-A +A

Louter samentreffen van aanbod en aanvaarding over substantiële voorwaarden maakt koopovereenkomst uit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 12/11/2013

Wanneer en aanbod en aanvaarding elkaar kruisen, komt een verkoopovereenkomst tot stand (art. 1583 BW). Dit is het geval wanneer partijen het eens zijn over de zaak (de woning) en de prijs, terwijl geen andere essentiële of substantiële elementen meer voorliggen. 

Wanneer de essentiële en substantiële elementen van de verkoopovereenkomst vastliggen, kan het finaliseren van de overeenkomst niet worden gelijkgesteld met het onderhandelen over essentiële of substantiële elementen. Het gaat dan om accessoire elementen die desnoods op basis van suppletieve rechtsregels moeten worden aangevuld (Rb. Gent 10 januari 2012, TBBR 2013, 390, noot J. Callebaut). In casu volstaan derhalve aanbod en aanvaarding, nu zij volledig zijn (vgl. Brussel 23 juni 2011, TBO 2013, 180, kritische noot J. Callebaut).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
26
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

L. t/D.

...

II. Vordering

1. De (bij dagvaarding van 24 oktober 2012 ingestelde en verder bij conclusie nader uitgewerkte) vordering van de eisers strekt tot:

– vaststelling van de buitengerechtelijke ontbinding dan wel gerechtelijke ontbinding (in het nadeel van de verweerder) van de (ingevolge aanbod en aanvaarding in november 2011 ontstane) overeenkomst tot verkoop door de eisers als verkopers aan de verweerder als koper van een woning te N.;

– veroordeling van de verweerder om aan de eisers te betalen een (conventionele) schadevergoeding ten bedrage van 75.000 euro, vermeerderd met de interesten.

De eisers beroepen zich op de wanprestatie van de verweerder bij de nakoming van zijn uit de verkoopovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, inzonderheid:

– zijn verbintenis tot medewerking (1) bij het finaliseren van de overeenkomst door middel van een onderhandse akte en (2) bij het verlijden van de notariële akte;

– zijn verbintenis tot betaling (art. 1650 e.v. BW).

De verweerder zou na de totstandkoming van de overeenkomst van zijn aankoop hebben afgezien.

2. De verweerder neemt conclusie tot afwijzing van deze vordering, minstens tot matiging van de beoogde schadevergoeding.

III. Beoordeling

1. Na bemiddeling door een vastgoedmakelaar doet de verweerder op 5 november 2011 een bod tot aankoop van de woning te N. tegen de prijs van 500.000 euro. Het aanbod geldt tot 30 november 2011.

De eerste eiser bewijst dat hij vóór het verstrijken van de geldingsduur tot aanvaarding van het bod is overgegaan met navolgende communicatie per e-mail van 30 november 2011 van een ontwerp van onderhandse verkoopovereenkomst. Dat dit e-mailbericht uitgaat van de vastgoedmakelaar en (in de eerste plaats aan de notaris en zodoende) slechts mede (in kopie) aan de verweerder is gericht, doet geen afbreuk aan de volkomen communicatie.

Aangezien aanbod en aanvaarding elkaar kruisen, komt een verkoopovereenkomst tot stand (art. 1583 BW). De partijen zijn het eens over de zaak (de woning) en de prijs (500.000 euro), terwijl geen andere essentiële of substantiële elementen meer voorliggen. Anders dan de verweerder wil voordoen, vormt de gebeurlijke “woonvergoeding” (bij gebrek aan vrijgave bij het verlijden van de notariële akte) dan wel de onmiddellijke vrijgave geen essentieel noch substantieel element.

Daar de essentiële en substantiële elementen van de verkoopovereenkomst vastliggen, kan het finaliseren van de overeenkomst niet worden gelijkgesteld met het onderhandelen over essentiële of substantiële elementen. Het gaat dan om accessoire elementen die desnoods op basis van suppletieve rechtsregels moeten worden aangevuld (Rb. Gent 10 januari 2012, TBBR 2013, 390, noot J. Callebaut). In casu volstaan derhalve aanbod en aanvaarding, nu zij volledig zijn (vgl. Brussel 23 juni 2011, TBO 2013, 180, kritische noot J. Callebaut).

De voorzijde van het aanbod geeft trouwens nadrukkelijk aan dat, bij aanvaarding ervan, “dit geschrift als verkoopovereenkomst geldt”.

2. De verweerder kon bijgevolg bezwaarlijk zonder meer van zijn aankoop afzien. Hij miskent zijn uit de verkoopovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, inzonderheid:

– zijn verbintenis tot medewerking (1) bij het finaliseren van de overeenkomst door middel van een onderhandse akte en (2) bij het verlijden van de notariële akte;

– zijn verbintenis tot betaling (art. 1650 e.v. BW).

Op de ingebrekestellingen van de eisers (van 7 en 14 december 2011) antwoordt hij (in brieven van 12 en 16 december 2011) ten onrechte dat geen verkoopovereenkomst is tot stand gekomen.

De navolgende ingebrekestelling van de eisers (van 21 februari 2012) blijkt eens te meer vergeefs.

3. De verweerder kan er zich niet a posteriori vanaf maken door aan te voeren dat zijn aanbod onvolkomen was en niet (op de geijkte manier) is aanvaard door de (minderjarige) tweede eiser.

Een aanbod is een eenzijdige rechtshandeling die bestaat uit een vast en precies voorstel tot contracteren waarin alle voor de totstandkoming van de overeenkomst noodzakelijke elementen voorhanden zijn (Cass. 18 mei 2012, TBH 2012, 727). In casu voldoet het aanbod van de verweerder van 5 november 2011 zowel aan het vereiste materiële element als aan het vereiste intentionele element. De zaak en de prijs zijn afdoende aangegeven. Dat (nog) niet afdoende is aangegeven dat beide eisers eigenaar zijn van de bedoelde woning, vormt geen struikelblok. Punt is dat de verweerder blijk geeft van zijn definitieve bedoeling om zich te verbinden tot aankoop van de bedoelde woning tegen de vooropgestelde prijs.

Wanneer de eerste eiser (tijdig) aanvaardt (en van deze aanvaarding tijdig kennis geeft), doet hij dit impliciet maar zeker mede als wettige vertegenwoordiger ten behoeve van zijn zoon, de tweede eiser. Blijkens het ontwerp van onderhandse verkoopovereenkomst als bijlage bij het e-mailbericht van 30 november 2011, behoort de woning aan beide eisers toe.

Die opgave volstaat, temeer daar het voor de verweerder niet echt kan uitmaken of de woning nu aan de eerste eiser alleen of aan beide eisers toebehoort. Dat de verweerder hierover ten tijde van zijn aanbod van 5 november 2001 mogelijk nog geen uitsluitsel heeft, doet geen afbreuk aan de verbindende kracht van zijn eenzijdige rechtshandeling.

Pijnpunt is wel dat de eerste eiser als wettige vertegenwoordiger van zijn zoon (de tweede eiser) een machtiging van de vrederechter in de zin van art. 378, § 1 juncto art. 410, § 1, 1o BW nodig heeft alvorens ten behoeve van de zoon het gedane aanbod te kunnen aanvaarden. Uit voormelde bepalingen volgt dat de ouder (de eerste eiser) zich niet ten behoeve van zijn kind (de tweede eiser) tot vervreemding van diens goederen kan verbinden vooraleer hij de machtiging van de daartoe bevoegde vrederechter heeft verkregen. Hij kan zich bijgevolg evenmin verbinden onder voorbehoud of onder opschortende voorwaarde van goedkeuring door de vrederechter.

De regel dat de ouder (de eerste eiser) zich niet kan verbinden vóór het verkrijgen van de machtiging van de bevoegde vrederechter, ook niet onder een opschortende voorwaarde, strekt er (enkel) toe het belang van het kind (de tweede eiser) te vrijwaren. Het bedoelde machtigingsvereiste heeft niets te maken met het belang van de verweerder als koper. Het (nietigheids)sanctiemechanisme is derhalve relatief (Cass. 22 mei 2009, RW 2010-11, 25; Gent 23 september 1998, TGR 1999, 11; Vred. Gent 9 september 2003, RW 2003-04, 829, noot F. Swennen en S. Mosselmans).

De verweerder kan zich bezwaarlijk krachtens art. 378, § 1 juncto art. 410, § 1, 1o BW op de nietigheid van de verkoopovereenkomst beroepen wanneer het belang dat hij met die nietigheidssanctie nastreeft, vreemd is aan die artikelen. De verweerder beroep zich dan ook vergeefs op art. 378, § 1 juncto art. 410, § 1, 1o BW, niet omdat afbreuk zou zijn gedaan aan het belang van de tweede eiser, maar omdat hij zich aan zijn verbintenissen als koper wil onttrekken.

Daar komt bij dat de geldingsduur van het aanbod van de verweerder (van 5 november 2011 tot 30 november 2011) gebeurlijk (praktisch gezien) te kort is om de eerste eiser in staat te stellen aan het machtigingsvereiste te voldoen.

Dat de verweerder van de verkoopovereenkomst heeft afgezien “omdat hij niet wilde meewerken aan een nietige rechtshandeling” en/of “omdat hij niet het risico wilde dragen dat de tweede eiser, eens meerderjarig, alsnog de nietigheid zou vorderen van de (niet gemachtigde) verkoopovereenkomst”, is een argument dat niet opgaat. Het was hoe dan ook de bedoeling om aan het machtigingsvereiste te voldoen alvorens de per e-mail van 30 november 2011 toegezonden onderhandse akte te onderschrijven.

Door zonder meer van zijn aankoop af te zien heeft de verweerder de (eerste) eiser(s) voor een voldongen feit geplaatst. De verweerder kan zijn handelwijze niet aangrijpen om a posteriori de vinger te wijzen naar de (eerste) eiser(s) die door zijn foutieve toedoen een en ander niet heeft/hebben kunnen finaliseren.

Voorts is, in geval van miskenning van het bedoelde machtigingsvereiste, de relatief nietige rechtshandeling vatbaar voor bevestiging (Vred. Gent 9 september 2003, RW 2003-04, 829, noot F. Swennen en S. Mosselmans; vgl. Vred. Westerlo 19 november 2001, RW 2002-03, 1028).

...

5. De verweerder kan evenmin a posteriori aanvoeren dat hij niet tijdig beschikte over een OVAM-bodemattest. Hij voert aan dat, hoewel OVAM het bedoelde attest afleverde op 18 oktober 2001, het hem niet werd toegezonden (bij de totstandkoming van de verkoopovereenkomst).

Blijkens het attest van 18 oktober 2011 beschikt OVAM niet over informatie met betrekking tot de bodemkwaliteit. Het gaat hoe dan ook niet om een risicogrond. De verweerder kan zich in de gegeven omstandigheden bezwaarlijk op een miskenning van (art. 101 en 116, § 1 van het Bodemdecreet (van 27 oktober 2006) beroepen. Een dergelijk volkomen a posteriori gebracht verweer getuigt in de gegeven omstandigheden (waarbij op dit stuk niet de minste belangenkrenking aan de zijde van de verweerder voorligt) (hoe dan ook) van rechtsmisbruik. Hoewel het cassatiearrest van 24 juni 2010 leert dat het in beginsel niet uit den boze is om zich bij gebrek aan een (tijdig) bodemattest op een miskenning van het Bodemdecreet te beroepen, sluit het niet uit dat wie zich in een concrete casus (zoals deze) volkomen zonder belang op de bedoelde miskenning beroept, van rechtsmisbruik kan getuigen (C. De Wulf, “De draagwijdte van het recente cassatiearrest in verband met de mededeling van het bodemattest”, T.Not. 2010, 578; F. Haentjes, “Overdracht van gronden zonder voorafgaandelijk bodemattest: nietig zonder rechtsmisbruik? En hoe moet het nu verder met de koop-verkoop onder opschortende voorwaarde?” (noot onder Cass. 24 juni 2010), TMR 2011, p. 26-27, nr. 9 en p. 28, nr. 12; A. Lemmerling, “Het laattijdig blanco bodemattest: een vrijbrief voor de misnoegde koper?” (noot onder Cass. 24 juni 2010), Not.Fisc.M. 2011, 55-57; vgl. J. Del Corral, “Nietigheid als sanctie wegens miskenning van de informatieplicht van art. 101 Bodemdecreet: te pas en te onpas” (noot onder Cass. 24 juni 2010), RW 2010-11, p. 1524-1525, nrs. 10-12).

...

7. De eisers vorderen kan ook terecht de gerechtelijke ontbinding van de verkoopovereenkomst.

...

9. De bij het aanbod horende verkoopsvoorwaarden voorzien in een schadevergoeding van 15% van de verkoopprijs (vermeerderd met “de bewezen onkosten” en “alle bewezen andere schade”). Een schadevergoeding van 15% van de verkoopprijs komt neer op 15% van 500.000 euro = 75.000 euro. Mede gelet op voormelde vordering van de eisers, neemt de rechtbank aan dat “de bewezen onkosten” en “alle bewezen andere schade” in het forfait zijn begrepen. Het tegendeel (een forfait enerzijds en een open gedeelte anderzijds) zou overigens niet opgaan.

De vraag rijst naar het eventueel buitensporige karakter van het bedoelde schadebeding, krachtens welk de forfaitaire vergoeding van de (potentiële) schade van de verkopers ingevolge de wanprestatie van de koper en de ontbinding van de overeenkomst in hun nadeel gelijkstaat met 15% van de koopprijs.

De rechter kan hier matigen wanneer het aldus forfaitair begrote bedrag kennelijk (deze potentiële schade en met name) “het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden” (art. 1231, § 1 BW; eigenlijk heeft de rechter zelfs een matigingsverplichting). De wetgever wenst hierbij blijkbaar dat de rechter spaarzaam van zijn matigingsbevoegdheid gebruikmaakt en sowieso (zeer) omzichtig tewerkgaat (J. Herbots, “De nieuwe wet op de schadebedingen: het zogenaamde strafbeding” in S. Stijns en H. Vandenberghe (eds.), Themis-cahier verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2000-01, p. 46-47, nr. 13; Antwerpen 1 maart 2005, RW 2006-07, 801, noot I. Samoy en K. Vanderschot, TBBR 2007, 587). De rechter stelt zich in de eerste plaats op het tijdstip van de contractsluiting, zodat de omstandigheid dat de daadwerkelijk geleden schade a posteriori veel hoger of lager blijkt te liggen in beginsel geen rol speelt (J. Herbots, “De nieuwe wet op de schadebedingen: het zogenaamde strafbeding” in S. Stijns en H. Vandenberghe (eds.), Themis-cahier verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2000-01, p. 44-45, nr. 9; I. Samoy, “De geoorloofdheid van schadebedingen na de wet van 23 november 1998: de figurantenrol van de daadwerkelijk geleden schade en van de nietigheidssanctie”, R.Cass. 2001, p. 346, nrs. 6-7). Indien de rechter besluit tot matiging, vormt de daadwerkelijk geleden schade evenwel de ondergrens, zonder dat de rechter verplicht is tot deze ondergrens te gaan (Cass. 22 oktober 2004, NJW 2005, 736, RW 2005-06, 460, noot D. Mertens).

De rechtbank is van oordeel dat het forfaitair bedongen schadebedrag kennelijk de bij het sluiten van de overeenkomst in te schatten potentiële schadelijke gevolgen van een wanprestatie en een ontbinding van de overeenkomst (door het foutieve toedoen van de verweerder) te boven gaat en dat de bij het sluiten van de overeenkomst in te schatten potentiële schadelijke gevolgen op (maximum) 10% van de koopprijs konden worden bepaald (Rb. Gent 21 oktober 2008, TBO 2009, 258).

De verweerder kan zodoende aanspraak maken op 50.000 euro. (...).

De eisers kunnen voorts aanspraak maken op moratoire interesten op het bedrag van 50.000 euro in de hierna bepaalde mate en overeenkomstig art. 1153, derde lid BW vanaf de datum van de ingebrekestelling (7 december 2011).

...

10. Het gegeven dat de eisers hun woning intussen (medio 2012, na machtiging van de vrederechter) hebben verkocht, is zonder belang (Cass. 26 januari 2007, TBBR 2009, 45; zie ook: Cass. 13 oktober 2011, Pas. 2011, 2237).

...

Noot: 
Rechtsleer:

• Joke BAECK en Ignace CLAEYS , Verkoop van een onroerend goed per e-mail? – De ene vormvereiste is de andere niet, RW 2017-2018, 763

Samenvatting

Volgens recente rechtspraak van het Antwerpse Hof van Beroep zouden e-mails niet volstaan opdat een verkoop van een onroerend goed tot stand zou komen of kan worden bewezen. De verkoop van een onroerend goed zou een «veeleer» plechtig karakter hebben gekregen doordat zowel het Bodemdecreet als de VCRO op straffe van nietigheid vormvoorschriften (onderhandse akte met bepaalde vermeldingen) opleggen.
Deze rechtspraak wordt in deze bijdrage onderzocht vanuit het bredere kader van formaliteiten die bij het sluiten van een overeenkomst moeten worden nageleefd. 

De auteurs maken een onderscheid tussen formaliteiten die vereist zijn voor de totstandkoming van de overeenkomst (totstandkomingsformaliteiten) en die welke vereist zijn voor de geldigheid van de overeenkomst (geldigheidsformaliteiten).

Aangezien de formaliteiten van het Bodemdecreet en de VCRO als geldigheidsvereisten zijn te kwalificeren, kan de verkoop van een onroerend goed in de lijn van de traditie nog steeds als een consensueel contract worden beschouwd. De verkoop van een onroerend goed kan dus wel nog per e-mail tot stand komen en ook per e-mail worden bewezen. Alleen kan de koper (maar niet de verkoper) de nietigheid van de verkoop inroepen indien de formaliteiten van het Bodemdecreet of de VCRO niet zijn vervuld.
Een e-mailbericht kan als bewijsmiddel onder bepaalde voorwaarden met een onderhandse akte worden gelijkgesteld. Dit veronderstelt dan wel dat de e-mail voorzien is van een elektronische handtekening in de juridische betekenis (zie de artt. 1322 BW en 25.2 eIDAS-Verordening.
Heeft de koopovereenkomst in de persoon van de wederpartij een handelsrechtelijk karakter, dan is de bewijsregeling soepeler en kan de rechter ook andere bewijsmiddelen toestaan (art. 25, eerste lid W.Kh.), met dien verstande dat ook in dat geval de akte als bewijsmiddel de facto een belangrijke plaats inneemt.
Hoewel de verkoop van een onroerend goed in de huidige rechtsleer in de lijn van de traditie meestal nog als een consensuele overeenkomst wordt gepresenteerd, is er recentelijk twijfel gerezen of dit type van overeenkomst niet veeleer een plechtig of formeel contract is geworden. Die twijfel is ontstaan doordat de Vlaamse decreetgever diverse
Aan die formaliteit van een onderhandse akte is niet voldaan wanneer tussen partijen enkel e-mails werden uitgewisseld, zo oordeelde de eerste kamer van het Antwerpse Hof van Beroep al in diverse arresten.

Inhoudstafel
I. De bredere context van formaliteiten
A. Een wereld vol uiteenlopende formaliteiten met diverse doelstellingen en sancties
B. Formaliteiten bij elektronische contracten
C. Formaliteiten bij de verkoop van een onroerend goed
II. Een nadere analyse van de recente rechtspraak
A. De eerste kamer van het Antwerpse Hof van Beroep
B. De vijfde kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen
C. Het Gentse Hof van Beroep
III. Ad solemnitatem? Ad validitatem! Bestaansformaliteiten versus geldigheidsformaliteiten
A. Totstandkoming van de verkoop van een onroerend goed via e-mail?
B. Bewijs van de verkoop van een onroerend goed via e-mail?
IV. Besluit

Bronverwijzingen

• B. Tilleman, Totstandkoming en kwalificatie van de koop in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Kluwer, 2001, nr. 12
• W. Van Gerven en A. Van Oevelen, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 60
• P. Wéry, Droit des obligations, I, Théorie générale du contrat, Brussel, Larcier, 2010, 120.
• A. Clabots, «Commentaar bij art. 25 W.Kh.» in Commentaar Handels- en economisch recht, Mechelen, Kluwer, 2008, nrs. 7-8.
• W. Vandenbussche, «Bewijs van de verkoop van een onroerend goed: jurisprudentiële ontwikkelingen», TBO 2017, (236), p. 237, nr. 4.
• Verordening (EU) 910/2014 van 23 juli 2014 «betreffende identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG», Pb.L. 28 augustus 2014, afl. 257, 73 (in deze bijdrage «eIDAS-Verordening» genoemd).
• E. Terryn en J. Goddaer, «Boek XII. Recht van de elektronische economie» in B. Keirsbilck en E. Terryn, Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, Antwerpen, Intersentia, 2014, 326, voetnoot 124
• G. Somers en B. Fiten, «Veel heisa om niets», Juristenkrant 2017, afl. 346, 12-13
• R. De Koninck, «Verkoop via e-mail niet mogelijk», http://cibweb.be/nieuws/verkoop-e-mail-niet-mogelijk.
• J. Callebaut, «Verkoop woning via e-mail. Het Antwerpse e-mailarrest van 19 december 2016», NJW 2017, 210-215.
• H. Jacquemin, Le formalisme contractuel. Mécanisme de protection de la partie faible, Brussel, Larcier, 2010, p. 435, nr. 321.
• M.-A. Guerriero, L’acte juridique solennel, Parijs, LGDJ, 1975, 45)
• oprichting van vennootschappen (art. 66 W.Venn.).
• J. De Coninck, «Classificatie van contracten» in E. Dirix en A. Van Oevelen (eds.), Comm. Bijz. Ov., Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 6
• M. Fabre-Magnan, Droit des obligations, I, Contrat et engagement unilatéral, Parijs, PUF, 2008, nr. 92.
• P. Malaurie, L. Aynès en P. Stoffel-Munck, Droit des obligations, Parijs, LGDJ, 2016, nr. 536.
• J. Callebaut, «Totstandkoming van de verkoop van onroerend goed: recente ontwikkelingen», TBO 2017, (223), p. 232, nr. 33
• B. Cattoir, Burgerlijk bewijsrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, nr. 458
• E. Terryn en J. Goddaer, «Boek XII. Recht van de elektronische economie» in B. Keirsbilck en E. Terryn, Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 324, nr. 44
• Storme De invoering van de elektronische handtekening in ons bewijsrecht – Een inkadering van en commentaar bij de nieuwe wetsbepalingen», RW 2000-01, (1505), p. 1514
• D. Mougenot, La preuve, Brussel, Larcier, 2002, 190-191
• P. Van Eecke, De handtekening in het recht. Van pennentrek tot elektronische handtekening, Brussel, Larcier, 2004, p. 491-492, nr. 607
• P. Van Eecke, «Juridische aspecten van de elektronische handtekening» in CBR (ed.), CBR Jaarboek 2010-2011, Antwerpen, Intersentia, p. 132, nr. 19 (p. 141, nr. 28: (zij het, in navolging van M.E. Storme, met een breder toepassingsgebied voor het voormalige art. 4, § 4 Wet Elektronische Handtekeningen)
• E. Jacobs, «Authenticatie en elektronische handtekening in elektronisch bankieren» in Juridische aspecten van de elektronische betaling, I, Mechelen, Kluwer, 2004, 194-195.
• J. Del Corral, «Nietigheid als sanctie wegens miskenning van de informatieplicht van art. 101 Bodemdecreet: te pas en te onpas» (noot onder Cass. 24 juni 2010), RW 2010-11, (1521), p. 1523, nr. 7.
• J. Callebaut, «Een subjectief plechtige verkoop is nietig als de stedenbouwkundige informatie ontbreekt» (noot onder Antwerpen 14 oktober 2013), TBBR 2014, p. 500-501, nr. 24
• L. Voet en A. Keirse, «Hoe de koop van een woning te reguleren
• zeker weten?!», TPR 2011, p. 211-213, nrs. 49-51 (facultatieve nietigheid). 
• F. Haentjens, «Informatieverplichtingen in het Bodemdecreet 2006 en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: duiding bij enkele recente arresten van het Hof van Cassatie», RW 2012-13, 202-210.
• Cass. 3 november 2011, RW 2012-13, 220, noot F. Haentjens
• S. Verbist, R. Jansen en C. Bimbenet, «Enkele administratiefrechtelijke aandachtspunten bij de overdracht van onroerende goederen: stedenbouw en bodem» in G. Verschelden (ed.), Rechtskroniek voor het Notariaat, Brugge, die Keure, 2017, p. 20, nr. 41.
• G. Somers en B. Fiten, «Geen e-mail om huis te (ver)kopen? Veel heisa om niets», Juristenkrant 2017, afl. 346, (12) 12.
• Antwerpen (1e k.) 24 juni 2013, T.Not. 2014, 345.
• Antwerpen (1e k.) 5 september 2016, TBO 2017, 257.
• H. Graux, «De eIDAS-Verordening en de bevoegde Belgische wetgeving: nieuwe marsorders voor elektronische handtekeningen en andere vertrouwensdiensten», Cah.Jur. 2016, (53) 60.
• Gent 26 september 2013, RW 2014-15, 258, noot S. Meys. 
• Rb. Gent 10 april 2012, T.App. 2012, 26.
• E. Terryn, «Wet elektronische handel zou geen argument mogen zijn om een e-mail volledig te verwerpen als bewijs bij een verkoop van onroerende goederen» (noot onder Antwerpen 19 december 2016), DCCR 2017, (83) 85. 
• I. Samoy en A.-S. Houtmeyers, «Over de verkoop van een onroerend goed via e-mail of sms: bewijs en precontractuele aansprakelijkheid», T.Not. 2014, (327), p. 335, nr. 6
• E. Terryn en J. Goddaer, «Boek XII. Recht van de elektronische economie» in B. Keirsbilck en E. Terryn (ed.), Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, Antwerpen, Intersentia, 
• R. Dekkers, Handboek burgerlijk recht, II, Brussel, Bruylant, 1971, nr. 15
• H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, II, Brussel, Bruylant, 1964, nr. 454A
• A. Kluyskens, Beginselen van burgerlijk recht, I, De verbintenissen, Antwerpen, Standaard, 1948, nr. 25
• R. Vandeputte, De overeenkomst. Haar ontstaan, haar uitvoering en verdwijning, haar bewijs, Brussel, Larcier, 1977, 15 en voetnoot 8 op p. 15 (minstens impliciet)
• P. Van Ommeslaghe, Droit des obligations, I, Sources des obligations (première partie), Brussel, Bruylant, 2010, nr. 67
• H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, I, Brussel, Bruylant, 1962, nr. 28
• S. Stijns, Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2005, p. 23, nr. 28
• J. Callebaut, «Actualia inzake de totstandkoming van de verkoop van onroerend goed» in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen Vermogensrecht 2016, Antwerpen, Intersentia, 2016, p. 108, nr. 3 
• J. Callebaut noot onder Antwerpen 14 oktober 2013), TBBR 2014, (497), p. 497, nr. 4
• R. Japiot, Des nullités en matière d’actes juridiques. Essai d’une théorie nouvelle, Paris, Librairie nouvelle de droit et de jurisprudence, 1909, 964 p.). 
• W. Van Gerven, Algemeen deel in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Brussel, Story-Scientia, 1987, nrs. 127-128.
• H. Willekens en T. Wuyts, «Commentaar bij art. 191 BW» (ed.) in Comm. Pers., Mechelen, Kluwer, 2004, 10.
• R. Jansen, «Subrogatie» in E. Dirix en A. Van Oevelen (ed.), Bijzondere overeenkomsten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, 2010, nr. 81 
• R. Barbaix, Het contractuele statuut van de schenking, Antwerpen, Intersentia, 2008, nrs. 319 e.v.
• R. Barbaix, «Tijdelijke actualiseringsfiche art. 931 BW» in Comm.Erfr., Mechelen, Kluwer, 2016, 0.2.
• D. Petosa, «De Antwerpse «e-mailgate». Koop van een onroerend goed langs elektronische weg» (noot onder Antwerpen 19 december 2016), Not. Fisc. M. 2017, (129), p. 130, nr. 6
• D. Ryckbost, «De weerslag van het Vlaamse bodemsaneringsdecreet op het contractenrecht» in Overeenkomstenrecht, Antwerpen, Kluwer, 2000, 64
• B. Samyn, Privaatrechtelijk bewijs, Gent, Story, 2012, nr. 361), mag hetzelfde worden aangenomen voor uitgewisselde e-mails (anders: W. Vandenbussche, o.c., TBO 2017, p. 240, nr. 10).
• P. Van Eecke, De handtekening in het recht. Van pennentrek tot elektronische handtekening, Brussel, Larcier, 2004, p. 461, nr. 575. 
• Antwerpen (1e k.) 5 september 2016, TBO 2017, 257.
• Antwerpen (1e k.) 24 juni 2013, T.Not. 2014, 345
Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 03/09/2015 - 10:39
Laatst aangepast op: vr, 05/01/2018 - 17:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.