-A +A

Loyaliteitsbeginsel tijdens de procedure bij wijziging woonplaats

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 27/11/2014
A.R.: 
C.13.0466.F

Artikel 38, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek legt het openbaar ministerie enkel op de nodige maatregelen te nemen die het redelijkerwijs kan aanwenden om de geadresseerde van de betekende akte te lokaliseren.

Een partij die in de loop van een rechtspleging van woonplaats of verblijfplaats verandert, dient de overige partijen in het geding daarvan in te lichten op grond van het loyaliteitsbeginsel dat de partijen in de afhandeling van een burgerlijke rechtspleging horen na te leven.
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.13.0466.F
S. M.,

tegen
1. BURGEMEESTER VAN DE STAD EUPEN,
2. STAD EUPEN,
3. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse zaken,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 6 juni 2013.
.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
(...)

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 38, § 2, derde lid, Gerechtelijk Wetboek worden, wanneer een betekening aan de procureur des Konings wordt gedaan, de nodige maatregelen getroffen opdat het afschrift binnen de kortst mogelijke tijd bij de betrokkene toe-komt.
Die bepaling legt het openbaar ministerie enkel op de nodige maatregelen te ne-men die het redelijkerwijs kan aanwenden om de geadresseerde van de betekende akte te lokaliseren.

Het arrest stelt vast dat de eiser, die nog steeds officieel in Eupen was ingeschre-ven er ten tijde van de litigieuze betekening van 16 juni 2011 niet meer verbleef maar, zoals zijn raadsman uiteenzette op de terechtzitting, naar Vlaanderen was verhuisd zonder daar officieel ingeschreven te zijn, en dat de schrapping van eisers inschrijving in Eupen was voorgesteld maar niet werd uitgevoerd.

Het arrest dat overweegt dat "het parket te Eupen, voor zover [de eiser] niet al-leen de stad Eupen, maar ook het gerechtelijk arrondissement Eupen had verlaten en voor zover er geen enkele informatie was over zijn nieuwe verblijfplaats en er in Vlaanderen geen enkele inschrijving [was] gebeurd, onmogelijk de nieuwe ver-blijfplaats kon lokaliseren en het exploot doen overhandigen", verantwoordt zijn beslissing naar recht dat, gelet op de taken van het parket, de betekening op grond van artikel 38, § 2, Gerechtelijk Wetboek rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.

Deze overwegingen vormen een toereikende grondslag van die beslissing. Het onderdeel, dat voor het overige ingesteld is tegen een ten overvloede gegeven overweging van het arrest, kan niet tot cassatie leiden en vertoont bijgevolg geen belang.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Een partij die in de loop van een rechtspleging van woonplaats of verblijfplaats verandert, dient de overige partijen in het geding daarvan in te lichten op grond van het loyaliteitsbeginsel dat de partijen in de afhandeling van een burgerlijke rechtspleging horen na te leven.

Het arrest stelt vast dat de eiser het pand in Eupen heeft verlaten waar hij nog steeds officieel was ingeschreven, zonder de overige partijen te informeren over zijn nieuwe verblijfplaats en zonder dat zij die plaats konden bepalen bij gebrek aan een nieuw adres van de eiser in de bevolkingsregisters.

Het overweegt vervol-gens dat de eiser, die eisende partij is in de rechtspleging, aan de tweede verweer-ster diende te melden dat hij naar Vlaanderen was verhuisd en dat hij, ook al had hij wellicht problemen om zich zonder verblijfsvergunning in het bevolkingsregis-ter van een andere gemeente te laten inschrijven, woonplaats kon kiezen bij de raadsman die hem in de rechtspleging had verdedigd, en verantwoordt met die overweging naar recht zijn beslissing dat de toepassing van artikel 38, § 2, Ge-rechtelijk Wetboek in deze zaak het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Be-scherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden neerge-legde recht niet miskent.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

 

• Journal des tribunaux [JT] MALENGREAU, Thomas; Observations 'Loyauté procédurale: la consécration?' 2015, n° 6621/6622, p. 755-757.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 29/10/2016 - 13:30
Laatst aangepast op: za, 29/10/2016 - 13:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.