO niet weg. De bekrachtiging is er gekomen. De zienswijze van de eiser als zou het bevel tot staking in afwachting van de al dan niet bekrachtiging door de stedenbouwkundige inspecteur zonder meer kunnen worden doorbroken, kan niet dienen. Een dergelijke zienswijze zou art. 156, § 1 DRO zinledig maken.

Dat na 22-24 augustus 2006 alsnog (en gebeurlijk los van de beslissing van de eiser) werken hebben plaatsgevonden (het dichtgieten met beton), neemt de reeds voorliggende miskenning van art. 156, § 1 DRO evenmin weg. Het door de eiser gemaakte onderscheid tussen de werken op 22-24 augustus 2006 en de latere werken speelt niet.

De eiser moet voorts inzien dat, gelet op art. 146, eerste lid, 5o DRO, het doorbreken van een bevel tot staking een wanbedrijf uitmaakt en dat, gelet op art. 147 DRO, hoofdstuk VII van boek I van het Strafwetboek (betreffende de strafbare deelneming) van toepassing is.

Gelet op de beslissing van de eiser om het bevel tot staking te doorbreken, kan hij als strafbare deelnemer worden beschouwd. De eiser is niet noodzakelijk een materiële uitvoerder, maar wel een rechtstreekse en doelbewuste uitlokker. Gelet op zijn beslissing is het bevel tot staking doorbroken.

De eiser beroept zich a posteriori op de mogelijkheid om als burgemeester (belast met de uitvoering van politieregelgeving) krachtens art. 133 en 135, § 2 van de toepasselijke Nieuwe Gemeentewet (op eigen gezag, ook indien geen politiereglement voorligt) concrete maatregelen tot ordehandhaving te nemen. Anders dan de eiser wil voordoen, betwist de verweerder dit, en terecht.

Daar de krachtens deze artikelen aan de burgemeester verleende bevoegdheid in concurrentie kan komen met een bevel tot staking in de zin van art. 154, eerste en vijfde lid DRO, bewijst de eiser allerminst bij het nemen van de litigieuze beslissing (dat de werken beperkt konden worden verdergezet) binnen de lijnen van art. 133 en 135, § 2 van de toepasselijke Nieuwe Gemeentewet te hebben gehandeld. Enig geschrift (met een motivering in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen) ontbreekt. Op die manier ontneemt de eiser de daartoe bevoegde mechanismen (zoals de stedenbouwkundige inspecteur en deze rechtbank) afdoende mogelijkheden tot controle. Was de a posteriori beweerde gevaarlijke situatie wel degelijk voorhanden? Waarom heeft de eiser de beweerde gevaarlijke situatie inderdaad niet onmiddellijk maar slechts a posteriori te berde gebracht? De bedoelde bevoegdheid van de burgemeester kan, (zeker) wanneer zij botst met een bevel tot staking, overigens zeer marginaal worden uitgeoefend. Alternatieven, andere (voorlopige) maatregelen en de in art. 154, zesde lid DRO bedoelde bijzondere procedures zouden moeten zijn gecheckt en niet kunnen dienen. Een en ander blijkt niet.

Hoe dan ook blijkt de litigieuze beslissing dat de werken beperkt konden worden verdergezet, opdat zij zich binnen de lijnen van art. 133 en 135, § 2 van de toepasselijke Nieuwe Gemeentewet zou kunnen situeren, een afdoende feitelijke grondslag (precieze vaststellingen op het terrein, een plaatsbezoek of een geschreven verslag) en een zorgvuldige voorbereiding te ontberen. En, zoals gezegd, ontbreekt een geschrift met een motivering (afdoende feitelijke en juridische overwegingen) in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Daar de litigieuze beslissing voorhanden is, laat de rechter ze derhalve buiten toepassing (art. 159 Gw.).

Uit voormelde redengeving vloeit tot slot voort dat de eiser zijn macht heeft overschreden en zelfs afgewend. Hij handelde buiten zijn ambt en zodoende geenszins als orgaan van de gemeente M. Hij dient ten aanzien van de verweerder persoonlijk in te staan voor de betaling van de administratieve geldboete (een gebeurlijke recuperatie door de eiser bij de gemeente M. buiten beschouwing gelaten).

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 02/06/2013 - 11:10
Laatst aangepast op: zo, 02/06/2013 - 11:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.